Abe van der Veen
Abe de Verteller
Verhalen vertellen uit de wereld der Kelten en Vikingen.
Lezingen geven over de symboliek van verhalen.
Verhalende bomenwandeling
Verhalende stadswandeling door Amersfoort.
Utrecht
Abe van der Veen

Over mij

Abe de Verteller 

Verhalen vertellen zit me in het bloed! Eerst tijdens de IVN-jongerenkampen, gezellig rond het kampvuur. Sinds 2004 ben ik professioneel verhalenverteller. Ik vertelde de afgelopen jaren op ontelbare plaatsen: De Elf Fantasy Fair, het Eigentijds festival, het Schots festival, Castlefest, het Archeon, de Dag van het Park en op vele particuliere feesten en bijeenkomsten!

Ik vertel mythen en sprookjes uit de Keltische en Noordse traditie, ridderverhalen, Griekse mythen, Grimmige sprookjes, Nederlandse sagen en nog veel meer. In totaal heb ik meer dan 250 verhalen in mijn repertoire. Al deze verhalen riepen mij en wilden verteld worden, misschien ook bij u?!

Naast de wereld van de verhalen spelen natuur en symboliek een grote rol in mijn leven. Dit uit zich o.a. in het geven van lezingen over symboliek en het doen van bomenwandelingen.

Nu vertel ik verhalen waar en wanneer ik dat maar kan, want vertellen is m´n passie. Ik vertel met expressie en emotie, met mijn hart en mijn handen en met vuur en vlam!

Contact

Abe van der Veen
Man
De heer
A.J.
Abe
van der
Veen
...
06-18035303
Amersfoort

Blog

Abe de Verteller

De verhalenverteller

De oorsprong van de kerstboom

maandag 19 december 2016 14:39

Met kerst is hij prominent aanwezig in menig huis; de spar als kerstboom. Maar waarom staat hij daar? Het is gezellig, het hoort bij de kerst en mijn ouders hadden ook al een kerstboom in huis, kan je zeggen. Maar dat zijn geen echte antwoorden. Ik stel twee mogelijke verklaringen voor: één christelijke en één heidense. De christelijke oorsprong van de kerstboom 24 december is niet alleen ‘kerstavond’, maar ook de feestdag van Adam en Eva waarop men in de middeleeuwen in de kerk – of in het voorportaal – het paradijsspel opvoerde. Het belangrijkste rekwisiet in dit toneelspel is de boom van kennis van goed en kwaad. Deze ‘paradijsboom’ werd veelal voorgesteld door een spar met daarin vergulde appels. Met de telkens groter wordende populariteit van kerst sneeuwde het paradijsspel en het verhaal van Adam en Eva onder, maar de boom bleef zijn plekje in het huis houden. Tot in de negentiende eeuw bleef men in veel Duitse gezinnen de kerstboom paradijsboom noemen en traditioneel lagen er figuren van Adam, Eva en de slang onder. (1) Deze theorie verheldert veel van de betekenis van de kerstboom. Adam en Eva leefden in het gouden tijdperk. Een periode met eeuwige lente, onschuld en vrede. Het zal niet toevallig zijn geweest dat dit herdacht werd op 24 december als de zon op zijn laagste punt is en even stil lijkt te staan, in een periode tussen het oude en het nieuwe jaar in. De twaalf heilige nachten van kerst werden gezien als zo’n gouden periode waar de tijd nog geen vat op heeft. Met name de kerstnacht komt in legenden voor als een nacht waarin je de dieren kan verstaan en waarin bomen plotseling blad, vrucht en bloesem krijgen. Dit idee van een Gouden tijd die je ritueel kan vieren in de midwinter is ouder dan het christendom. Het werd ook al gevierd door de Romeinen tijdens de Saturnalia (in de periode van 17 december tot en met 23 december). Ook tijdens de Saturnalia werden groene takken binnen gehaald, met name hulsttakken. Het immer groene blad van hulst en den of spar zijn tekens van een eeuwige lente, de levenskracht die nooit zal sterven. Als het paradijs verbeeld moest worden bij het spel van Adam en Eva op 24 december was het meest duidelijke teken hiervan een altijd groene boom, waarin appelen hingen als symbool van de eeuwige lente die er ooit was in het tijdperk van onschuld van de mensheid. Ook hingen er wafeltjes in als teken van de hostie en als teken van de verlossing van de erfzonde die Jezus Christus door zijn komst heeft gebracht volgens de christelijke leer. Er wordt ook beweerd dat deze paradijsboom met versierde appels of ballen samengevoegd werd met de ‘kerstpiramide’. De eerste meldingen van dit bouwsel zijn uit de zestiende eeuw uit het Erz-gebergte in Duitsland en heet daar ‘Lichtergestell’. Dit was een houten stellage rondom een centrale as. Op de stellage werden kaarsen geplaatst en de hete opwaartse wind van de kaarsen liet het geheel rond draaien. (2) Deze piramide heeft geen christelijke achtergrond. Het rondwentelen rondom de as kan je zien als de kosmische as van de wereldpaal waar rondom de ons bekende wereld immer draait, het is het beeld van de macrokosmos. De kerstboom werd zo de combinatie van de paradijsboom met ballen en de piramide met kaarsen. (3) De heidense oorsprong en verklaring De vraag blijft of er al een versierde en verlichte boom gebruikt werd bij de heidense Joelviering. We weten dat bomen vereerd werden bij alle heidense volken. We weten ook dat er door de vroege middeleeuwen heen telkens opnieuw gewaarschuwd werd voor aanbidding van bomen in biechtboeken en wetboeken. Soms werd er ook vermeld dat die bomen verlicht waren. Maar de gegevens zijn te schaars en te verspreid om iets met zekerheid te zeggen. (4) In het Keltische ogham alfabet werd de (zilver)spar – ailm – gekoppeld aan de A als eerste medeklinker en daarmee (volgens Robert Graves) aan de eerste dag van het nieuwe jaar. Toch druppelen er pas vanaf de vijftiende en zestiende eeuw berichten binnen uit Estland en uit de Elzas over bomen die versierd worden in de kersttijd. (5) Wèl zijn bijna alle elementen van de kerstboom paganistisch te duiden. Veel paganisten zien de kerstboom als een late weergave van de immer groene Yggdrasil – oftewel de wereldboom – die met zijn stam, takken en wortels de ons bekende wereld bij elkaar houdt en verbindt. (6) Deze boom is het vervoermiddel van Odin. Deze godheid – met sjamanistische trekken – kan met deze boom naar de verschillende werelden reizen. Een late opvolger van Odin zou de Kerstman zijn. Ook de Kerstman hangt meestal wel ergens in de boom en is volgens deze theorie te vergelijken met een sjamaan die met de boom de werelden bereist (zoals de Siberische sjamanen dat doen met de kosmische berk). Als je deze associatie verder voert dan zijn de slingers in de kerstboom een verbeelding van de Melkweg als route die de kerstman-sjamaan volgt naar de bovenwereld om van daar de (energetische) cadeaus naar de aarde te brengen. De glinsterende ballen en de lichtjes of kaarsen zijn de sterren en planeten en de piek (oorspronkelijk in de vorm van een vijfster of pentagram) is het teken van de planeet Venus. De engelen zijn te zien als de geesten der zeven sferen, waarbij elke etage in de piramidale vorm van de spar één van de zeven sferen voorstelt. Onder de boom liggen de cadeaus als materiële weergaven van de vruchtbaarheid die de sjamaan uit de bovenwereld haalt. (7) Tegelijk draagt ieder van ons de boom ook in zichzelf. Het is de microkosmos van het menselijk energetische systeem, waarin je de lichten of ballen kunt vergelijken met de energieknooppunten of chakra’s en de slingers met de energiebanen. (8) Conclusie Voor deze heidense duiding van de kerstboom is geen oude schriftelijke bron te vinden. Toch is dit voor mij de mooiste wijze om naar een kerstboom te kijken. De kracht van het beeld van de kerstboom als een weergave van macro- en microkosmos is voor mij een krachtig innerlijk beeld en een persoonlijke waarheid! Voor de tijd van de feestdagen maak je (een deel van) je eigen huis tot een gewijde ruimte. Met name natuurlijk de plaats waar het kerstgroen staat! Na Driekoningen is de heilige tijd afgelopen en de sacrale ruimte moet weer profaan gemaakt worden. Dus zal het kerstgroen en de kerstboom het huis uit moeten, anders brengt het juist ongeluk. Energetisch klopt dit; als je te lang in een gewijde ruimte verblijft, zal het hoge energieniveau gaan wrijven met je eigen energieniveau. Hierdoor kan het gelukbrengende kerstgroen – na Driekoningen – juist tot ongeluk leiden.. ‘Glade Jul’ – Johansen Viggo  1891 Dit artikel is ook te vinden in mijn boek ‘De wijsheid van bomen en kruiden’. Dit boek is hier te bestellen: 1) http://christmas-celebrations.org/186-paradise-tree.html  Jammer genoeg zijn er geen rechtstreekse citaten uit bronnen te geven voor deze speculatie. 2) http://www.erzgebirgepalace.com/The-German-Christmas-Pyramid: _:3006.html 3) Encyclopediae Brittanica 2013 op lemma ‘christmas tree’ 4) Farwerck – Noordeuropese mysterieën 268 Verordeningen tegen verlichting bij of in bomen: 452 wet der Langobarden (573 Columbanus a/h hof van Guntran), 6e E Martinus van Bracara – Correctione Rusticorum 8e E. Saksenwet van Karel de Grote. Maar in die wetten staat het plaatsen van lichten bij bomen, bronnen, rotsen en kruiswegen. Niet in! 5) Wikipedia: Christmas tree De eerste vermeldingen van een boom die met kerst in huis stond komen uit Lijfland, uit Tallin 1441. Gevolgd door meldingen uit de Elzas Schlettstadt in 1521 en in 1608 uit Straatsburg. Vanaf de zeventiende eeuw druppelen meldingen over kerstbomen binnen voornamelijk uit Duitsland. Vanuit daar wordt het ook uiteindelijk ingevoerd in Engeland eind 18e eeuw en in Nederland pas in 1844 (Moens en de Weerd – Mensen en bomen). 6) K. Logghe – Winterzonnewende 7) Maarten Timmer – van Anima tot Zeus Van de kerstballen wordt soms ook gezegd dat zij de boze geesten afweren omdat die zouden schrikken van het zien van hun reflectie in het spiegelende oppervlak, ook wordt beweerd dat zij juist gevangen zouden raken in de glazen bal. Daar glazen ballen pas sinds 1847 in de boom hangen (daarvoor waren zij nog te zwaar..) is dit alles hoogst discutabel. https://en.wikipedia.org/wiki/Witch_ball Een andere doorgang naar die wereld is de schoorsteen waar Sint en de Kerstman ook dankbaar gebruik van maken. 8) Hierbij is het goed om je te realiseren dat de boom bij alle seizoensfeesten in de gewijde ruimte een plaats had. Niet alleen met kerst, maar ook met de lente, mei- en midzomerfeesten heeft de boom (of paal) een belangrijke rol. De boom in de tempel of de kerk of in eigen huis is een symbolische weergave van de macro èn microkosmos. Tijdens de kerst wordt de ideaalsituatie van de boom in de paradijselijke staat nagebootst. Later in het jaar zal de boom als plek van het zelfoffer (lente-equinox/ Pasen/ Ostara) en als plek van samengaan van mannelijke en vrouwelijke energieën (Mei/ Beltane) worden benadrukt. http://www.avictorian.com/christmas_tree.html

De pot met goud onder de regenboog en andere regenboogmythen

donderdag 27 oktober 2016 21:30

Het zien van een regenboog aan de hemel heeft me altijd gefascineerd en verwonderd. Vrij plots verschijnt er aan de hemel een ronde boog met alle kleuren van het spectrum. Je ziet hem op een paradoxaal moment: het regent en de zon schijnt tegelijkertijd. In die korte periode leidt het samenvoegen van twee tegengestelden – droge, warme zon en natte, koude regen – tot die wonderbaarlijk mooie boog van kleuren. De regenboog heeft ook iets onwezenlijks; hoe snel of lang je ook loopt, je zult het begin er van nooit bereiken. De betekenis die aan de regenboog wordt toegeschreven is legio: hoop, transformatie, liefde, verlichting, leven, hoop, harmonie etc. etc. Aan de hand van de mythen en folklore rondom de regenboog probeer ik meer klaarheid te brengen in de symboliek van dit prachtige fenomeen. De pot met goud Het meest bekende volksgeloof rondom de regenboog vertelt dat er aan het einde van de regenboog een pot met goud te vinden is. Dit gegeven wordt ook in Nederland verteld, maar is hier waarschijnlijk (via de VS) over komen waaien uit Ierland. Daar wordt verteld dat de leprechaun zijn pot met goud verstopt heeft aan het einde van de regenboog. De leprechaun wil zijn schatten absoluut niet kwijt en bewaakt ze dus zorgvuldig. Het einde van de regenboog is een ideale plaats om zijn goud te verbergen want gewone mensen kunnen daar niet komen. Het gaat hier mijns inziens niet om materieel goud. Het goud van de leprechaun is innerlijk goud, het geestelijke goud dat alleen te bereiken is door mensen die de paradox van de regenboog weten te gebruiken om in een andere realiteit te komen. (1) Mogelijk zit er ook een seksuele connotatie in dit volksgeloof. De pot kan namelijk gezien worden als een symbool voor het geslacht van de aardegodin. De regenboog staat dan voor die van de God. Als de regenboog in de pot gaat, zal deze volstromen met goud! Het is interessant hoe deze seksuele associatie ook gelegd wordt in o.a. Finland. Daar kennen ze het gezegde: ‘Het regent en de zon schijnt, weg met het hemd, laat de pik de kut smaken.’ Een andere vreemd bijgeloof vinden we in Hongarije, Servië en Albanië. Daar bestaat het geloof dat wie onder een regenboog doorloopt van sekse zal veranderen. Een man wordt een vrouw, en een vrouw zal een man worden! In Bulgarije is dit geloof enigszins afgezwakt: Een man die onder een regenboog doorloopt zal gaan denken als een vrouw en een vrouw zal gaan denken als een man! Het lijkt erop dat dit een ideale weersomstandigheid is om van bewustzijn te veranderen. Kermis in de hel Het moment dat het regent en tegelijkertijd de zon schijnt is een drempel- of scharniermoment. Voor een korte periode zit de natuur tussen twee periodes in, het is niet slecht weer, het is niet mooi weer, maar precies ertussen. Dat is te vergelijken met andere scharniermomenten zoals de jaarfeesten Beltane (1 mei) en Samhain (1 november), waarin we precies tussen de twee helften van het jaar in zitten. In de Keltische gebruiken is dit ook het moment van een Heilig huwelijk van God en Godin. De oude ‘crone’ wordt afgewisseld met de jonge godin en omgekeerd. Hemel en aarde raken elkaar via de regenboog. Juist op zulke momenten is er een mogelijkheid om tussen de werelden te reizen. De poort tussen deze en de andere wereld (de wereld van de doden, geesten en elfen) staat dan op een kier. Iets van dit idee vinden we terug in een aantal Nederlandse en Vlaamse gezegden over deze weersomstandigheid. ‘Als het regent en de zon schijnt is het kermis in de hel en de duivel slaat zijn wijf.‘ Hierbij is kermis geen feest, maar een synoniem voor ruzie. De reden voor de ruzie wordt duidelijk uit weer een ander gezegde: ‘Het regent en de zon schijnt, de duivel slaat zijn wijf en trouwt zijn dochter’! Ook wordt gezegd: ‘Als het regent en de zon schijnt is er een huwelijk in de hel‘. Dit blijkt de reden voor de ruzie te zijn! Moeder en dochter van de duivel in de hel kunnen niemand anders zijn dan nazaten van de Godin van de onderwereld. Zij is te vergelijken met Hel bij de Germanen en Persephone bij de Grieken. Het huwelijk met de dochter is een verbinding met één aspect van de godin ten koste van een ander. Zo is het feest en ruzie tegelijkertijd in de hel, een paradoxale situatie.. Bij dit huwelijk zijn er ook heksen aanwezig. De volgende variant op het spreekwoord zegt: ‘als de zon schijnt en het regent, dansen de heksen in de hel’. In Overijssel zeggen ze ‘Als de zon schijnt en het regent zijn de heksen aan het pannenkoek bakken!’. Heksen zijn degenen die voorbij de paradox kunnen kijken en uit hun lichaam kunnen treden. Zo kunnen zij ook naar de onderwereld reizen. De periode dat er een regenboog aan de hemel staat is in de hel/onderwereld cruciaal. Juist dan is er een huwelijk mogelijk en kunnen extatici (zoals heksen) naar deze plek toe reizen. De regenboog vormt zo een brug tussen deze en de andere wereld. (2) De regenboog als brug  In diverse mythologieën – en het meest prominent in de Scandinavische – wordt de regenboog gezien als een brug waarmee men van de aarde naar de wereld der Goden kan komen. De regenboogbrug heet bij de Noormannen Bifröst of Bilröst. Dit betekent de trillende weg of de wankele brug. De Goden zelf hebben deze brug gebouwd en ook al ziet hij er wankel uit, toch is hij oersterk. Hij zal pas breken als de vuurreuzen – onder leiding van Surt – aan het einde der tijden (Ragnarok) er overheen denderen. Elke dag rijden de Asen over de ‘bevende brug’ om recht te spreken bij de bron Urd. Bifröst wordt daarom ook wel de Asenbrug genoemd. De god Heimdal bewaakt de brug continu tegen de bergreuzen. De regenboogbrug heeft – vreemd genoeg – volgens de Noormannen slechts drie kleuren en de rode kleur is eigenlijk een brandend vuur. Zo wordt de weg naar de Asgaard voor de reuzen belemmerd door vuur en door een wakend oog. (3) In de Perzische leer van Zoroaster wordt gesproken over de ‘Chinvat’ brug tussen de wereld van de levenden en de doden. Voor goede geesten is de brug breed en vindt de ziel met gemak de weg naar de hemel, voor mensen met kwade intenties is de brug zo smal als een scheermes. Er wordt gespeculeerd dat deze brug de vorm heeft van een regenboog. Bij de moslims heet deze brug ‘As-sirat’. Ook hier zou het mogelijk om een regenboogbrug gaan. In het Turks is brug en regenboog het zelfde woord. Waar de regenboogbrug van de Turken naar toe leid wordt niet duidelijk. In de Japanse mythologie beklimt het eerste godenpaar Izanagi en Izanami een regenboog. Izanagi plonst vanaf die hoogte zijn speer in de oerchaos en maakt zo de eerste vaste materie in de vorm van een eiland. De sjamanen van het Buryat volk in Siberië zeggen dat ze de geestenwereld kunnen bereiken via de regenboog. (4) Het bereiken van de ‘Andere wereld’ via de regenboogbrug is duidelijk geen sinecure. Toch zijn er dus in het volksgeloof van vele volkeren mensen die deze wereld wel kunnen bereiken. Voor mij zijn twee aspecten van het fenomeen van de regenboog daarin belangrijk. Ten eerste de paradoxale situatie van regen en zonneschijn. Zo’n schijnbare paradox kan de mens tijdelijk buiten het fysieke en verstandelijke plaatsen omdat het verstand er geen wijs uit kan worden. Zij kan het niet in een van zijn categorieën plaatsen en wordt zo tijdelijk buiten werking gesteld. De ervaring kan zich nu uitbreiden naar de geestelijke wereld. Ten tweede heeft de regenboogtrance te maken met het sterk beleven van de opeenvolgende kleuren. Door het intens in je opnemen van de zeven kleuren van het spectrum kan je ook reizen langs de zeven niveaus in jezelf (zeven auralagen, zeven chakra’s) die corresponderen met de zeven sferen waarin de kosmos is opgedeeld. Volgens de Boeddhisten is de regenboog zelfs de hoogst bereikbare staat van het bewustzijn voordat men het ‘nirvana’ bereikt! (5) De regenboog als wapen en als sieraad van de Goden In India en Arabië wordt de regenboog gezien als het wapen de boog. Indra gebruikt de regenboog om daarmee zijn pijlen op de demonische slang Vrtra af te vuren en hem zo te doden. Ook de god van de Lappen Tiernmas gebruikt de regenboog om daarmee zijn pijlen af te vuren op kwade geesten. Bij de Godinnen is de regenboog eerder een sieraad. Mogelijk draagt de grote godin Ishtar de regenboog als een halsketting. In de Babylonische versie van het verhaal van de zondvloed overleeft slechts Utnapishtim de grote overstroming. Na het zien van alle vernietiging op aarde toont Ishtar haar halsketting en zegt ‘zowaar als dit juweel om mijn nek hangt, zowaar zal ik nooit de dagen van de overstroming vergeten.‘ Ze laat alle goden eten van een offermaaltijd behalve Enlil de veroorzaker van de vloed. Als we er het klassieke Bijbelverhaal bij pakken van Noach en de ark, dan is de conclusie snel te maken dat dit halsjuweel de regenboog betreft! (6) De regenboog als verbond tussen de mens en God(in) De regenboog is in de Bijbel een teken van de plechtige belofte van God aan Noach – en aan alle andere levende wezens – dat hij nooit weer zo’n grote overstroming zal veroorzaken. Ook in de versie met Ishtar hangt er een impliciete belofte in de lucht dat zij er voor wil zorgen dat de goden nooit weer de mensheid uit zullen roeien. De vernietiging van de mens door middel van een grote vloed kan je zien als het ontnemen van zijn bewustzijn, waarbij hij teruggeworpen wordt in de (wateren van de) chaos. De kist-vormige ark zou nooit blijven drijven in echt water, maar de vorm past goed bij het allerlaatste beetje materie in een weer tot chaos terugkerende wereld. (7) Regenboog in het Latijn is ‘arcus pluvius’. Dit is verwant aan het Griekse ‘arkhe'; begin, oorsprong. Het is zeer opmerkelijk dat de ark van Noach ‘arca’ in het Latijn en ‘arche’ in het Oud-Duits is. Dit suggereert een verwantschap tussen deze twee woorden. De ark staat na de zondvloed onder de regenboog. Uit de zwarte kist komen alle paartjes twee aan twee tevoorschijn. Het is het leven in zijn meest pure mannelijke en vrouwelijke vorm. Zij worden direct gebaad in de zeven kleuren van het sieraad van de Godin. Zo staat de regenboog voor een nieuw begin en zo krijgt de mens van de Goden een teken aan de hemel als herinnering hoe hij altijd weer contact kan maken met het goddelijke. De regenboog toont hem dat er altijd een verbinding mogelijk is tussen hemel en aarde! (8) De regenboog als boodschapper Ook de Grieken uit de Oudheid associeerden de regenboog met een godin. Hier was Iris de personificatie van de regenboog. Zij was – samen met Hermes – de boodschapper der goden. Zij bracht haar boodschappen zowel naar de mensen als naar andere goden en deed dit voornamelijk voor de grote godin Hera. In andere klassieke bronnen is de regenboog slechts de weg die Iris gebruikt om langs te kunnen reizen. Net als Hermes droeg zij de caduceus, de herautenstaf. Haar Griekse naam ‘Ero’ betekent boodschapper, maar is mogelijk ook verwant aan ‘eirene’ wat verbinden betekent. De caduceus (de staf omwikkeld met twee slangen) en de regenboog hebben een vergelijkbare betekenis: zij verbinden de hemel met de aarde en zijn daarmee een brug en een reismiddel om van de aarde naar de hemel te komen en vice versa. (9) conclusie De zeven kleuren van de regenboog worden als een zevenvoudig proces waarin je één voor één de kleuren doorloopt om zo in de diepte te kunnen reizen. Dit is niet de reis aan de oppervlakte waarin je op het vlak van de materie blijft, je gaat de reis naar binnen maken die tegelijkertijd de reis is naar een verdiepte manier om de wereld te aanschouwen. De zeven kleuren van de regenboog worden gedragen door de priesters en priesteressen van de Godin. In de Bijbel is het Jozef die een dergelijke veelkleurige mantel draagt en ook Salomé draagt de zeven sluiers tijdens haar dans voor de koning. Dit zijn de sluiers waarmee de Godin de ware werkelijkheid verhuld. De zeven kleuren zijn te associëren met de zeven hemelen. De godin en haar priesteressen wisten dat de dans en de trance van de zeven sluiers, een doorlopen van de zeven bewustzijnsniveaus of werelden kan betekenen. (10) Bij deze reis kan je niks meenemen, alleen met het afleggen van de zeven kleuren kan je het sterrenkleed om je heen krijgen. Alleen in volledige armoede kan je de pot met goud vinden. En achter de paradox van de regenboog de volledige waarheid aanschouwen. Dit is een reis waarbij je op dezelfde plaats moet blijven om verder te kunnen komen. Een reis waarin het regent, maar de zon ook schijnt. En deze reis begint onder het einde van de regenboog. Abe van der Veen (Met dank aan mijn lieve vriendin Cheriena voor de inspiratie om dit stuk te schrijven)                 Noten: 1 iig wordt dit volksgeloof begin negentiende eeuw gebruikt door de Ierse schrijver Lord Dunsany. De leprechaun is een soort van elf. Zie hiervoor ook mijn artikel over de leprechaun-paradox http://www.abedeverteller.nl/de-leprechaun-meester-van-de-paradox/ Hier een lijstje met waar de regenboog zoal voor zou staan: http://www.whats-your-sign.com/symbolic-meaning-of-rainbows.html 2 http://robscholtemuseum.nl/cor-hendriks-als-de-zon-schijnt-en-het-regent-overzicht/ Sinninghe – Overijssels sagenboek 96 3  Poëtische Edda – Grimnismal  vs 29, Snorri Sturluson – Edda Dat de brug slechts drie kleuren heeft in de Edda klinkt vreemd, maar zelfs Aristoteles omschrijft de regenboog als een boog met drie kleuren en wel de primaire kleuren geel, rood en blauw! Pas Isaac Newton beschrijft de regenboog in 1704 met 7 kleuren.. https://www.folklore.ee/folklore/vol6/rainbow.htm 4 https://en.wikipedia.org/wiki/Rainbows_in_mythology The Rainbow Bridge: Rainbows in Art, Myth, and Science – Raymond L. Lee, Alistair B. Fraser https://en.wikipedia.org/wiki/Chinvat_Bridge 5 Dit wordt ook wel het ‘regenbooglichaam’ genoemd. The Rainbow Bridge: Rainbows in Art, Myth, and Science – Raymond L. Lee, Alistair B. Fraser 31 6 ‘Then Ishtar arrived. She lifted up the necklace of great jewels that her father, Anu, had created to please her and said, “Heavenly gods, as surely as this jewelled necklace hangs upon my neck, I will never forget these days of the great flood. Let all of the gods except Enlil come to the offering. Enlil may not come, for without reason he brought forth the flood that destroyed my people.” https://en.wikipedia.org/wiki/Rainbows_in_culture 7 Bijbel Genesis 6-9 Ook de laatste rustplaats van de ark is frappant. Volgens het reisverslag van Marco Polo is dat op de berg Ararat. Deze berg had de vorm van een kubus en was het eerste stuk materie wat boven de oersoep uit kwam steken. De vorm van de kubus wordt gezien als symbool voor de oermaterie. https://nl.wikipedia.org/wiki/Ark_van_Noach_(schip): Marco Polo, Il Milione (ca. 1298) 8 http://www.etymonline.com/ 9 http://www.theoi.com/Pontios/Iris.html 10 Walker – Encyclopedia of myths and secrets 840 Ook interessant: Oosterse wijzen zagen de regenboog als een vereniging tussen mannelijke en vrouwelijke principes. De Chinezen noemden het de tai chi, het grote ultieme of de grote nokbalk. Estlandse folklore vertelt van een regenboogslang die regen brengt. Het zuigt het op  uit meren en rivieren en stort het dan weer over ons uit als regen.        

Vliegen in zeven en varen in eierschalen: De heks in extase

donderdag 07 juli 2016 14:25

De verhalen over heksen – zoals we ze vinden in de heksenprocessen en de sagen – zijn voor de moderne mens onverteerbaar. Vliegen op een bezemsteel door de lucht, zich kunnen veranderen in een kat, het stelen van boter en melk op magische wijze, het is stuk voor stuk onmogelijk! Toch zijn er vrouwen voor op de brandstapel gebracht en werd er – tot zeker in het midden van de twintigste eeuw – onder het gewone volk sterk in geloofd. Waren al deze mensen dan zo achterlijk of kinds dat ze geloofden in het fysiek onmogelijke? Ik denk van niet. De verhalen moeten gelezen worden vanuit een andere meer magische wereldbeschouwing. De verhalen over heksen zouden al een stuk beter te begrijpen zijn als je heksen ziet als (vnl.) vrouwen die de kunst van de extase beheersen. Ik bedoel hiermee de vaardigheid om uit het lichaam te kunnen treden. Het lichaam blijft ‘slapende’ achter, terwijl de geest (of anders gezegd de ‘dubbel’) op reis gaat. Vele Nederlandse sagen laten zien dat dit mogelijk de juiste manier is om hekserij te interpreteren. Ik noem hieronder enkele voorbeelden. De heks en uittreding Frans Francken – Heksenkeuken 1607 (detail) Een meisje uit Hoorn brengt haar lief eten. Zij komt en verdwijnt echter zeer plotseling. Dit vertrouwt hij niet en hij wordt er ziek van. Op een keer ziet hij in het donker een witte gedaante staan: Het was zijn meisje, maar ze bewoog niet en gaf geen antwoord, zelfs niet toen hij haar sloeg. Opnieuw werd hij ziek. Toen bekende ze dat als zij sliep, haar geest haar lichaam verliet en rond dwaalde. Zij beloofde wel dat zij hem geen kwaad zou doen (dus anderen wel!) maar hij wou geen kol trouwen en verbrak de verkering. In Friesland wordt verteld dat een heks zo koud als een steen in bed ligt, terwijl haar ziel op reis is. Verder heeft zij geen schaduw. Op toondag in Goes had een jongen een mooi meisje uitgezocht. Ze gingen in de keet bij elkaar zitten, maar al snel kreeg ze een soort van flauwte. Daarna kwam er een lichtje uit haar mond, terwijl ze zelf bewusteloos in haar stoel hing. Hij raakte haar niet aan en zag na verloop van tijd een lichtje over de vloer trippelen en bij haar op klimmen tot het in haar mond verdween, zo kwam ze weer tot zichzelf. Zijn kameraden wisten hem te vertellen dat zij een toverheks moest zijn wier geest in diergedaante er op uitging om kwaad te brouwen. Natuurlijk maakte hij het uit. Op de boerderij ‘De palmboom’ is de vrouw des huizes een tovenares. Zij steelt de boter van de buren met haar kunst. Op een dag ziet de meid haar slapen op een stoel. Ze leek meer op een lijk dan op een levend mens. De meid denkt: ze heeft het koud en wil haar toedekken met een schort. Haar geest is echter uit haar lichaam getreden. Haar man ziet het en rukt snel de schort uit haar handen want als het lichaam zou worden aangeraakt kan de geest niet meer terug in het lichaam treden en zou ze plotseling dood zijn. Een jongen ziet zijn meisje in slaap vallen, op het moment van kattengejammer buiten ziet hij dat er ‘iets’ vanuit het meisje naar buiten vliegt.. Een uurtje later vliegt er weer iets naar binnen en lost zich op in het meisje. Zij verteld dat zij droomde dat zij naar het kerkhof was geweest om te dansen als zwarte kat, samen met vijftig andere katten. Zij moest wel – zonder het zelf te weten – een heks zijn. Datgene wat hij had gezien was ongetwijfeld haar geest! Hij besluit haar te helpen. En de volgende keer dat zij uit haar lichaam treed gaat hij naar het kerkhof. Hij pakt de enige bonte kat tussen de zwarte katten op en vlucht ermee. De kat zegt: ‘dankjewel liefste’ en vanaf dat moment heeft ze nooit meer dergelijke dromen gehad. De meid op een boerderij werkt altijd iets harder en beter dan de rest. De boer vertrouwt het niet en laat zijn dochter bij haar slapen. Zij ziet hoe de meid om elf uur opstond en toch op hetzelfde moment in bed bleef liggen! Toen de dochter haar probeerde te wekken, bleef ze heel stil liggen. Om vier uur ’s morgens kwam de meid terug en de gedaante in het bed verdween. Direct daarop werd de meid wakker. De volgende avond om elf uur mag het dochtertje mee. Ze gaan zitten op de staart van een grote hond en hij gaat er met hun vandoor. Aan de overkant van een water is een gezelschap rijk geklede vrouwen aan het dansen en zingen. Als ze zegt ‘here Jezus’ verdwijnt het hele gezelschap. Ze blijkt in een vreemd land te zijn. De volgende avond mocht ze gelukkig mee terug op de staart van de hond (is dit de duivel?). Voor de extase is het blijkbaar nodig dat de vrouw gaat slapen of in een staat van versuffing of katalepsie komt. Dan verlaat ‘iets’ het lichaam van de heks. Het wordt de geest of de ziel van de heks genoemd, maar het wordt ook omschreven als een ‘lichtje’, als ‘iets’ en als een verdubbeling, zoals in de laatste sage. Het lichtje dat de mond verlaat komen we ook tegen in een detail uit het (hiernaast getoonde) schilderij van Frans Francken uit 1607. In een heksenproces uit Asten uit 1595 wordt datgene wat het lichaam verlaat een ‘schijn’ oftewel een geest of verschijning genoemd. Men noemt dit in moderne literatuur ook wel de ‘dubbel’ of het alter ego. Terwijl het stoffelijk omhulsel, het lichaam achterblijft, gaat de geest/dubbel op reis. (1) De geest of het ‘dubbel’ verlaat het lichaam als klein dier De geest kan ook het lichaam verlaten in de vorm van een ‘klein’ diertje. In de sagen zijn hiervan vele voorbeelden te vinden: Een vrijer op Terschelling krijgt van zijn vrienden te horen dat zijn lief een kol is. Hij gaat er die avond laat nog naar toe en ze ligt al te slapen, er is geen beweging in te krijgen. Dan ziet hij een muis recht in d’r mond kruipen. Even later haalt ze diep adem en wordt wakker. Een andere keer slaapt ze op een stoel en een grote vonk uit de vuurpot springt zo in haar mond! Beide keren zucht ze diep en wordt ze direct daarna wakker. Hij weet genoeg het is een kol! In Kortgene woonde een heks. Als ze kwaad wilde doen dan ging ze achterover in haar stoel liggen en viel in slaap. Vervolgens kwam er een bij uit haar mond gevlogen. Als ze gehekst had kroop de bij er weer in en werd ze weer wakker. Een vrijer wil blijven tot na twaalf uur. Het meisje wil dat echt niet, maar hij blijft toch en zij valt in zwijm en blijft roerloos liggen. Dan kruipt er een bromvlieg uit haar mond. Hij legt een doekje over haar hoofd. Na verloop van tijd zoemt de bromvlieg weer om haar hoofd en zij lijkt het in haar slaap stikbenauwd te krijgen. Zodra hij het doekje verwijdert, vliegt de vlieg in haar mond. Het meisje zucht diep en komt weer bij. Ook haar moeder lag in onmacht en hij legde een laken over haar hoofd. Als zij daar achter komt is het al na tweeën en de moeder komt niet terug en is dood… De vrijer weet nu genoeg, het meisje is een toverkol en hij verbreekt de verkering. Een kleine anekdote uit Voorburg verklaart waarom de jongen uit de voorgaande sage een doekje op haar hoofd legde.  Daar zegt men: Als je een (oude) vrouw van toverij verdenkt – leg je om twaalf uur een zakdoek of doek over haar hoofd. Zo belet je haar om uit haar lichaam te treden. Of als ze haar lichaam al heeft verlaten krijgt ze het erg benauwd omdat ze niet terug kan. Is ze te lang buiten haar lichaam dan gaat ze dood. In Schiedam rond het jaar 1660 was er een heks die had een kat. Als de kat er was, was de vrouw nergens te vinden en andersom. Op een keer betrapte haar broer haar erop dat er een muis haar schort omhoog klom en in een van haar neusgaten verdween! Toen werd de vrouw plots wakker. In een ‘spookhuis’ te Nieuw Namen kwamen elke nacht de heksen in de vorm van muizen bijeen om sabbat te vieren. Terwijl zo’n heks rustig sliep, verliet haar ziel, in muizengedaante het lichaam. Moeder Cie was een beruchte heks uit Meerwijk. Toen ze lag te slapen, zag iemand hoe er een spin uit haar mond kroop en haastig wegliep. Het was duidelijk dat ze weer uit heksen ging! Zo kan de ziel van de heks haar lichaam verlaten in de vorm van diverse dieren. Als bij en als bromvlieg, als muis en zelfs als spin! Je kunt je afvragen wat de relatie van de heks is met het dier. Leent ze even het lichaam van een bestaand dier dat daarna zijn eigen weg weer gaat, of neemt haar ziel/geest de vorm aan van zo’n dier? Het in en uit de mond gaan van het dier, duid op het tweede. Het is de vraag in hoeverre zo’n dier werkelijk materieel is of meer een geestvorm. (2) De heks als kat of haas Het meest berucht heksendier is natuurlijk de – zwarte – kat! Mogelijk vanwege haar grootte komt dit beest nooit uit haar mond. Vaak lijkt er een metamorfose plaats te vinden, (te vergelijken met die van een man in een weerwolf) echter ook hier kan het zijn dat de vrouw in een soort van katalepsie in haar bed blijft liggen. In de vorm van een kat probeert de heks aan geheime informatie te komen, of mens of vee ziek te maken. Soms zit ze in die vorm op een klein kind in de wieg om het zo ziek te maken. Katten kunnen het ook nachtelijke wandelaars lastig maken, door ze voor de voeten te lopen en te proberen ze in de sloot te duwen. Verder zijn er de kattendansen. Hele groepen heksen komen in de vorm van katten samen om te dansen en te feesten. In al die gevallen komt er in de sagen vaak een eind aan het gefeest of getover doordat een dappere jongen of boer de beesten verwond met behulp van zijn mes of met kokend water. De volgende dag blijken de vermeende heksen verwondingen te hebben op precies dezelfde plek als waar de katten verwond werden! De heks kan zich ook in een aantal andere dieren veranderen: Soms is ze een hond, of een pad, maar het – op de kat na – meest voorkomende heksendier is de haas. Een jager die op zo’n heksenhaas probeerde te schieten miste telkens. Na vele pogingen begon hij te  vermoeden dat het om een spookhaas of een heks ging. Hij gebruikte een stuk zilver en eindelijk schoot hij raak! Maar daarmee had hij ook de fysieke heks getroffen en ze overleed aan haar wonden.. De heks kan zelfs in onbezielde objecten zitten! De beruchte ‘toverkol’ Grietje Holleman uit Broek in Waterland had haar verblijf genomen in een kaars. Iemand gaf met een mes een snee in de kaars en de volgende ochtend had Grietje een snee over haar neus! Zo wisten ze zeker dat zij ‘kollen’ kon. De geest van de heks kon ook in de karnton zitten om daar de boter te doen betoveren. Zij stal dan de boter en zorgde ervoor dat de melk in de ton niet ging boteren. Een probaat middel is dan om er met een gloeiende sikkel in te steken of er een gloeiend hoefijzer in te doen. De heks zal dan de volgende dag gemerkt zijn door brand- of steekwonden. (3) Vooral het gegeven dat de verwondingen – die het dier of het object zijn toegebracht – terug te vinden zijn bij de heks, maakt het duidelijk dat ‘iets’ van de heks is overgegaan in het dier of zelfs het object! Dit ‘iets’ moet toch meer zijn dan slechts de geest, want ook het lichaam van de heks raakt verwond. De heksenvlucht Cornelis Saftleven 1630-1640 Heks vliegt de schoorsteen uit Het meest beroemde voorbeeld van de extase en zielenvlucht van de heks is natuurlijk de heks die op de bezemsteel naar de heksensabbat vliegt. Vaak gaat dit gepaard met het insmeren met zalf en het gaan door de schoorsteen om er aan de andere kant uit te komen en dan door de nachtlucht te vliegen. Dit is goed uit te leggen als een uittreding, zeker als de zalf bereid is met hallucinogene middelen. Dit laatste vinden we echter niet terug in de sagen. Bij het beeld van de vliegende heks stapelen de onmogelijkheden zich op als het een fysieke vlucht betrof. Om dan maar te zeggen dat al die keren dat mensen ervan getuigen dit te hebben gezien of mee te hebben gemaakt dom en achterlijk zijn vind ik gemakzuchtig. Dat de nachtvlucht in de geest plaatsvond is een veel aantrekkelijker alternatief! Dit vliegen en varen gebeurt in de sagen verbazingwekkend vaak met behulp van andere voorwerpen: Eierschalen, zeven, mosselschelpen en boternappen om eens wat te noemen. Dit draagt bij aan de bewijsvorming dat deze verhalen nooit de bedoeling kunnen hebben om iets te beschrijven dat plaats heeft gevonden in de fysieke wereld. De genoemde voorwerpen zijn eerder te zien als benamingen voor het astrale lichaam waarmee de heks naar de geestenwereld kan reizen. Varen in eierschalen en mosselschelpen Over varen in eierschalen wordt al geschreven in de 17e eeuw. In een schrijfsel uit 1657 staat: ‘Velen geloofden dat heksen met een eierschaal, mossel- of oesterschelp met behulp van een fijne naald tussen Calais en Dover naar Engeland voeren.’ Dit geloof bestond in de Groninger Ommelanden in de negentiende eeuw nog steeds. Eierschalen moesten altijd gebroken worden, anders konden heksen ze gebruiken om er mee naar Engeland te varen. In Vlaanderen werd dit ook verteld: Ooit kwam er een vrouw, die een boze heks was, in een eierschaal overzee aangevaren. Ongelukkigerwijs verpletterde de volksmenigte de schaal, zodat het wijf niet meer weg kon. Zo is het kwaad in ons land gekomen. Men wachtte zich dus wel eierschalen weg te gooien; men moet ze verbranden. Ook in Friesland konden de Friese heksen, de ‘tsjoensters’ in eierdoppen varen. Ze zeilden ermee helemaal naar Oost-Indië! Als je bang bent voor heksen moet je die doppen in het water gooien, dan kunnen zij die dop als schip gebruiken. Als je dat niet wilt, moet je ze juist kapot maken. Andere Friese heksen uit Molkwerum kwamen ‘s avonds laat bijeen en staken dan in melkbakken over zee naar Spanje om feest te vieren. Ze gebruikten als vaarboom een stopnaald. Johannes Wier heeft het in zijn boek ‘Praestiigis Daemonum’ uit de zestiende eeuw over een heks die vaart in een mosselschelp: Er was in Schiedam een vrouw die als heks werd verbrand omdat de schippers stenen in plaats van vissen in hun netten vingen. In haar bekentenis vertelde zij dat ze door een barst in het venster was gevlogen en vervolgens in een mosselschelp naar hen toe gevaren om door haar toverij de haring te verdrijven. (4) Vliegen in een zeef Charles Turner  A Witch Sailing to Aleppo in a Sieve 1807 Over het gebruik van de zeef om mee te vliegen wordt meer verteld in een Gelderse sage: Op de Kamp, een weide onder Well (Gelderland), werden de paarden ‘s nachts tussen twaalf en een zo afgereden, dat hun het schuim om de muil stond. Gedurende dat hele uur klonk over de weide alleen maar paardengetrappel. Een boerenknecht wilde er meer van weten. Hij verborg zich op zekere nacht in de weide. Zodra het twaalf uur sloeg, streek er uit de lucht een zeef met een heks erop in het gras neer. Dadelijk sprong het wijf op een van de paarden en begon te rijden. Onderwijl sloop de knecht stilletjes naderbij en nam de zeef weg. Toen het op een uur aanging hield de heks op met rijden. Maar nu miste zij haar zeef. Al snel ontdekte zij de knecht en zij smeekt hem haar de zeef toch terug te geven. Hij laat zich overhalen op voorwaarde dat zij het nooit meer zou wagen de dieren van zijn baas af te jakkeren. In een andere sage uit dezelfde buurt (tussen Putten en Nijkerk) wordt hetzelfde verhaal verteld over twee prachtig zingende vrouwen. Zij smeken de boer hem hun zeven terug te geven omdat ze anders bont en blauw geknepen zullen worden. Ook in Terschelling wordt hetzelfde verteld maar daar komt de mooi zingende vrouw aanvaren met een ‘botermond’; een houten bak om boter in te kneden. In Culemborg worden dit soort vrouwen ziftrijdsters genoemd. Ze rijden in zeven door de lucht en roeien dan met zwavelstokken. Sommige heksen rijden echter liever op een zeug. In Weert ligt de Galgenberg; een terrein waar vroeger de ter dood veroordeelden werden opgehangen. Daar vierden de heksen in kattengedaante hun sabbat. Zij kwamen uit alle plaatsen in de omtrek en vlogen naar deze vergaderplaats, niet op bezems maar in ziften (zeven). Op een keer gebeurde het dat er een man voorbij die kattendans kwam en hij zag in de berm van de weg een paar zeven liggen. Toen hij er stilletjes een wegnam, zag hij hoe de katten zich elk op een zeef zetten en weer in mensengedaanten veranderden. Een kat bleef alleen achter en liep radeloos rond op zoek naar haar zeef die de voerman had verstopt. Ondertussen riep een der heksen, die de aanvoerster was, zonder op die ene te wachten: ‘Over heg en struik, naar Keulen in de wijnkelder en weer terug.’ Plotseling waren de heksen door de lucht verdwenen. Inmiddels had de achtergebleven kat de man gezien en smeekte hem haar de zeef terug te geven. Maar die dacht er niet aan haar d’r zin te geven, want hij wilde zelf naar Keulen gaan. Hij ging in de zeef zitten, maar door het mauwen van de achtergebleven kat was hij de spreuk vergeten en riep: ‘door heg en struik naar Keulen in de wijnkelder’, en vergat ook de laatste zin, zodat hij niet terug kon. Nu ging hij ontzettend snel door heg en struik, zodat hij gehavend in de kelder neerviel. Daar vonden de knechten hem de volgende morgen en hij kreeg een zware straf voor het stelen van de wijn, waarvan hij geen druppel had gedronken. Het kunnen varen met eierschalen, mosselschelpen en zeven wordt ook verteld van alven en maren. Dit laat zien dat de heks sterk verwant is aan deze geestwezens. Het grote verschil is echter dat zij ook nog een fysiek lichaam heeft! Ook het voorwerp zelf kan geassocieerd worden met de geestelijke toestand. De doorlaatbaarheid van de zeef als gatenpan is te vergelijken met de doorlaatbaarheid van het energetische systeem van de mens waar ook altijd gaten in zitten. Het gebroken ei of de open gemaakte mossel kan je ook zien als symbolen voor het astrale of energetische lichaam van de heks. Zij maakt bewust gebruik hiervan door het open te breken en het los te pellen van het fysieke lijf. (5) Varen met een bosje stro In nog weer andere sagen wordt er gevlogen of gevaren op een wiel of rad, in een grote houten nap of in een notendop (die zodra die in het water kwam veranderde in een compleet schip). Soms is er niet meer nodig dan een bosje stro: In een proces uit 1565 te Veere bekend Digna Robberts dat ze van de duivel had geleerd om heksenzalf te maken. Als ze zich er mee in smeerde dan kon ze op een strowis in de zee ronddrijven en schepen doen vergaan. Het Friese dorpje Strobos zou zijn naam hebben gekregen omdat er een ‘tsjoenster’ (heks) woonde, die er op een bosje stro de zee op vaarde om daar de schepen te doen vergaan. Om deze reden haalden sluiswachters dit soort bosjes stro uit het water. Er zou zomaar eens een heks in verscholen kunnen zitten.. Ook komt het voor dat de heks helemaal niets nodig heeft om te kunnen vliegen: Op de plaats Pieter Heidensvaart vertoonden zich ‘s nachts vliegende heksen. Zij zien er uit als mooie boerenmeisjes en vlogen urenlang over land en zand. Een keer moest een boer over de rivier en riep om de veerman. Plots zag hij een vrouw aan de overkant staan, die zei ‘Ripp’! Direct stond ze naast hem! Ze zei opnieuw ‘Ripp’ en stond weer aan de andere oever. De boer wou dat wel eens proberen en zei ook van Ripp. Pijlsnel vloog hij over het water! Hij werd enthousiast en zei opnieuw Ripp. Dan vliegt hij over bos en wei.. Maar toen hij het nog een derde keer zei vloog hij te snel en viel keihard op de grond. De heks lachte hem uit.. (6) Naar Keulen in de wijnkelder De meest genoemde plaatsen – in de Nederlandse sagen – waar de heksen naar toe reizen om hun bijeenkomsten te houden zijn Spanje, Engeland en Keulen in de wijnkelder. Deze plaatsen zijn te zien als symbolische benamingen voor de ‘Andere wereld’ of de geestenwereld. Engeland als land over de zee waar de heksen naar toe gaan (maar ook de witte zwanen uit het kinderliedje..) wordt wellicht genoemd vanwege de woordspeling met het land der engelen. Spanje werd tot ver in de negentiende eeuw door het volk gezien als een exotisch oord, waar het altijd lente was en de sinaasappelen altijd rijp in de bomen hingen. Ook Sinterklaas komt niet voor niets uit dit paradijselijke gebied. Dat heksen naar Keulen in de wijnkelder gaan wordt al genoemd door de heks Heyl Geenen in de beruchte procesreeks van Mierlo en Lierop in 1595. Wijnkelders worden ook genoemd in de 16e eeuwse heksenprocessen van de ‘benandanti’ uit Italië. Symbolisch is de kelder te zien als het buik-bekkengebied waar volgens vele esoterische stromingen de levensenergie zich bevindt. Als heksen zich tegoed doen aan de wijn is dit te lezen als een vampiriseren op levensenergie. Tegelijk is de kelder te associëren met de onderwereld, een voor de hand liggende plaats om heksen te verwachten. (7) Conclusie Het is duidelijk uit de hierboven opgesomde sagen dat er tot in de negentiende eeuw nog een levende herinnering was aan de mogelijkheid om uit het lichaam te treden en in de geest te reizen. Dit werd echter wel als een duistere en verboden activiteit gezien. De ervaring van extase werd in de christelijke tijd verboden, doodgezwegen en ontkend. Het is daarom best opmerkelijk dat we er nog restanten van aantreffen in de sagen. Wellicht juist omdat dergelijke verhalen door de elite niet meer serieus werden genomen! Ondanks de gevaren die ermee gepaard gaan is het altijd zeer verleidelijk geweest om uit het lichaam te treden. Extase wordt niet voor niets in verband gebracht met verrukking, uit het dak gaan en geestvervoering! Het kan een zeer intense, levensveranderende ervaring zijn. Met het stelselmatig onderdrukken en zelfs uitroeien van de specialisten in extase [de tovenaars en heksen]  verdween ontzettend veel kennis en ervaring over bewustzijnsverschuiving en het hanteren van energie uit de Westerse cultuur. Toch bleef de herinnering aan de mogelijkheid van uittreding levend. Waarschijnlijk werd het zelfs her en der in het geniep nog toegepast. Echter door de invloed van de kerk kon dit alleen maar naar buiten treden overgoten met een satanistisch sausje. De heks moest een dienaar van de duivel zijn en haar toverkunsten konden alleen maar gebruikt worden ten kwade. Vliegen was dus des duivels. Als we dit christelijke vernis van de gebeurtenis afkrabben, dan blijft er een authentieke trance-ervaring over. Zo’n ervaring kon alleen maar in symbolische termen worden omschreven: ze vlogen in eierschalen, voeren in zeven en vlogen als een bromvlieg uit de mond van de slapende heks.. De ervaring zal er niet minder intens om zijn geweest! Abe van der Veen Noten: 1) Sinninghe, J.R.W. – Hollandsch sagenboek 81 Dykstra, W. – Uit Friesland’s volksleven II 156 Sinninghe – Zeeuwsch sagenboek 118 en 103 Janssen, B. – Het dansmeisje en de lindepater 16 Sinninghe – Oude volksvertellingen 151 Ed. Blécourt, W. de – Volksverhalen uit NoordBrabant 182 2) Molen, van der S.J. – Frysk sêgeboek 149 Sinninghe – Zeeuwsch sagenboek 97, 117 en 119 Sinninghe – Hollandsch sagenboek 81-82 Sinnnighe – Noord-Brabants sagenboek 106 3) Sinninghe – Hollandsch sagenboek 90 en 93 Sinninghe – Overijssels sagenboek 91, 92, 95 en 97 Zo wordt uittreding en metamorfose klaarblijkelijk gebruikt om te stelen en ziek te maken. Ook wordt het gebruikt om slecht weer te maken en zo  schepen te doen zinken. Hoe werkt dit? Iets van de essentie, de boze geest van de heks zit in het betoverde goed, het betoverde kussen, het haar van het vee, de betoverde boter etc. Dit is te zien in het telkens weer genoemde procedé om een tovenares te herkennen door in een potdichte kamer een ketel op het vuur te doen met daarin het betoverde spul of anders door het in het vuur te verbranden. De heks wordt daarmee gedwongen om zich kenbaar te maken. Zij voelt door dit procedé een heftige, brandende pijn en moet daarom wel naar de plaats waar de antitoverij plaatsvindt. 4) Teenstra, M.D. – Nederlandse volksverhalen 61 (Uit Heemskerk Batavia Arcadia 1657) Ter Laan, K. – Nederlandse volksoverleveringen II p. 76 en 78 Wolff – Niederländische Sagen Cock, Alfons de – Vlaamse sagen uit de volksmond –  p. 15 Molen, van der S.J. – Frysk sêgeboek 153, 157 Dykstra, W. – Uit Frieslands volksleven II 156 Sinninghe – Hollandsch sagenboek 102 Van den Bergh – Proeve van een kritisch woordenboek der Nederlandse mythologie 288 5) Sinninghe – Gelders sagenboek 76 Sinninghe – Verhalen uit het land der bokkenrijders en der teuten p.58 De beroemdste heksen met zeven zijn de drie ‘weird women’ uit Shakespeare’s Macbeth. Zij zeggen: ‘But in a sieve I’ll thither sail, And like a rat without a tail, I’ll do, I’ll do and I’ll do.’ Dit heeft hij waarschijnlijk ontleend aan het beruchte Schotse heksenproces uit 1590 van de heksen van North Berwick – waaronder Agnes Sampson – die in zeven en vergieten de zee opvoeren om storm te maken om zo de Schotse koning Jacobus I en zijn schip te doen vergaan. Het lijkt erop dat heksen vaak hun identiteit ontlenen aan hun vaardigheid om te kunnen vliegen: Heks komt van hegge- of hekkenrijdster, andere benamingen voor heks zijn zift(zeef)rijdster, bezemrijdster en kolrijdster. (Kol is het woord voor een langwerpig houten voorwerp.) Andere woorden voor heks duiden vooral hun magische vaardigheden aan: toverse, toverpot, tsjoenster, waarsegger, wichelaerster. 6) Sinninghe – Zeeuwsch sagenboek 133 Molen, van der S.J. – Frysk Segeboek 140 Sinninghe – Oude volksvertellingen 160 7) Otten, Johan – Duivelskwartier 171 Ginzburg, Carlo – De benandanti Keulen kan zijn mare als heksenoord hebben gekregen doordat juist hier de relieken van de drie ‘magi’ (dus magiërs) uit het Oosten hier te vinden waren en omdat het gebeente van de heilige Ursula en haar elfduizend gezellinnen hier te zien was. Beide groepen heiligen hebben een waas van magie en heidendom om zich hangen.  

Het pact met de duivel

maandag 23 mei 2016 19:51

Wie gelooft er tegenwoordig nog in de duivel en wie is er nog bang voor? Dat was vroeger wel anders! In de heidense tijd was er al een grote angst voor kwade geesten. Geesten die angst aanjoegen en onheil en ziekte veroorzaakten. In de christelijke tijd kwam daar nog het beeld van de duivel als verpersoonlijking van het kwaad bovenop. Nu bracht de kwade geest niet alleen maar ongeluk, hij kon ook nog je ziel bemachtigen en je meeslepen naar de hel. De angst voor de duivel zat er goed in. Men sprak meestal niet rechtstreeks zijn naam uit want dan riep je hem mogelijk op! Hij werd in Nederland ‘de Kwade’, ‘de Oude’  of ‘de Boze’ genoemd, of de ‘olde knecht’, de Drommel, de Droes en Joost. (1) Zolang je maar niet rechtstreeks zijn echte naam hoefde te noemen. Hieronder vertel ik over de duivel in de Nederlandse sagen en geef ik vervolgens mijn eigen interpretatie van het duivelspact. Uiterlijk van de duivel Helaas kon je de duivel niet altijd goed herkennen. De met de bosgod Pan te vergelijken ruig behaarde kerel met hoorntjes en hoeven werd bijna nooit waargenomen in Nederland. Een enkele keer is zijn verschijning wel monsterlijk; bv. als een van top tot teen pikzwarte kerel of als een grote, zwarte hond. Maar hij verscheen veel vaker als een voorname – meestal in het zwart geklede – heer. Door het weggeven van een klein detail kwam het slachtoffer er meestal toch achter dat hij met de duivel van doen had. Hij zag bv. een paardenhoef of een bokspoot. Of in de spiegel zag hij de hoorns op zijn hoofd. Meestal was het dan al te laat en had hij of zij zich al verleid tot de zonde, of nog erger tot een pact.. Het duivelspact In de duivelssagen uit Nederland is het sujet altijd belust op nieuwe zielen. Zijn voornaamste middel om die te bemachtigen is door een mens te verleiden tot het sluiten van een verbond met hem. Dit noemt men het duivelspact. Het verhaal begint meestal met een man (of soms een vrouw) die wanhopig is. Het gaat hierbij meestal om geldzorgen. Hij loopt in zijn wanhoop en verdriet het dorp uit en de wildernis in. Daar heeft hij een schijnbaar toevallige ontmoeting met een vreemd, deftig heerschap. Dit is de duivel in vermomming. (2) De duivel komt vervolgens met een aanbod dat te mooi is om waar te zijn. De man zal zeven jaren lang in weelde mogen leven (bv. met behulp van een ‘wisseldaalder’ of een nooit leeg rakende beurs), altijd raak kunnen schieten, het mooiste meisje kunnen krijgen of de toverkunst machtig zijn. (3) Bijna altijd leidt het voorstel van de duivel tot een verbond. De duivel weet dat – als hij zich aan zijn belofte houdt – hij de ziel mee kan nemen naar de hel. Vaak is een mondeling akkoord genoeg, maar in de latere sagen moet de man zijn naam in zijn eigen bloed op een stuk papier schrijven. Als hij uiteindelijk wordt opgehaald door de duivel, gebeurt dit soms op een gruwelijke wijze: de man wordt bijvoorbeeld in stukken gescheurd of hij verdwijnt spoorloos op een bloedvlek na, die niet meer weg te poetsen is. (4) Vaker is het zo dat hij – of zijn vrouw – door een list de duivel toch nog om de tuin weet te leiden, zodat hij zich niet aan het verbond hoeft te houden. Ook de kracht van het gebed van de pastoor wil nog wel eens helpen. De duivel bedrogen Een veel voorkomend motief is het verbond met de duivel, waarbij een man in ruil voor zijn ziel een kerk, brug of schuur door de duivel laat bouwen. Deze moet wel voltooid zijn in één nacht voordat de haan heeft gekraaid. De duivel en zijn demonen gaan aan het werk en zijn vlak voor het ochtendkrieken bijna klaar. Er moet nog een klein detail toegevoegd worden. In zijn wanhoop bekend de man aan zijn vrouw welke domme zet hij heeft gedaan. Dan bedenkt zijn vrouw een list en kraait nog voor het ochtendgloren als een haan en alle echte hanen volgen haar voorbeeld. De duivel vlucht en het gebouw blijft onvoltooid. Zo redt zij de ziel van haar man. Het zal ook nooit afkomen want het stuk van de muur, de oelborden of de windhaan worden er elke keer door de kwade duivel weer afgehaald.. Soms heeft de duivel de ziel bedongen van de eerste persoon die het gebouw ingaat of over de brug heen loopt. De brug of kerk komt dan wel degelijk af, maar vervolgens jaagt degene die de overeenkomst heeft gesloten een hond de brug over of een wolf de kerk in. De duivel zal dit beest als offer moeten accepteren en is bedrogen! Dit laatste is wel opmerkelijk omdat het impliceert dat men onder het volk geloofde dat de dieren ook een ziel hebben! (5) Vaak is het de vrouw die haar man uit de penarie moet helpen. Zo had een jager zijn ziel aan de duivel verkocht. In ruil daarvoor zou hij altijd raak schieten. De enige voorwaarde die de man stelde, was dat de duivel altijd datgene moest kunnen benoemen waarop de jager wou schieten. Helaas voor de jager kent de duivel elk levend wezen op aarde. Zijn vrouw kwam gelukkig met een list en rolde zich naakt in de pek en veren. Toen de jager zijn eigen vrouw voor het vizier kreeg herkende de duivel het wezen niet en de man ging vrijuit! (6) Rijk door de duivel Toch is er ook een enkele keer een slimme man: Een kerel in geldnood maakte een akkoordje met de duivel dat hij zijn ziel zou hebben en in ruil daarvoor zou deze zijn laars vullen met gouden munten. De duivel laat zich niet graag zien en vroeg daarom aan de man om zijn laars bij het open zoldervenster te houden. Klinkende munt werd in de laars gestort en deze zou snel vol zijn geraakt, ware het niet dat de man snel de zool los had gescheurd. De laars kwam niet vol, de man behield zijn ziel en was schathemeltjerijk! Zo mogelijk nog slimmer was de Veluwse boer die zijn zinnen had gezet op een bunder akkerland naast het zijne. Hij had er het geld niet voor, maar de duivel wou hem wel een korenmaat (of een schepel) vol gouden munten lenen. Als hij niet binnen vijf jaar de korenmaat vol met munten terug kon betalen zou hij zijn ziel verliezen. Toen de boer zag hoe de duivel de korenmaat vulde riep hij uit: hier in de Veluwe zijn wij gewend er een kop op te doen. En de duivel was de zuinigste niet en deed dat ook. De boer streek de kop er af en gaf de duivel zijn geld terug. Alsjeblieft ruim binnen de termijn! Hij had zich aan zijn woord gehouden, de duivel moest briesend en tierend het veld ruimen en met het afgestreken muntgeld kon hij met gemak de bunder land kopen! (7) Ontelbare malen wordt de duivel in de sagen bedrogen. Hij sluit een akkoord met een pastoor dat hij de ziel van een man mag hebben als alle bladeren van de bomen af zijn in het beukenbos. Helaas voor de duivel ontvouwden in de lente de nieuwe blaadjes zich terwijl de laatste oude blaadjes nog aan de beuken zaten. Hij geeft een vrijmetselaar – wiens ziel hij komt halen – uitstel zolang de kaars nog niet is opgebrand en de vervloekte man dooft de kaars en bergt hem op! De duivel daagt iemand wel eens uit om hem een onmogelijke taak te laten verrichten in ruil voor zijn ziel. De slimmerik wint dan door hem te vragen een touw van zand te vlechten of om een scheet te vangen en er een knoop in te leggen! Dit is zelfs voor de duivel onmogelijk. Vreemd genoeg moet de bedrieglijke duivel zich altijd aan zijn woord houden. Dit maakt hem in dergelijke gevallen zelfs een beetje sympathiek.  (8) Seks met de duivel In de heksenprocessen uit de zestiende eeuw komt vaak het motief voor van het bekrachtigen van het verbond met de duivel door middel van seks. Een vrouw geeft zich in ruil voor geld en/of kwade toverkunsten over aan de duivel en wordt zijn minnares. Dit vinden we niet of nauwelijks terug in de sagen. Dit zal vooral zo zijn omdat het bijna altijd gaat om mannen die het pact sluiten en dan ligt seks met de – altijd mannelijke – duivel niet zo voor de hand. In een Friese sage probeert de duivel wel om het liefje van een Friese schone te worden. Zij heeft gezegd dat ze alleen maar wil vrijen met degene die nooit om genade heeft hoeven smeken. De duivel bewijst dat hij de sterkste is in de wijde omgeving en gaat met haar naar de bedstede. Daar pakt zij hem bij zijn edele delen en geeft er een draai aan. Hij schreeuwt en smeekt om genade. Zo raakt zij de duivel als vrijer toch nog kwijt! In een sage uit Hoogeveen wordt een oude vrouw in de bedstee geplaagd door een duivel. Daarvoor had hij haar jonge dochter gegrepen en hij verdween pas toen ze licht maakte en de bijbel open sloeg. Vervolgens begon hij de moeder te kwellen. Hij stormt op haar los en zij zegt: ‘Dat je de deerne niet met rust kan laten snap ik nog, maar wat moet je toch met deze oude sloof?’ Als ze zegt ‘here verlos mij van de boze’ verdwijnt hij prompt. Hier manifesteert de duivel zich als incubus. Hij doet dit niet als onderdeel van een verbond. (9) Niezen en vloeken Soms vraag je je af waarom de duivel zo’n moeite doet om een pact te sluiten. Uit een sage uit Neeritter (Limburg) wordt het duidelijk dat de duivel ook macht heeft over vloekers (en degenen die vervloekt worden) en zelfs over mensen die niezen als er vervolgens niemand ‘God zegen u’ zegt! Dit laatste heeft te maken met het volksgeloof dat bij een krachtige nies de ziel uit het lichaam kan glippen en dus ten prooi kan vallen aan de duivel. Bij het vloeken is het wel belangrijk dat het echt gemeend wordt! Een deurwaarder die met de duivel optrok kwam daar op harde wijze achter. Elke keer dat hij iemand hoorde vloeken riep hij: ‘Duivel grijp hem, hij heeft gevloekt!‘ Maar die zei dan, ja de mensen zeggen het zo vaak, maar menen het meestal niet en dan heb ik toch geen macht over hen. Dit ging zo door, tot de deurwaarder het huis van een familie met schulden naderde. De bewoners zagen hem en vervloekten hem binnensmonds. Een van hen siste: ‘ik wou dat de duivel hem mee nam naar de hel!’ De duivel zei; ‘dat was nu echt gemeend!’ Hij greep de deurwaarder beet en verdween.. (10) De duivel als boze geest Om het topos van het verbond met de duivel goed te begrijpen moeten we eerst weten wie of wat de duivel is. In enkele gevallen is de duivel uit de sagen niks meer dan een boeman; een boze geest die angst aanjaagt. Hiervan zijn twee mooie voorbeelden te geven: Een jager schoot bij middernacht in het maanlicht op een haas. Hij mist en de haas rent op hem af en verandert zich in een zwarte bol. Deze rolt op de jager af, de jager heeft nu door dat hij met de baarlijke duivel van doen heeft en vlucht, maar de bol wordt almaar groter. Pas als hij belooft om nooit meer te stropen verdwijnt de zwarte bol. In het verhaal over ‘De duivel zonder kop’ komen we de – met afstand – meest fantastische duivel tegen!: Op een viersprong in de buurt van Leuven verschijnt een duivel. Hij heeft geen hoofd, maar zijn ogen staan hem op de schouders en in zijn maagstreek is zijn mond en daaruit slobbert een vurige tong. Dit is het gat van de hel! Hij slaat zijn prooi en als die op de grond ligt gaat hij hem heen en weer rollen. Deze duivel moet voor 99 verdoemden pap koken. Als hij de honderdste te pakken heeft, dan moet die het van hem over nemen en wordt de nieuwe duivel zonder kop. Vervolgens wordt deze duivel een weerwolf en blijft dit monster tot hij doodgeschoten wordt.. Ook deze wonderbaarlijk, monsterlijke duivel is meer een voorbeeld van een boze geest. (11) De duivel en Odin/Wodan In het beeld van de duivel kunnen ook restanten van oude godheden zitten. In een Gelderse sage wordt de duivel als volgt omschreven: ‘Plotseling was ‘de Oude’ er; een korte, gedrongen gestalte met een platte, breedgerande ronde hoed op.’ Mogelijk is in deze duivel iets van de god Odin (in onze streken Wodan genoemd) terug te vinden. Uit de saga’s van IJsland weten we dat bij een plotselinge opkomst van een oudere persoon met een breedgerande hoed, we met Odin te maken hebben. Zowel Odin als de duivel leren aan sommige van hun volgelingen de toverkunst oftewel de zwarte magie. In de sagen vinden we dit zelden, maar in de heksenprocessen leerde de duivel standaard aan elke heks de zwarte kunst. (12) De betekenis van het verbond met de duivel De duivel speelt al met de ziel van de mens sinds het prille begin. In het paradijs zorgde dat voor de zondeval. Hiermee bracht de duivel o.a. een afstand teweeg tussen de mens en zijn centrum, ook kon hij niet meer zomaar terug naar het zielenparadijs. Hij bezorgde de mensen echter ook kennis van goed en kwaad oftewel een individueel bewustzijn. De invloed van de duivel op de mens is te zien in het afstand scheppen tussen de mens en zijn ware zelf. Het is de kunst van de mens om vanuit die afstand weer verbinding maken met zijn ware gevoel, zodat zijn bewustzijn kan groeien. In de duivelspacten van Mariken van Nieumeghen en de tovenaar Faust is het belangrijkste lokaas van de duivel kennis. Kennis van het verborgene bij Faust en kennis van de zeven vrije kunsten bij Mariken. Deze kennis betekent een verdere opdeling van het eenheidsbewustzijn van het paradijs in ontelbare brokstukken. Bij de zeven ‘vrije kunsten’ is dit letterlijk het geval; kunsten als grammatica, arithmetica, geometrie bestaan allemaal uit het opdelen van datgene wat waar wordt genomen. De werkelijkheid wordt ontleed in telkens kleinere stukken. Als we ons hierin verliezen dan is de weg naar het centrum en daarmee naar onze ziel niet meer terug te vinden. We verliezen onze ziel aan de duivel! We gaan op in de afstand van het leven in materie en gedachten. Hier is de dichotomie niet leven en dood, maar leven en niet-leven. De duivel heeft het meeste belang bij mensen die hun levend zijn ontkennen, door altijd van een afstandje naar de dingen te kijken. Zo verliest men de kunst van empathie, verbinding en uiteindelijk de kunst om lief te hebben. Wie hier in meegaat, kan zelfs worden tot een soort van demon. Deze persoon houdt zijn bewustzijn vast in een wereld die te manipuleren is doordat het wordt geobjectiveerd. Door levende wezens tot objecten te maken kan hij zonder enige empathie er energie uit trekken. Dit is in feite de zwarte kunst; zwarte magie. De zwarte kunst (nigromantie) wordt dan ook vaak beschouwd als de zevende kunst van de ‘artes liberales’. Je haalt de energie niet meer uit de goddelijke en godinnelijke bron, maar steelt ze uit deze wereld. De duivel verleid je met rijkdom, dit is te zien als de kunst om energie te stelen, hoe je kunt vampiriseren. Hij leert je hoe je angst moet aanjagen, moet afpersen, schuldgevoel moet aanbrengen en hoe je iemand uit het evenwicht brengt. Zo omgaan met je medemens doe je alleen als je wanhopig bent, omdat je in je onbewuste toestand niet meer weet hoe je energie uit de onuitputtelijke bron kan halen. Als je dit willens en wetens doet, haalt dit je uit je ware centrum, je verwijdert je telkens verder van je ziel, verslaafd als je bent aan een oneigenlijk gebruik van energie. Je zou kunnen zeggen dat er twee duivels zijn: De een is de angst aanjagende inwijder uit de heidense tijd. Hij is te vergelijken met de gehoornde god Pan en met Odin, hij is de god van de sjamaan, de inwijder van de tovenaarsleerling. Hij moet testen of zijn leerling klaar is voor een volgende inwijding. Hij is ook Lucifer, de lichtbrenger, de God die bewustzijn brengt. Hij is degene die zijn volgelingen de ‘toverkunst’ leert. Zo iemand weet bewust te leven volgens de gulden snede, hij weet precies in het midden te blijven. Op die wijze krijgt hij energie uit de onuitputtelijke bron. Hij haalt het van de godin en de god. Hij haalt het uit de hemel en de aarde en uit de verbinding van die twee door precies in zijn centrum te blijven. Hij is de duivel als diabolo. Diabolo betekend de ‘er tussen in werper’. Hij blijft net als een diabolo precies in evenwicht op de levensdraad! Daar tegenover staat de duivel uit de christelijke mythologie als degene die altijd en eeuwig je uit je centrum en uit evenwicht probeert te krijgen. De duivel als verleider en de duivel als bangmaker. Dit maakt hem vanuit een christelijke optiek tot een slechterik, tot het geïncarneerde kwaad. De duivel is dan te zien als een soort oppervampier. Zodra de ziel uit zijn centrum is gebracht heeft de duivel een energielekkage gemaakt in het energetische systeem. De energie die daaruit sijpelt, is voor hem! Zo kan het zijn dat je door meerdere demonen wordt bezeten die allemaal op je vampiriseren. Zij hechten zich vast aan je systeem en trekken de levenskracht uit je. Zij zijn de zeven opperduivels van de zeven hoofdzonden: Trots, jaloezie, toorn, luiheid, gierigheid, vraatzucht en wellust. Het verleiden met ‘zonden’ zijn allemaal technieken om je uit je evenwicht, je centrum te halen. Je weet dat je iets moet doen, maar je stelt het uit en kiest voor een afleiding. Als je die afleiding – die je van je ware bestemming afhoudt – maar vaak genoeg opzoekt dan wordt dit tot een verslaving. Je bent slaaf geworden van een demon. Je bent jezelf niet meer. Je bent niet meer de baas van je eigen energiehuishouding! Deze duivel is de meester van disbalans. Hij weet als geen ander hoe hij de mens uit evenwicht kan brengen. Hij is hiermee de schaduwkant van de tovenaar als de levenskunstenaar die weet hoe hij zijn energie, zijn levensstroom kan hanteren. Het is een groot taboe in de christelijke maatschappij om magie te gebruiken. Het wordt verzwegen en ontkend. Toch geeft juist dit de mogelijkheid aan de mens zijn energie in eigen hand te nemen, en daarmee zijn eigen bewustzijnsniveau. Iets van deze oude kennis sijpelt door in de sagen rondom de duivel en zijn pact. Abe van der Veen Noten: 1) 2) Soms arrangeert de wanhopige zelf de ontmoeting en roept de duivel op om hem te helpen. Een klassieke manier om de duivel op te roepen is door hem met middernacht op een kruispunt van vier wegen een zwarte haan te offeren. Als je dan de naam van de duivel noemt zal hij verschijnen. De duivel verschijnt ook nogal eens als de vierde man bij het kaartspelen. Vaak wordt hij opgeroepen omdat er stevig wordt gevloekt. Men ontdekt hem als er een kaart op de grond valt Dan zien ze dat een van hen een paarden- of bokspoot heeft. (K. ter Laan – Nederlandse overleveringen 12) 3) In Noord-Brabant wordt verteld hoe je een ‘wisseldaalder’ van de duivel kon kopen door op de nacht van 30 april op 1 mei of de nacht van sint Jan of op nieuwjaarsnacht op een kruising of in de kerk hem een (zwarte) kat in een zak te verkopen. Eerst moet je drie maal om de kerk heen lopen. Of op de kruising een magische cirkel maken en vragen; wie koopt er mijn haasje? De duivel zal verschijnen en vragen wat voor dier er in de zak zit en hij moet antwoorden: een haas. (Ook de witte wieven vragen om een balkenhaas en bedoelen hiermee een kat..) Hiermee heb je eigenlijk je ziel verkocht. Ga nooit uit de cirkel want anders breekt de duivel je nek. Zolang je maar iets wisselgeld overhoudt zal de daalder altijd in je zak terugkomen. (Ter Laan – Nederlandse overleveringen II 20-23) 4) 5) Sinninghe –  p. 218 e.v. Ter Laan – Nederlandse overleveringen II 26-33 6) Sinninghe – Oude volksvertellingen 218 7) De Blécourt ed. – Verhalen van stad en streek 82 en 224 8) Sinninghe – Gelders sagenboek 132 Sinninghe – Oude Volksvertellingen 220 9) Ype Poortinga – It fleanend skip 181 Sinninghe – Drents sagenboek 77 10 Sinninghe – Limburg sagenboek 199 11) Sinninghe – Oude volksvertellingen 234 en 239 12) Gelders sagenboek 131 http://tvtropes.org/pmwiki/pmwiki.php/DealWithTheDevil/FolkloreAndFairyTales http://www.sacred-texts.com/evil/hod/hod19.htm

Kabouters in je huis: Een zegen of een vloek?

maandag 29 februari 2016 22:40

Het woord kabouter (ook wel klabber, klabouter, of kaboutermanneke) is etymologisch verwant aan de Duitse Kobold, de Engelse Goblin en de Franse Gobelin. In de 14e eeuw worden de ‘Coubouten’ al genoemd als boze geest. ‘Nachtridders heten si, Ende sijn duvele, ic segdi, Coubouten, alven, nickers, maaren..’ Het kob gedeelte zou huis betekenen en -out of -bout komt van ‘walten’ oftewel besturen of beschermen. Dit maakt de kabouter de beschermer van het huis. Anderen wijzen op de verwantschap tussen -bouter en ‘balderen’ of ‘bolderen’ wat lawaai maken betekent. Via dit woord wordt er ook een verwantschap met de ‘poltergeist’ verondersteld. Ook kabouters kunnen poltergeist-achtige trekjes vertonen en ‘s nachts lawaai maken. Dit wezen heeft ook andersoortige namen. Het wordt in Friesland ierdmântsje (aardmannetje) genoemd en in Groningen aulk, in Texel kent men het als sommeltje en in Limburg noemt men hem ook wel alvermannetje. In kinderboeken wordt veel gesproken over boskabouters. Deze kabouter als een soort beschermende geest van de natuur komt in de sagen niet of nauwelijks voor. Als hij niet in het huis of het erf van de mens woont, dan bewoont hij meestal een grafheuvel of een andere door mensen gemaakte – meestal heidense – plek. Die plek wordt dan bijvoorbeeld de Kabouterberg of Kabouterkuil genoemd. Ook hun uiterlijk kan sterk verschillen met het huidige beeld. In een sage uit 1843 is de kabouter geheel in het rood gekleed met groene handen en een groen gezicht. Een andere 19e eeuwse sage heeft het over ‘kleine rode mannekes’. (1) Moeten we blij zijn als we erachter komen dat een dergelijk wezen ons huis bewoont? De kabouter als hulp in de huishouding Zowel in het huis – meestal bij de haard – als bij de grafheuvel werd voedsel of drank neergelegd voor de kabouter. Dit is te zien als een impliciete of expliciete overeenkomst dat de kabouter(s) in ruil hiervoor klusjes zullen verrichten in de huishouding. De kabouter staat vooral bekend om zijn eigenschap om ‘s nachts in het geniep allerhande klusjes te doen voor het huisgezin: ze spoelen, wassen, schrobben de vloer, bakken brood, maken schoenen, schuren potten en ketels, etc. Dit doet hij meestal in ruil voor een klein voedseloffer; een bruine boterham kan al genoeg zijn. Soms zegt de sage dat die hulp werkelijk gebeurt, maar vaak ook hoort men de kabouters werken en blijkt ‘s ochtends alles onaangeroerd! (2) Die hulp kan zich zelfs uitstrekken tot het domein van de vruchtbaarheid. Een aantal sagen vertellen over een verliefde jongeman die zijn nood klaagt bij een kabouter omdat hij geen bruidschat heeft om zijn geliefde te kunnen trouwen. De kabouter heeft dan medelijden en zorgt voor het ontbrekende goud. Een wat grovere versie van kabouterhulp komt uit Oost-Vlaanderen. De kabouter heet daar Roodmutsje. Wanneer een knecht een lief heeft dat tegenstribbelt, dan laat hij het meisje ‘s nachts door Roodmutsje uit haar bed halen en op zijn kamer brengen. Als het meisje dan wakker wordt is zij zo beschaamd dat ze ‘vriendelijk’ is voor de knecht, als hij zijn mond maar houdt.. Zo is menig meisje tot een huwelijk gedwongen, besluit de sage. (3) De zegen van de kabouter In een aantal sagen wordt er niet gesproken van concrete klusjes die de kabouter doet, maar van een zegen brengende kabouter. Zolang de kabouter goed behandeld wordt zorgt hij voor welvaart, geluk en vrede in het huis. Een mooi voorbeeld is de volgende sage uit Noord-Holland: Bij Heintje Groen was een vierkant gat onder de schoorsteen. Daardoor kwam ‘s nachts een klaboutertje. Hein’s vrouw wist dat en zette ‘s avonds eten voor hem klaar. ‘s morgens was dat verdwenen zonder dat iemand iets had gezien. Hein gooide uit verveling petroleum over het eten van de klabouter. Het eten bleef onaangeroerd en die ochtend vonden ze een brief: ‘Klaboutertje zijn eten weg, klaboutertje zijn zegen weg.’ Na die tijd rustte er op het huis geen zegen meer. Het is een interessant detail dat de kabouter uit een gat bij de haard komt. Ook in sagen uit Noord-Brabant wordt expliciet vermeld dat de kabouters via de schouw naar binnen komen. (4) Bij de haard werden in de Romeinse tijd de ‘lares’ aanbeden en kleine offers gebracht. De ‘lares’ waren vooroudergoden die zegen brachten aan het huis. In de vroegmiddeleeuwse tijd werd dit soort aanbidding verboden. Toch bleef het geloof in een of meer huisgeesten en het gebruik van het geven van voedsel aan deze geesten bestaan. Het kon dan alleen niet meer offeren genoemd worden. Deze geesten worden de ‘cofgodu’ (huisgoden) of ‘stetewialdu’ (meester van het huis) genoemd in Latijnse teksten. De haard wordt symbolisch gezien als het centrum van het huis en de schouw als de ingang naar de geestenwereld. (5) Een ander prachtig verhelderend verhaal uit Noord-Brabant over de zegenbrengende kabouter gaat als volgt: Een boer wiens zaken altijd voor de wind ging hoorde op een avond iemand hard zuchten en steunen. Hij gaat kijken en betrapt een kabouter die één graankorrel naar de graanzolder aan het sjouwen is. Hij lacht de kabouter uit en spottend zegt hij: ‘één korreltje, dat is me ook de moeite waard!’ Het mannetje antwoord: ‘dan mag ik zeker ook wel alles terug sjouwen wat ik hier heen heb gebracht?’ De boer kijkt hem minachtend aan en vindt het prima. Maar vanaf die dag gaan de zaken langzaam maar zeker achteruit, tot de boer zo arm is als een kerkrat. Het is duidelijk; wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd! (6) Als beschermende huisgeest brengt de kabouter zegen. In een aantal sagen horen de inwoners van een huis wel het lawaai van veel bedrijvigheid, maar is er de volgende ochtend juist niets gebeurd. Dit hoeft ook niet. Zegen betekent ‘signum’, het maken van een kruisteken. Dit teken houdt iedereen in het huis gecentreerd, gefocust op zijn eigen centrum en het centrum van het huis, de haard. Zo kunnen ze in aandacht en zonder weerstand of tegenzin hun arbeid doen. Dat is de werkelijke hulp van de kabouter. Kabouters en hekserij Toch is er een dubbelzinnigheid in de zegen van de kabouter; die moest tenslotte ergens vandaan komen. Een aantal malen werd de conclusie getrokken dat de kabouter die voorspoed stal bij de buren vandaan! Bij Aerschot werd verteld over een zekere heer Percy die op duizend manieren door de kabouters werd geholpen, ze zetten zelfs de koffie voor hem! Maar zijn buren hadden er alleen maar last van: De kabouters van Percy dronken de melk van hun koeien en bedierven hun boter. In een sage uit Turnhout is de connectie nog duidelijker: Een vrouw steelt de boter bij de buren vandaan door middel van kaboutermannekes en een rode doek. Zij wordt ontmaskerd als een heks! Ook in een andere Turnhoutse sage stelen de kabouters van de Kabouterberg het vee en het geld van de mensen. In een Gelderse sage wil een boerenkar maar niet vooruit komen ook al geeft de boer het paard de zweep. Dan ziet hij dat er een plat gedrukte kabouter onder de wielen zit in de vorm van een hagedis! Dit riekt naar hekserij: Heksen zijn ook berucht om het stilzetten van wagens en de kabouter heeft de vorm van het heksendier de hagedis. Dit gegeven van een stelende en plagende kabouter in dienst van een huisgezin komt in sagen buiten Nederland vaker voor. Het kan geleid hebben tot het ontstaan van het idee van de ‘witches familiar’. De kleine huisdemon die de heksen in Engeland in de tijd van de vervolgingen in dienst hadden om melk en boter bij de buren te stelen en om mens en vee ziek te toveren. Hierin zit het woord ‘familiar’ wat mogelijk duidt op de ‘lar familiaris'; de huisgeest die in de Romeinse tijd nog de zegen aan het huis bracht.. (7) In buitenlandse kaboutersagen wil de zegen van de kabouter nogal eens omslaan in een vloek! De vlijtige kabouter kan het niet uitstaan dat de mensen van zijn boerderij almaar luier worden en gaat ze plagen door de dekens weg te halen, spullen weg te maken, geluiden te maken, met dingen te smijten etc. Hij wordt een soort van poltergeist! In Nederland en Vlaanderen ben ik hier geen voorbeelden van tegen gekomen. Het vertrek der kabouters In Nederland zal de kabouter in zo’n geval eerder vertrekken en zo zijn zegen meenemen. Dat gebeurt als hij zijn voedsel niet krijgt, als hij bespied wordt, maar ook als hij beloond wordt voor zijn werk met nieuwe kleren. In een sage uit de Kempen laat een vermoeide molenaar per ongeluk zijn boterham liggen en die ochtend blijkt er op mysterieuze wijze een heleboel werk gedaan. Hij besluit om s nachts zich te verschuilen om te zien wie dat toch doet en ziet dan een naakt kaboutermanneke die zijn boterham opeet. Hij beloond het mannetje met een nieuw pak kleren. Vervolgens ziet hij de kabouter nooit meer terug. (8) Dit verhaal kan je zien als een prachtig voorbeeld van in de ‘flow’ en uit de ‘flow’ zijn. Kabouters kan je zien als energetische processen. De zichtbare wereld van de mensen draait om objecten. De onzichtbare wereld van de kabouters draait om processen! Onze wereld is statisch; met ons oog proberen we de wereld te fixeren en met onze geest proberen we de wereld te controleren. De kabouterwereld is dynamisch, zij houdt geen seconde stil. Zij staat buiten tijd en ruimte en heeft daardoor ook geen besef van individualiteit. Kabouters begeleiden de mensen continu bij de meest diverse handelingen. Zolang de mens die handelingen met zijn volle aandacht doet en daarbij opgaat in die handeling ontstaat er een ‘trance’ of een ‘flow’ waarin er geen energie ontsnapt uit het proces. De mens is volledig onderdeel van de handeling die hij verricht, of dit nu gaat om schoonmaken, koeien melken, schoenmaken of  een kindje maken. In vroeger tijden was de identificatie tussen wat de mens is en wat hij doet nog veel meer volkomen. Je bent wat je doet, je bent boer, je bent bakker, je bent schoenmaker! Je identificeert je volkomen met je beroep. Je schept trots in de beheersing van het vak dat je hebt geleerd van je voorvaderen. Hierdoor zit er geen ruimte tussen jezelf en de handeling. Deze gaan in elkaar op. De menselijke energie en aandacht die in het maken van het product werden gestoken kwamen volkomen in het product terecht. Dit zorgde voor kwaliteit. Wie dit proces bekijkt vanuit eenheidsbewustzijn, die weet dat de ambachtsman of de boer geholpen wordt door onzichtbare krachten. Elk proces is ook te zien als een kabouter. Wie zich verbindt met dit proces wordt geholpen door de kabouters! In feite vond die hulp van de kabouters niet in de menselijke nacht plaats, maar in het nachtbewustzijn, in de geestenwereld. Wat de mens uitvoert in de mensenwereld, vind tegelijkertijd plaats in die andere wereld. De naakte kabouter Op een gegeven moment doet de nieuwsgierigheid, de onderzoekende geest van de mens zijn intrede. Dit wordt in het verhaal verbeeld door het geven van kleertjes aan de kabouters. De naaktheid van de kabouters staat voor een staat van eenheidsbewustzijn waarin er nog geen plaats is voor schaamte voor het eigen lichaam. Het besef van het individuele lichaam is er gewoon niet. Zij schamen zich niet voor hun viriliteit en creatieve kracht. Dit is te vergelijken met de naaktheid van Adam en Eva in het paradijs. De kabouter is met recht beledigd als je hem probeert te verleiden om zijn onschuldige paradijselijke staat te verlaten. Zonder kleren is iedereen gelijk. Kleren aandoen is het begin van beschaving. Je geeft jezelf een individualiteit en daarmee een masker. In de versie waar de kabouter de kleertjes wel aantrekt, kan je zeggen dat hij staat hij voor de mens die valt voor de zonde van de hoogmoed. Niet slechts de kabouter, maar de molenaar zelf voelt zich te goed, te mooi om nog slechts molenaar te zijn, hij wil een identiteit voor zichzelf alleen en zich onderscheiden van andere molenaars en zo verliest hij de vaardigheid om helemaal op te gaan in de flow van het arbeidsproces. En zo werden de meeste ambachtslieden productiemedewerkers.. Kyrië is dood Ten laatste bestaat er een sage die uitlegt waarom alle kabouters het land hebben verlaten: Vlakbij Hoogeloon ligt de Kabouterberg. Dit is de belangrijkste woonplaats van het kaboutervolk in Noord-Brabant. Hierin woont ook hun koning Kyrië. Op een kwade dag schoot een jager per ongeluk een kabouter dood. Hij zag nog net hoe deze in een gangetje verdween. Toen weerklonk er een triest geroep uit de berg: ‘Kyrië is dood, Kyrië is dood!’ De jager bleek de koning doodgeschoten te hebben! Deze roep werd herhaalde malen door het hele land gehoord. Zo was er een boer uit Hoogeloon die vlakbij de Kabouterberg aan het uitrusten was. Plots ziet hij een kabouter die hem vriendelijk een pannenkoek toestopt. Vervolgens vraagt het mannetje: ‘Zeg thuis aan Arie dat Kyrië dood is’. Ook al kent de boer geen Arie toch roept hij dit om in zijn huis en een stem weerklinkt: ‘Och arme, is Kyrië dood? Dan moet ik vertrekken!’ Vervolgens vertrekt zijn huiskabouter. Op vele andere plaatsen gebeurt hetzelfde. Een oude man had zich onder een brug verstopt om het kaboutervolk te zien. Die nacht zag hij er honderden of zelfs duizenden over de brug gaan om Kyrië te begraven en om daarna uit het land te trekken. Sindsdien moeten de mensen uit Oost-Brabant al hun werk zelf doen..  In andere sagen wordt gezegd dat de kabouters vertrokken omdat ze niet tegen het gelui van de kerkklokken konden. (9) Kyrië betekent heer. Het is zeer bijzonder dat de koning der kabouters juist die naam heeft. In het gezang ‘Kyrië Eleison’ gaat het om de here Jezus Christus. Andere goden wiens naam ook ‘heer’ betekenen zijn Adonis, Balder en Baäl. Deze zijn te betitelen als vruchtbaarheidsgoden die dood moeten gaan om wedergeboren te worden, om dan het vruchtbare seizoen met zich mee te brengen. Een vierde figuur waar een associatie mee wordt opgeroepen is Pan. De Griekse schrijver Plutarchus (1e Eeuw nC) vertelt hoe er een mysterieuze stem over het water klinkt en aan ene Thamus  de aankondiging had gedaan: ‘De grote Pan is dood’. Hij moest dit vertellen aan de mensen van het eiland Palodes. Toen Thamus dit deed hoorde hij veel geween en gekerm. Vreemd genoeg is Thamus/Tammuz weer een andere god die dood moet gaan om vruchtbaarheid te brengen. (10) Dit lijkt natuurlijk sterk op het kabouter verhaal. Ook de kabouters brengen vruchtbaarheid, dus zal hun koning dit  in nog versterkte mate doen. Hun koning Kyrië had de onderwereld in moeten gaan om weer te herrijzen, maar in plaats daarvan is hij onherroepelijk dood, zoals ook de goden Pan en Balder onherroepelijk dood blijven. Zijn volk moet nu vertrekken. Is de ‘heer’ dood en vertrekken de kabouters omdat het Christendom (en het onuitstaanbare gebeier van de kerkklokken) ze geen plaats meer gunt? Dit is zeker waarschijnlijk te noemen omdat met het verbannen van het Goddelijke naar de verre hemel, er geen goede en zeker geen goddelijke geesten meer in de natuur mochten zijn. Niet in bos en veld en ook niet in huis en erf. Zij vertrokken met de komst van de kerkklokken en de priesters uit het bewustzijn van de mensen. Dit was een uiterst langzaam proces dat begon ten tijde van de aanbidding van de natuurgod Pan en eindigde met de laatst geziene kabouter. 1) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/kabouter Sinninghe, J.R.W. – Oude volksvertellingen 20 2) Blécourt – Verhalen van stad en streek 502, 569 Janssen, B. – Het dansmeisje en de lindepater 148 3) Sinninghe 25 – 26 Wolf – Niederländische sagen (1843) 349 4) Blécourt – Volksverhalen uit Noord-Brabant 60 Sinninghe – Hollandsch sagenboek 23 5) Lecouteux, C. – The tradition of household spirits 90,98 6) Blécourt – Brabant 18 7) Sinninghe – Volksvertellingen 25 Thorpe – Northern mythology 577 en 609 Sinninghe – Gelders Sagenboek 9 8) Wolf 575 http://www.verhalenbank.nl/items/show/9558 Kleding http://www.verhalenbank.nl/items/show/9621 Nieuwe kleding 9) Janssen 164 Blécourt – Verhalen van stad en streek 503 10) Graves, R. – Greek myths Ook interessant: http://www.verhalenbank.nl/items/show/51228 https://archive.org/stream/navorschervolum07unkngoog/navorschervolum07unkngoog_djvu.txt Verder: Een Hollandse sage opgetekend door Cornelis van Alkemade uit het begin van de achttiende eeuw vertelt over een vroedvrouw Kniertje die door een Kaboutermannetje werd verzocht om bij een geboorte te assisteren. Zij werd een blinddoek omgedaan en naar een onderaards verblijf gebracht. Daar hielp ze bij de geboorte van een kabouterkind en werd beloond met een klompje drek wat in haar schort werd gedaan. Ze zag hoe sommige kabouters hun  ogen met iets nattigs uit een potje bestreken en deed dat ook. Vanaf dat moment kon ze altijd de kabouters zien.  Opnieuw werd ze geblinddoekt en naar huis gebracht. Het klompje modder gooide ze weg, maar de ochtend erna merkte ze dat er in haar schort nog wat goudstof zat. Helaas kon ze het klompje niet meer terug vinden.. Als ze op een dag een kabouter appelen ziet stelen probeert ze hem te verklikken, maar alleen zij kan het mannetje zien. De kabouter vraagt haar met welk oog zij hem kan zien en slaat haar op dat oog zodat ze haar hele leven aan één oog blind is. Dit verhaal wordt bijna woordelijk zo vertelt over de elfen in Wales. Toch is dit vrijwel zeker geen literaire adaptatie. In de vroeg achttiende eeuw kende men hier dit verhaal in de Welshe versie nog niet. (Hollandsch sagenboek 22)

 

Powered by 1st-movers.com

Vertelagenda

Deze verteller heeft op dit moment geen evenementen in de Vertelagenda staan.