Vertelstof op de vrijeschool

Uit Stichting Vertellen MediaWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Algemeen beeld vertelstof en ontwikkelingsfase van het kind[bewerken]

De periode van de tweede zeven jaar

Tussen de 7 en 14 jaar daalt het kind als het ware op de aarde neer. Het kind ontwikkelt zich van dromerig naar het meer aardse bestaan. De vertelstof is er om richting te geven in de motieven van de eigen biografie. Hoe zal ik mij ontwikkelen? Welke keuzes kan ik maken? en Welke zal ik maken? Dit gebeurt zowel bewust als onbewust. De vertelstof is een verbindingsfactor tussen het kind en de leerstof. Kinderen herkennen zich in de vertelstof en identificeren zich met personages uit het verhaal. De personen in de verhalen nemen de kinderen als voorbeeld. Zo helpen de personages als het ware het kind verder in zijn of haar ontwikkeling. Vooral op sociaal-emotioneel gebied. Waar sta ik op deze grote wereld en wat is er allemaal? Hoe moet ik handelen?


Vertelstof algemeen

Op de Vrijeschool, in iedere klas, vertelt de leerkracht enige malen per week een verhaal. Deze vertelstof vormt een rode draad door de lessen gedurende de hele basisschooltijd.

Ieder leerjaar heeft zijn eigen vertelstof, die kenmerkend is voor de ontwikkelingsfase van het kind. Het onderwerp ontwikkelt zich van sprookjes in de eerste klas tot de Romeinse - en middeleeuwse geschiedenis in de zesde klas. Het kind kan zich in deze vertelstof herkennen en er ook inspiratie uit opdoen. Daarnaast is de vertelstof een handvat voor rekenen, taal en de vaklessen.


Vertelstof overzicht per klas

Op de Vrijescholen wordt gewerkt met klassen. Groep 3 tot en met groep 8 wordt vanuit de Vrijescholen de onderbouw genoemd. Kleuters daarin zijn niet meegenomen in de telling. Groep 3 is op de Vrijeschool klas 1 en groep 8 de laatste, klas 6. Hieronder is een overzicht te vinden van de vertelstof per klas.


Klas 1, 2, 3 -> dromerige sferen

	In klas 1 (groep 3) -> Sprookjes
	In klas 2 (groep 4) -> Fabels en heiligenlegenden
	In klas 3 (groep 5) -> Het Oude Testament

Klas 4, 5, 6 -> aardse sferen

	In klas 4 (groep 6) -> De Oud-Germaanse (Noorse) mythologie
	In klas 5 (groep 7) -> De Griekse mythologie
	In klas 6 (groep 8) -> De Romeinen

Per klas staat in de volgende hoofdstukken beschreven hoe de vertelstof en welke lesstof behandeld worden en hoe de ontwikkelingsfasen hierop aansluiten.


Klas 1 - Klassieke volkssprookjes (de start van de onderbouw)[bewerken]

Er wordt op de Vrijeschool een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de kleuterklassen en de onderbouw. Je begint dus niet in groep 3, maar in klas 1. Dit pedagogische onderscheid is erg belangrijk, omdat het Vrijeschoolonderwijs aansluit op de behoeften en ontwikkeling van het kind. De overgang van de kleuterklas naar klas 1 wordt altijd gevierd. De overgang wordt makkelijker gemaakt omdat de letters en cijfers niet als vormen maar als levende figuren worden aangeboden. Vanuit sprookjes of fantasieën van het kind. Daarnaast worden er ook metaforen gebruikt zoals bij het maken van moeilijke opdrachten


Ontwikkelingsfase

Als het kind zes jaar is, wordt het leerrijp. Een kind kan dan steeds meer gaan leren door middel van het gesproken woord, van onder anderen, de leerkracht. Op deze leeftijd hebben zij veel behoefte aan leeftijdsgenoten om hen heen waarmee zij hun ervaringen kunnen delen. Hierdoor worden zij ook minder afhankelijk van hun moeder en vergelijken hun thuissituatie ook met die van de kinderen om zich heen. In deze periode ontwikkelt het schaamtegevoel zich ook sterker en hiermee ook de angst om fouten te maken. In deze leeftijdsfase leren ze zichzelf taken op te leggen en doelen te stellen.


Lesstof

Het kind is nu leerrijp en leert nu door middel van het gesproken woord van de leerkracht. Hun ontdekkingen worden steeds abstracter. In de eerste klas leren zij grote culturele vaardigheden zoals schrijven, lezen en rekenen. Als belangrijke didactische middelen wordt nog steeds spel en beweging gebruikt. Bij taal wordt bijvoorbeeld gezongen en toneel gespeeld en tijdens rekenen wordt er gebruik gemaakt van handen en voeten.

Tijdens het verhaal of het zelfstandig werken, zijn er ook stille momenten. Verhalen nemen een belangrijke plaats in bij het Vrijeschoolonderwijs, de verhalen volgen de belevingswereld van het opgroeiende kind. Rond het 6e jaar wordt het kind leerrijp. Steeds meer gaat het kind leren door middel van het gesproken woord van de leerkracht. De ontdekkingen worden abstracter. Het kind leert in de klas de grote culturele vaardigheden: schrijven, lezen en rekenen. Spel en beweging blijven belangrijke didactische middelen. In de rekenles zijn de handen en voeten net zo actief als het hoofd. Bij taal wordt getekend, gezongen en toneel gespeeld. Maar er zijn ook stille momenten, bijvoorbeeld tijdens het verhaal en het zelfstandig werken. Verhalen nemen een belangrijke plaats in binnen het Vrijeschoolonderwijs. Zij volgen de belevingswereld van het opgroeiende kind. De motorische vaardigheden, die de kinderen ook nodig hebben om te leren schrijven, wordt geoefend met vormtekenen.


Vertelstof

De vertelstof in de eerste klas zijn de sprookjes, vooral de sprookjes van Grimm. Ook worden in deze klas natuurverhalen verteld. Wanneer deze verteld worden is het belangrijk om het wezenlijke van planten en dieren, trouw te blijven. Dieren dragen geen kleren, muizen eten niet met muis en vork en dekken geen tafels. Wel wordt er in sprookjes door dieren gepraat, dit omdat voor de kinderen, alles nog bezield is in deze levensfase. Een kind komt vanuit een lichtwereld in een wereld van goed en kwaad terecht, dit wordt voor kinderen bevestigd in sprookjes. Het thema goed en kwaad komt in ieder sprookje voor. De personages in sprookjes verbeelden alle aspecten van de mens. Omdat een kind nog in een fantasiewereld leeft, kan het zich makkelijk verplaatsen in de sprookjes. Hierdoor beweegt een kind innerlijk mee en ervaart het gevoelens als medeleven, nieuwsgierigheid, angst, voldoening en vreugde. Het verschil tussen goed en kwaad in combinatie met deze gevoelens, helpt het gevoel voor normen en waarden te ontwikkelen. In de eerste klas vormen sprookjes de vertelstof.


Klas 2 - Fabels en heiligenlegenden[bewerken]

Ontwikkelingsfase

Rond de leeftijd die de kinderen hebben in de eerste klas, dat is ongeveer 7 jaar, maken ze een stap in hun ontwikkeling waardoor ze kinderen in hun omgeving gaan waarnemen. Hierdoor ontdekken ze dat die kinderen “anders” doen dan zij zelf. Dit valt ze meer op bij negatief gedrag dan bij positief gedrag, bij hun eigen gedrag kunnen zij dit onderscheid nog niet maken. Daarom worden rond deze leeftijd de fabels behandeld. Fabels zijn dierenverhalen die op een grappige en luchtige wijze aan de kinderen verteld worden. In deze verhalen komen verschillende karaktereigenschappen naar voren en zijn de contrasten hier in voelbaar. De kinderen kunnen zich hiermee identificeren en leren zo onbewust het onderscheid te maken en het juiste te kiezen in hun eigen gedrag. Ze kunnen dus veranderen.


Lesstof

In de tweede klas gaan kinderen kijken naar de voeding, kleding en huizen van de mens en de ambachten die daarmee verband houden. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een boerderij periode zijn. De verschillende gewassen en de onderlinge afhankelijkheid van de natuurrijken worden ook behandeld. Ook wordt de ontwikkeling van hut tot moderne woning beleefd door te tekenen en zelf te bouwen.


Vertelstof

Fabels zijn dierenverhalen die op een grappige en luchtige wijze aan de kinderen verteld worden. In deze verhalen komen verschillende karaktereigenschappen naar voren en zijn de contrasten hier in voelbaar. De kinderen kunnen zich hiermee identificeren en leren zo onbewust het onderscheid te maken en het juiste te kiezen in hun eigen gedrag. Ze kunnen dus veranderen.

Dat “veranderen” zien de kinderen terug in de heiligenlegenden. Deze mensen zijn niet als heiligen geboren, integendeel, vaak hebben zij slechte eigenschappen waarvan zij pas na een lange strijd met zichzelf van verlost worden. Hierna ontwikkelen zij de licht-,liefde- en levenskrachten waardoor zij kunnen helpen en genezen. Het houdt dus in dat mensen gemotiveerd worden zichzelf te veranderen door beelden uit de geestelijke wereld. Heiligenlegendes die hiervoor gebruikt worden zijn bijvoorbeeld Franciscus van Assisi of Christoforus. Dit zijn onbaatzuchtige mensen die niet overgeleverd zijn aan hun driften of koppigheid. Als de tweedeklasser dit ontdekt, kan hij hier innerlijke steun in vinden.

De fabels vormen de andere kant hiervan. Hierin is veel eenzijdigheid terug te zien en dat is iets wat herkenbaar is voor een tweede-klasser. Kinderen beginnen menselijke zwakheden te herkennen, vooral bij anderen. In fabels hebben dieren, menselijke eigenschappen en wordt er gekeken welke eigenschap uiteindelijk overwint. De sluwe vos, de wijze uil, de driftige stier, de koppige ezel, de trotse haan, de trouwe hond, het goedige schaap, kinderen herkennen zichzelf en anderen hier in


Klas 3 - Het Oude Testament[bewerken]

In de derde klas kom je steeds meer los van alle sprookjes en fantasieën, vinden de kinderen hun weg naar de realiteit. Dit gaat door middel van de Bijbelse verhalen, met een pedagogisch doel. Mozes is een metafoor voor de rode draad in klas drie, ze worden nog wel begeleid maar niet meer geleid. Er wordt de kinderen diverse mogelijkheden aangeboden maar ze mogen hier zelf een uitkiezen. Ook wordt veel gekeken naar jezelf, waar je woont, wie je bent, welke basisbehoeftes je hebt. Toch komt in klas 4 dit pas echt tot uiting.


Ontwikkelingsfase

In de derde klas is te merken dat er een levensperiode afgesloten wordt. De kinderen worden zich steeds meer bewust van alles wat er om hun heen gebeurt. Natuurlijk is de reactie die de derdeklasser krijgt nog veel belangrijker voor hem. Dit is het moment dat hij daarop gaat letten en ziet dat er verschillen zijn tussen hem en de mensen om hem heen. De kinderen op school, klasgenoten en ook vriendjes of vriendinnetjes. In de derde klas zijn er ook veel vanzelfsprekende regels die ze allemaal erkennen.


Vertelstof

De vertelstof in de derde klas zijn verhalen uit het Oude Testament. In deze verhalen komen veel thema’s voor die in de derde klas spelen. De mens die in deze wereld God voorliegt en bedriegt. Het kind herkent zichzelf natuurlijk niet bewust in deze verhalen maar onbewust is het een feest van herkenning. Er zijn veel karakters in deze verhalen die de kinderen laten zien dat ze een individu zijn en zich niet meer een geheel voelen met de rest van de wereld. Er worden voorbeelden geschetst met verhalen over doorzettingsvermogen, met als gevolg, het creëren van iets nieuws. In de derde klas begint vrijwel elk kind als volger. Steeds meer gaat het kind vanaf nu grenzen ontdekken, overtreden en onderzoeken. Ze gaan autoriteit op de proef stellen en hierdoor is de stap naar een individueel bewustzijn makkelijker.


Klas 4 - De Oud-Germaanse (Noorse) mythologie[bewerken]

In de vierde klas is er heel veel fysieke groei, velen schieten de lucht in en hebben een groeispurt. Maar ook psychisch verandert er veel in dat jaar, zo gaan ze vragen stellen zoals: “Zijn mijn ouders wel mijn ouders?”. Ze voelen zich vaak alleen en bij deze nieuwe nieuwsgierige kijk op het leven, veranderen er ook een paar vakken. Ze krijgen dierkunde en aardrijkskunde, waarbij de leraar enthousiaste verhalen vertelt, waardoor het goed binnen komt bij de kinderen. Ze zien nieuwe dingen. Tot slot is de Edda ook een belangrijke verhaal, een oud Noors epos, wat goed samenvalt met het gevoel wat een vierde klasser heeft. De meeste kinderen identificeren zich met Thor, een luidruchtige herkenbaar figuur met een hamer in de hand, op een kar vol rammelende potten. Een vierdeklasser laat alles wat hij voelt heel heftig zien. Iedereen mag zien wat hij doet en voelt.


Ontwikkelingsfase

Een kind in de vierde klas is ongeveer 9 à 10 jaar en de natuurlijke leergierigheid verdwijnt steeds meer. De juf of meester is niet meer de alleswetende en er ontstaat een gat tussen ‘ik’ en ‘de wereld’. Er kan een eenzaamheid ontstaan en de dood kan ineens heel bewust worden ervaren. Er ontstaat twijfel en het kind gaat vragen stellen zoals: “ Zijn mijn ouders wel mijn echte ouders?” Het kritische oog wordt ontwikkeld en een vierdeklasser zal hiermee naar zichzelf en naar anderen kijken.


Lesstof

In de vierde klas is er veel herhaling van bijvoorbeeld Geschiedenis en Nederlands. Bij geschiedenis wordt er nog steeds gekeken naar de eigen woonomgeving. Maar bij Aardrijkskunde wordt er gekeken naar heemkunde, in de lessen biologie wordt er gekeken naar mens en dier. Bij Euritmie beginnen ze in de klas vier met grammaticale vormen en stafrijm van de cultuur periode. In de klassen drie, vier, vijf en zes wordt er diatonisch blokfluit gespeeld. Tekenen en schilderen wordt verder ontwikkeld met dezelfde stof van de derde en eerdere klassen.


Vertelstof

In de vierde klas worden de Noorse en Germaanse mythologieën vertelt, waarin de scheiding tussen goden en mensen steeds vager wordt. In eerdere klassen was deze nog heel duidelijk en helder. De Edda is hierbij het hoogtepunt, goden krijgen steeds meer menselijke eigenschappen en doen dingen die voor de mens onacceptabel zou zijn. Vanaf de vierde klas ontstaat er steeds meer twijfel over de godenwereld en het individu zal meer voorop komen te staan. Aan het einde zal de godenwereld ten onder gaan en deze stort in. Maar ook het kind heeft het lastig, het is een zwaar moment in de ontwikkeling, waarin ze zich eenzaamheid zullen voelen.


Klas 5 - De Griekse mythologie[bewerken]

Ontwikkelingsfase

Een vierdeklasser heeft zichzelf voor het eerst tegenover de wereld ervaren en zoekt daarom een nieuwe verbinding daarmee. Een vijfdeklasser gaat hier verder op door en is bezig om meer in harmonie te komen met zijn omgeving maar ook met zichzelf. Autoriteiten worden minder vanzelfsprekend betrokken in hun leven en daarvoor in de plaats ontstaat een hechtere relatie met leeftijdsgenoten. Daarom is een vijfde klas vaak ook een hechte groep. De wereld kan steeds overweldigender voor een vijfdeklasser zijn, omdat deze steeds meer onrechtmatigheden waarneemt. Echter vindt dit waarnemen niet vanuit een ongenuanceerd oordelen plaats, omdat deze vaardigheid nog niet beheerst wordt. Dit kan zorgen voor de nodige conflicten binnen verschillende contacten en in het klassenbestaan kan dit uitmonden in pest- en plaaggedrag. Emoties nemen nog snel de overhand. Het is dan ook belangrijk dat het denken onder de loep genomen wordt. Hierbij kunnen klassengesprekken helpen, waarin regels en afspraken gemaakt worden, teruggeblikt wordt op eigen gedrag, denkbeelden onderzocht worden en verschillende gezichtspunten vergeleken worden. Doordat een vijfdeklasser nu meer afstand heeft tegenover de wereld, kan deze de wereld begripsmatiger waarnemen en dus de vaardigheid genuanceerd oordelen beter ontwikkelen. De wereld komt steeds meer binnen hun bereik. De vijfdeklassers komen met steeds meer bewustzijn in het leven te staan.


Lesstof

In de vijfde klas worden steeds grotere verbanden gelegd. De focus komt te liggen op het abstracte begrip en exacte kennis. De kinderen leren dat alles in de wereld met elkaar samenhangt. Tijdens de zaakvakken ontdekken zij bijvoorbeeld dat de alledaagse pindakaas door verschillende mensenhanden en productieprocessen tot stand komt. Hierdoor komt de vijfdeklasser erachter dat hij zelf verbonden is met de wereld om zich heen en dat dezelfde wereld hem in al zijn levensbehoeftes voorziet. Daarnaast krijgen de vijfdeklassers een beeld van de grote wereldgodsdiensten. Er wordt gewerkt aan de kennis over Europa en economische aardrijkskunde. De plantkunde komt ook aan bod. Hierin wordt de ontwikkeling van een plant vergeleken met de ontwikkeling van het kind. Van maart tot oktober krijgen vijfdeklassers ook tuinbouw en zo volgen zij het proces van het zaaien en oogsten van groente en planten.


Vertelstof

In de vijfde klas wordt de Griekse mythologie verteld als ontwikkelings– en vertelstof. Vanwege de cultuur -en kunstzin en de wetenschap van de oude Grieken wordt het elfjarige kind vergeleken met een Griek uit de klassieke oudheid. Vijfdeklassers zien steeds meer elkaars karaktereigenschappen en gaan steeds intensiever met elkaar om. Dit zie je ook terug binnen de Griekse mythologie. De Griekse goden onderhouden zich namelijk met de mensen en alle menselijke aspecten. Het bewust denken daarentegen komt in de heldenverhalen sterk naar voren, bijvoorbeeld in het verhaal van Herakles die als straf tien grote werken moest verrichten.

Een gedeelte van het onderwijscurriculum van de vijfde klas bestaat uit een aantal grote, oude cultuurperiodes. Hier komen veel Godenverhalen en heldenverhalen in voor en langzaamaan komt er plek voor de echte geschiedenis. De eerste grote, oude cultuurperiode begint in het oude Indië. Hierin komen de verhalen van Boeddha en Krishna aan de orde. In die verhalen staat de beleving van de mensen in die tijd centraal. Het leven ervoeren zij als een schijn en het ware leven wachtte op je na de dood, waar je weer direct verbonden was met de Goden. In de tweede grote, oude cultuurperiode komt het oude Perzië aan bod met verhalen over Zarathustra. Het leven van de mensen in die tijd werd bepaald door fysieke omstandigheden. Het leven vond plaats vanuit de overlevingsdrang. De mensen toen waren in strijd met de droogte en de dieren die daar leefden. Daarna volgt een derde grote, oude cultuurperiode: Mesopotamië. Hier staat de mythe van Gilgamesj centraal. Gilgamesj gaat op zoek naar het mysterie van het leven en ontdekt dat de dood onverbiddelijk is. Tijdens deze periode wordt er ook aandacht besteed aan organisaties van het leven, zoals stedenbouw. Als vierde grote, oude cultuurperiode wordt Egypte behandeld. Er wordt onder andere besproken hoe men er in die tijd van overtuigd was dat het lichaam behouden moest worden om het leven na de dood te kunnen voortzetten. In deze periode gaat het daarnaast ook over sociale structuur. Tenslotte komen we bij de laatste grote, oude cultuurperiode aan: de Griekse mythologie en de bloei in de Griekse cultuur. Hier komen veel heldenverhalen in voor zoals bijvoorbeeld Ilias of de strijd om Troje, Odysseus en de tocht der Argonauten, etcetera. Binnen de Griekse mythologie is het opmerkelijk dat Griekse Goden allemaal menselijke aspecten en tekortkomingen hebben. Ook de historische aspecten zoals de eerste vormen van democratie en filosofie komen aan bod. Het bewuste denken treed in de heldenverhalen sterk op de voorgrond en dit vinden we bijvoorbeeld terug in de daden van Herakles die als boetedoening tien grote werken moet verrichten. Vanuit het verste verleden wordt de geschiedenis opgepakt zodat het parallel loopt met de ontwikkeling van de kinderen tot nu toe.


Klas 6 - De Romeinen[bewerken]

Ontwikkelingsfase

In de zesde klas treedt een kind de wereld steeds vaker zelfstandig tegemoet en ervaringen worden zonder de ouders opgedaan. De pubertijd doet namelijk haar intrede. De vanzelfsprekendheid die er voorheen was verdwijnt en de positieve kant van het leven overwint niet altijd meer. Een zesdeklasser wil serieus aan de slag. Zij nemen zelf steeds meer verantwoording voor hun taken, zoals bijvoorbeeld voor een werkstuk dat zij moeten maken. Daarnaast hebben zij veel werklust en echt dingen doen is typerend voor deze klas. Zij hebben behoefte aan duidelijke regels en sancties bij het overschrijden van gemaakte afspraken. Het buitenspelen behoort volgens een zesdeklasser dan ook te verlopen aan de hand van de gemaakte regels en afspraken. Spelletjes spelen zij niet meer voor de lol, zij spelen om te winnen. Een voetbal- of trefbalwedstrijd met een andere school in de buurt, wordt uiterst serieus voorbereid en uitgespeeld. Daarnaast wordt er regelmatig gediscussieerd met elkaar. Zij beginnen steeds meer na te denken in oorzaak - gevolg redenaties. Als leerkracht kun je hen, gezien de omgang met elkaar, hier steeds meer op aanspreken. Dit zorgt ervoor dat zij tot een beter inzicht in zichzelf kunnen komen en de wereld vanuit een nieuw perspectief kunnen gaan waarnemen en ervaren. De onderwerpen die in klassengesprekken van de zesde klas veelvuldig terug te vinden zijn, gaan over rechtvaardigheid, consequent zijn en de waarheid spreken. Daarnaast wil de zesdeklasser het inzicht verkrijgen in het handelen van de leerkrachten. De zesdeklasser is zeer betrokken en wil de waarom weten van dingen die geleerd worden. Wat er in de lessen verteld wordt moet waar en geloofwaardig zijn. Iets wat 'echt gebeurd' of 'meetbaar' is, is van belang. Ze hebben behoefte aan feiten en waargebeurde verhalen, dat vinden zij belangrijk. De houding van de leerkrachten naar de kinderen toe vraagt een verschuiving. De leerkracht is nog steeds de autoriteit maar regelmatig ook de begeleider en de bewaker van processen.


Lesstof

In de zesde klas worden de werelddelen behandeld. Dit sluit aan bij de groter wordende wereld van de zesdeklasser. Een ontwikkeling die zich steeds meer voordoet in de zesde klas is het inleven in de ander en zijn of haar standpunten. Ook wordt er daarnaast veel vergeleken, waarbij encyclopedieën, informatie van het internet, informatieve teksten uit studieboeken een grote rol spelen. Zij onderzoeken wat de waarheid is en hoe er vanuit het perspectief van een volwassene wordt gekeken. Deze ontwikkeling duurt zolang als dat de kinderen zich in de pubertijd bevinden.

In de lesstof van de zesde klas zijn ook allerlei verbindingen te vinden met de ontwikkelingsfase waarin de kinderen zich bevinden.

Met het vak meetkunde oefenen de kinderen hoe exactheid werkt. In de meetkundeperiode construeert de zesdeklasser heel precies. En juist door die nauwkeurigheid ontdekken en ervaren zij dat daardoor schoonheid ontstaat. Elke minimale afwijking van een gezette rechte of kromme lijn verstoord de geometrie. Hun exacte waarneming wordt op deze manier ontwikkeld.

Daarnaast doet het vak natuurkunde haar intrede. Hierbij leren zij objectief waar te nemen; geen verklaringen zoeken over oorzaken, maar waarnemen. In de eerste natuurkundeperiode worden verschillende fenomenen behandeld. De gebieden die behandeld worden, zijn: licht, warmte, geluid, magnetisme en elektriciteit. Deze gebieden worden bekeken en er wordt gekeken of er verschillende conclusies uitgetrokken kunnen worden, volgens stappen zoals: ik had, ik deed, ik zag en ik concludeerde.

De vakken die zij hiernaast ook krijgen zijn: mineralogie, menskunde, plantkunde, aardrijkskunde en weerkunde.

Tekeningen die de zesdeklassers maken zijn met geduld gemaakt en kleuren zijn zorgvuldig gekozen en afgewerkt. Wanneer deze tekeningen zichtbaar op de gangen zijn van de school, krijgen zij nog meer aanzien van de gehele school. Zij zijn de oudsten van de school waartegen wordt opgekeken. Hun gemaakte werken worden dan ook uitgebreid bewonderd en besproken door de kinderen uit de nog lagere klassen.


Vertelstof

De verhalen voer de Romeinen zijn erg geschikt voor de zesdeklassers. De Romeinen nemen de macht van de wereld in handen, ze zijn onoverwinnelijk, maar willen geen koning, ze willen zelf regeren. Zesdeklassers voelen vaak zelf ook sterk de drang om de macht in handen te nemen, maar zijn nog erg onzeker. Ze vinden het heerlijk om naar de verhalen over de kracht van het Romeinse leger te luisteren en vinden houvast in de strenge wetten die in het leger worden nageleefd. De Romeinen waren een hard werkend volk en dit spreekt de werklust van een zesdeklasser erg aan. De verhalen die aan bod komen, zijn legendarisch en soms ook historisch. Er komen heel veel heldendaden in voor en dit leidt tot toneelstukken.

Ook komen er verhalen van de vroege Middeleeuwen aan bod. Door deze stukken geschiedenis te vertellen, wordt er een beeld geschept van het leven in dit tijdperk van de mensheidsontwikkeling. De kerk, de kruistochten en de ketters bijvoorbeeld. Daarnaast wordt er ook vaak een koppeling met de Islam gemaakt.