Abe van der Veen
Abe de Verteller
Verhalen vertellen uit de wereld der Kelten en Vikingen.
Lezingen geven over de symboliek van verhalen.
Verhalende bomenwandeling
Verhalende stadswandeling door Amersfoort.
Utrecht
Abe van der Veen

Over mij

Abe de Verteller 

Verhalen vertellen zit me in het bloed! Eerst tijdens de IVN-jongerenkampen, gezellig rond het kampvuur. Sinds 2004 ben ik professioneel verhalenverteller. Ik vertelde de afgelopen jaren op ontelbare plaatsen: De Elf Fantasy Fair, het Eigentijds festival, het Schots festival, Castlefest, het Archeon, de Dag van het Park en op vele particuliere feesten en bijeenkomsten!

Ik vertel mythen en sprookjes uit de Keltische en Noordse traditie, ridderverhalen, Griekse mythen, Grimmige sprookjes, Nederlandse sagen en nog veel meer. In totaal heb ik meer dan 250 verhalen in mijn repertoire. Al deze verhalen riepen mij en wilden verteld worden, misschien ook bij u?!

Naast de wereld van de verhalen spelen natuur en symboliek een grote rol in mijn leven. Dit uit zich o.a. in het geven van lezingen over symboliek en het doen van bomenwandelingen.

Nu vertel ik verhalen waar en wanneer ik dat maar kan, want vertellen is m´n passie. Ik vertel met expressie en emotie, met mijn hart en mijn handen en met vuur en vlam!

Contact

Abe van der Veen
Man
De heer
A.J.
Abe
van der
Veen
...
06-18035303
Amersfoort

Blog

Abe de Verteller

De verhalenverteller

Heidense godinnen in middeleeuws Europa

vrijdag 16 februari 2018 14:53

Vanaf de instelling van het christendom als enige geautoriseerde godsdienst van de Romeinse staat door keizer Theodosius in 380 AD, verdween het geloof in de heidense goden langzaam, maar zeker uit de Europese samenleving. (1) In de landen die het christendom hadden aangenomen werden andere goden niet getolereerd. Het is daarom erg opmerkelijk om getuigenissen te vinden van het voortbestaan van het geloof in godinnen in Italië, Duitsland, Frankrijk en Engeland gedurende de hele middeleeuwen en later. We vinden ze vooral in boeteboeken, exempels en in bepaalde heksenprocessen. Het wordt in deze bronnen dan wel veroordeeld, maar het is er wel degelijk! Terwijl de grote meerderheid van het gewone volk zich al heeft aangepast aan de wil van de machthebbers en gehoorzaam geloofd aan de drie-eenheid van God de vader, God de zoon en God de heilige geest blijven er tot in de zeventiende eeuw aan toe berichten verschijnen van mensen die niet alleen in een Godin geloven, maar ook met haar mee reizen of in haar gezelschap verkeren! Deze mensen (meestal vrouwen) hoorden dan bij de ‘bonae res’ (de goede dingen), of de ‘(un)hulden’ of de nachtvrouwen, later werden zij vaak heksen genoemd. Een moderne benaming zou extatici zijn, omdat zij de gave bezaten om uit het lichaam te treden en in de geest te reizen. Vaak waren dergelijke mensen in het dagelijkse leven bezig met magische kunsten: zoals onder andere: voorspellen, genezen en verloren en gestolen goed terugvinden. Hieronder geef ik een kort verslag van de belangrijkste bronnen over dit soort mensen en hun godinnen. Daarna geef ik een interpretatie van enkele aspecten van hun geloof en hun gebruiken. Canon Episcopi: rijden met Diana Lyon 1300 Vrouw rijdt op een geit met in haar hand een paddenstoel Zij worden het eerst genoemd in een beroemde Latijnse tekst; de Canon Episcopi. Deze vinden we het eerst in 872 maar kan ook vele jaren ouder zijn. In de versie van Regino van Prüm uit 899 gaat hij – ingekort en vertaald – als volgt: ‘Zekere kwade vrouwen geloven dat zij in de nacht op zekere beesten rijden samen met Diana, godin van de heidenen, en een grote menigte van vrouwen, dat zij grote afstanden afleggen in het holst van de nacht, dat zij de geboden van de godin gehoorzamen alsof zij hun meesteres was, dat zij op bepaalde nachten worden geroepen om haar te bedienen.’ (2) In bekeringsverhalen uit de vijfde tot de achtste eeuw wordt Diana meerdere malen genoemd als de godin van de heidenen. Deze naam zou goed een latinisering kunnen zijn van een godin met een andere, inheemse naam. Dit werd wel vaker door de schrijvende elite gedaan. Wellicht werd gekozen voor Diana omdat zij de enige godin is die in de bijbel in het nieuwe testament wordt genoemd. In ieder geval worden in latere – op de Canon Episcopi gebaseerde – teksten nog veel meer godinnen genoemd, zowel Romeinse als inheemse. De namen die dan – naast Diana – opduiken zijn: Hera, Herodias/Herodiana, Pharaildis/Pharel, Noctiluca, Venus, Fortuna en de Parcen, Dame (H)abonde, Bensozia, Satia, Richella, Dame (H)oriente, Holda/Helt, Bertha/Percht, Selga/Selden/Selige Frauen en Sibilla. (3) Burchard van Worms: rijden met Herodias Pieter Brueghel 1565 Jacobus bij de Tovenaar (detail) Rond het jaar 1000 vertelt Burchard van Worms in zijn ‘Decretum’ vele bijzonderheden over deze vrouwen in het gevolg van Diana: De godin wordt ook Herodias genoemd en haar volk kent men als ‘Holda’. (In latere teksten is dit de naam van de Godin zelf en heet haar volk de ‘(un)holden’.) Deze vrouwen verlieten in de nacht hun huis door gesloten deuren en lieten hun slapende mannen achter. Dit deden zij door middel van ‘andere ledematen’ die door de duivel werden geleverd. Zij doodden, kookten en aten gedoopte mannen op, waarna zij hen weer schijnbaar tot leven lieten komen door ze te vullen met hout en stro. Zij zouden ook ’s nachts in de lucht gevechten houden waarbij zij wonden opdeden en ook wonden toebrachten. Burchard vertelt er niet bij waarom zij dit zo deden. (4) John van Salisbury lijkt hierop een aanvulling te geven wanneer hij in 1080 schrijft dat bepaalde vrouwen claimen dat er een Noctiluca (= schijnt bij nacht) of Herodias of een heksenmeester nachtelijke vergaderingen belegt. Zij vieren dan feest en voeren er andere riten op. Sommigen worden er gestraft en anderen beloont naar hun waarde. Verder worden er kinderen aan ‘lamia’s’ gepresenteerd, zij worden dan in stukken gesneden en opgegeten. Vervolgens – door de genade van de heksenmeester – worden zij levend en wel terug gebracht naar hun wiegen. Dit zou het vervolg kunnen zijn van de nachtelijke ronddolingen waarvan al sprake was in de ‘Canon Episcopi’. In deze vroege bron vinden we de kiem voor de beschrijving van de heksensabbat zo die gemeengoed wordt in de zestiende eeuw. (5) Urs Graf 1520 – Das wilde Heir Tegelijk heeft deze nachtelijke tocht veel overeenkomsten met de sage van de ‘Wilde Jacht’: Johannes Herolt uit Neurenberg noemt in 1418 het gevolg van Diana een ‘leger’. Dit woord betekent hier ‘menigte’ Dit maakt het een van de vroegste identificaties met de Wilde jacht of het wilde heir. Deze groep van dolende geesten wordt gezien tijdens de twaalf heilige nachten van de kersttijd. Herolt noemt Diana ook Berthe of Helt (Holda). Deze twee figuren komen ook in latere sagen voor als aanvoerders van de Wilde Jacht. (6)         Het dekken van de tafel voor de Godin Rubens – Abundia Hiernaast is er nog een ander gegeven wat steevast in verband wordt gebracht met de Godin: dit gaat om het geloof in een bezoek van de Godin en haar gevolg in de huizen op speciale tijden en vooral in de midwinterdagen. Op deze dagen dekt de familie ’s nachts opnieuw de tafel voor haar. Een eerste vermelding – in combinatie met een godin – vinden we bij Caesarius van Arles in 543 waarin hij verbiedt om op de eerste dag van januari een gedekte tafel klaar te zetten voor Fortuna of de ‘drie zusters’. Hij vertelt erbij dat men geloofde dat de Godin hen dit honderdvoudig zou belonen. Ook Burchard van Worms noemt dit gebruik om eten samen met drie messen achter te laten en zegt dat het voor de Parcen (de drie schikgodinnen) is. (7) In 1249 zegt de Fransman Willem van Auvergne dat Satia (dit betekent verzadiging) met haar gezelschap naar de huizen komt in de nacht. Zij wordt ook Dame Abonde genoemd vanwege de overvloed die zij geeft. Deze dames eten van het voedsel en de drank die zij vinden zonder hun kwantiteit te verminderen, vooral als de borden en bekers onbedekt gelaten zijn. Zij brengen dan overvloed en voorspoed aan het huis. Als zij ze bedekt vinden dan zullen de ‘dames’ juist ongeluk brengen. De Roman de la Rose uit ca. 1270 vertelt dat er mensen zijn die geloven dat zij een soort van heksen zijn (estries) die dwalen door de nacht met dame Abonde. Zij zeggen dat één op de drie kinderen deze conditie heeft en drie nachten in de week voortgaan, zij kunnen door elk gaatje gaan, hun ziel verlaat hun lichaam en zij vergezellen dan de ‘goede vrouwen’ naar andere plaatsen en huizen, terwijl hun lichaam in bed blijft. (8) Nog in de tweede helft van de zestiende eeuw wordt iets vergelijkbaars gezegd door Renward Cysat uit Lucerne (Zwitserland): ‘Het wordt gezegd dat de ‘salige lütt’ (zalige luiden) en de ‘guottisheer’ (ws. het wilde heir), bestaan uit zielen van mensen die voortijdig dood zijn gegaan en daarom moeten rond dolen tot de tijd die het lot eigenlijk voor hun dood had bepaald. Zij zijn vriendelijk en betreden de huizen om daar te koken en eten, maar de hoeveelheid voedsel vermindert niet. Sommigen denken dat levende mannen en vrouwen hen vergezellen en hun maaltijden delen om zo tot groter geluk te komen.’ Hij noemt in zijn relaas echter de godin niet meer. (9) De Godin Oriente Hans Weiditz 1518 – Hexe im ihren garten In een proces uit 1390 in Milaan bekennen twee vrouwen dat ze met Diana meegaan en dat ook zij bepaalde huizen binnen gaan, waar zij eten en drinken. Als het een proper huis is wordt het gezegend. De godin wordt door de ondervrager Diana of Herodias genoemd, maar uit hun getuigenissen blijkt dat ze Dame Oriente of Horiente heet. Als leden van het gezelschap leren zij van Oriente te genezen met kruiden en andere geneeswijzen, hoe gestolen dingen terug te vinden en hoe betoveringen ongedaan te maken. Ook kunnen ze met behulp van Oriente de toekomst en verborgen dingen voorspellen. Er behoorden ook dode mensen tot haar gezelschap; er waren gehangenen en onthoofden die mee gingen. Het is ook interessant te noemen dat het gezelschap van Dame Oriente dieren kon slachten en opeten om ze vervolgens weer tot leven te wekken. Dit deden ze door de beenderen te verzamelen in de huid van het geslachte dier. (10) Nog in 1525 vertelt een vrouw uit Tirol genaamd Wyprat Musin, dat ze tijdens de quatertemperdagen – bezinningsdagen die samenvallen met het begin van de vier seizoenen – een grote menigte zag met aan het hoofd vrouw Selga de zus van vrouw Venus.  Musin werd verplicht om mee te doen aan de processies van vrouw Selga. In die optocht liepen ook de zielen uit het vagevuur mee en zelfs de verdoemden uit de hel. Deze vrouw kon in een kom de mensen zien die dat jaar zouden sterven en vrouw Selga vertelde haar waar verborgen schatten lagen. Ook hier leert een vrouw de magische kunsten van een godin. (11) De Venusberg Vaak werden ontmoetingen met een dodenleger of een dodenoptocht door de clerici geassocieerd met het vagevuur. In de late middeleeuwen wordt het vagevuur een specifieke plaats. Een op aarde ronddolende ziel kon dus niet meer tegelijkertijd in het vagevuur zijn. (12) In die periode zien we voor het eerst het geloof in een Venusberg in de geschriften tevoorschijn komen: Nider noemt deze al vòòr 1437 in zijn Formicarius en in 1544 schrijft Crusius Clerici uit Schwaben over vaganten (gesjeesde, rond zwervende studenten) die beweerden in de Venusberg te zijn geweest. Zij claimden dat zij hierdoor verleden en toekomst kenden, verloren voorwerpen terug konden vinden en bescherming konden brengen tegen hekserij en hagel. Ze konden ook de woeste heerschare van extatici, ongedoopte kinderen en mannen gestorven in de oorlog oproepen. Ze konden zelfs de prijzen van bepaalde producten doen stijgen. Dit bleven ze beweren in getuigenissen uit 1576 en 1600. Vervolgens beweerden leden van de Johannesbroederschap nog hetzelfde in 1694. Ze hadden de zielen van de doden gezien op de Venusberg. (13) August von Heck – Tannhäuser im Venusberg Ook de tovenaar Diel Bruell uit Hessen was in de geest op de Venusberg geweest, volgens zijn getuigenis uit 1630. Vrouw Holle had hem in een kom water zielen laten zien. Hij was een ‘nachtfahr’ (nachtrijder) en hij hoorde bij de nachtelijke schare. Als hij tijdens de quatertemper naar de Venusberg ging zou er dat jaar een overvloedige oogst zijn. (14) De Venusberg wordt door de kerk afgedaan als een fabel. Wellicht was het voor het gewone volk een alternatief voor het Vagevuur. Deze bronnen kunnen nog met tientallen andere voorbeelden worden aangevuld, maar om herhaling te voorkomen laat ik het hierbij. De nieuwsgierigen kunnen na de noten vele citaten en uittreksels lezen uit diverse primaire bronnen uit de vierde tot en met de zeventiende eeuw. Extatici Hans Baldung Grien 1514 – Vertrek voor de sabbat Voor degenen die nog geloofden in een Godin stond er veel op het spel. Als hun geloof en mogelijk aanbidding uitkwam dan kon dit de doodstraf wegens duivelaanbidding betekenen. Uit de bronnen kunnen we nu zien dat er één bepaalde categorie hardnekkig door bleef geloven. Dit is de groep die destijds heksen en tovenaars werden genoemd en die we nu extatici of magisch specialisten zouden noemen. Hiernaast moeten we ook de cliëntèle van deze mensen noemen. Deze werden niet snel voor het gerecht gebracht, maar zondigden wel in sterke mate. Dat zij uit hun lichaam konden treden blijkt op diverse manieren uit de teksten. Burchard zegt dat zij met ‘andere ledematen’ konden reizen. Tegenwoordig wordt dit het ‘dubbel’ of het alter ego genoemd. (15) Zo konden zij door gesloten deuren gaan of door kieren en sleutelgaten naar buiten gaan. Fysiek is dit onmogelijk, zij deden dit derhalve in de geest. Deze groep wordt als behoorlijk groot verondersteld: De Roman de la Rose heeft het over één op de drie kinderen die dwalen met Habonde en een twaalfde-eeuwse tekst beweert dat één op de drie mensen dienaren zijn van Herodias. (16) Ook al zou dit schromelijk overdreven zijn dan nog bewijst dit een continuïteit in de beoefening van extasetechnieken door een substantiële groep. De belangrijkste reden voor hun hardnekkigheid zou er in kunnen liggen dat zij meenden dat zij de kunsten – waar zij voor hun bestaan van afhankelijk waren – alleen konden leren van de Godin. En deze konden zij alleen ontmoeten door in extase te gaan. De teksten spreken ervan dat zij van de Godin leerden om de toekomst te voorspellen, zielen in het vagevuur te zien, te genezen met kruiden en konden helpen met het vinden van gestolen en verloren voorwerpen. Dit zijn stuk voor stuk taken die een bepaalde mate van inzicht vereisen in de geestelijke wereld die alleen via extase of trance te bereiken valt. Eten en drinken zonder de voorraad te doen slinken Baldung Grien 1510 – Heksensabbat Mogelijk was er dan nog een verborgen zwart magisch belang. Door mee te gaan konden zij delen in de energetische buit van het ‘opeten’ van eten, drank/ wijn, dieren, mannen en kinderen. Elke keer wordt bij dit gebeuren benadrukt dat dit eten niet betekende dat het voedsel werkelijk verdwenen was of dat het dier of de mens werkelijk dood was. De volgende ochtend was het peil in de wijnvaten niet gezakt en de gedode mensen stonden levend en wel weer op. Dit lijkt een paradox, maar het eten in de geest zal eerder gaan om het opnemen van de ‘essentie’, van de ‘levenskracht’ of de energie van het geofferde of van de levende ziel. Dit lijkt zeker in eerste blik op vampirisme en zwarte magie, maar in het geval van het eten en drinken weten we dat dit om een offer ging en dat dit zegen bracht. Als de Godin het offer in dankbaarheid aanvaarde zou zij honderdvoudig zegen brengen en de aanwezigheid van levende extatici zou die zegen alleen maar verder vergroten! Waarschijnlijk geld dit ook voor het geslachte dier van Dame Oriente dat opnieuw tot leven komt. Dit zou dan mogelijk ook oorspronkelijk de bedoeling kunnen zijn geweest bij het eten van de mannen en de kindertjes. Zij verliezen die nacht hun energie, ze zijn leeg van binnen, maar daardoor verbonden aan de Godin die ze het honderdvoudig zal vergoeden! En wellicht is er ook misbruik gemaakt van de macht om in de geest te kunnen gaan en zich te kunnen verbinden met de energie van anderen. Mogelijk leidde dit zo nu en dan ook tot energetisch vampirisme. In de folklore wordt dit verschijnsel ook de ‘nachtmare’ genoemd. Tijdens de periode van de heksenvervolgingen blijven de beschuldigingen van kannibalisme staan, maar dan worden ze fysiek gemaakt en is van wederopstanding geen sprake. Overvloed en zegen door de Godin Dürer 1497 – Vier heksen In de teksten beweerden de extatici juist dat zij het huis dat zij bezochten zegen en vruchtbaarheid brachten door daar te eten en te drinken. Alleen een ongastvrij huis kon op ongeluk rekenen. Op allerlei wijzen blijkt dat de gewone mensen een bezoek van de godin en haar gevolg zagen als een eer en een geluk. Het bezoek zou zegen aan en overvloed in het huis brengen. Dit is al af te lezen aan de benaming van enkele godinnen: Satia brengt verzadiging, Abundia brengt overvloed en Richella brengt rijkdom. In de vroegste bronnen werd de tafel gedekt voor Fortuna of de Parcen. Hier zijn het de beschikkers van het ‘lot’ die ontvangen worden. De levende extatici die meededen aan dit bezoek hielpen zo de mensen om hun lot een gunstige wending te geven. Je zou kunnen zeggen dat het offer van spijs en drank een opening, een uitreiking is naar de Godin om zich met hen te verbinden. De Godin staat hier dan voor een bewuste krachtbron waar het huishouden onderdeel van uit wil maken. Als de Godin het offer aanvaard door het te nuttigen dan is er voor het komende jaar een zuivere verbinding met deze grote numineuze kracht die voorspoed zal brengen aan het huis. Conclusie We zullen nooit weten hoeveel mensen er in het middeleeuwse en vroegmoderne Europa waren die nog geloofden in heidense goden en godinnen, daarvoor is het bronnenmateriaal te karig en te eenzijdig. Toch is het duidelijk dat zij er waren en aannemelijk dat dit ook ging om een sterke onderstroom die niet makkelijk uit te roeien was. Het ging bij deze godinnenaanbidders voornamelijk om magisch specialisten en extatici. Degenen die men toen destijds tovenaars of heksen zou noemen en daarnaast om degenen die van hun diensten gebruik maakten. Frans Francken 1610 – Heksenkeuken (detail) Langzaam maar zeker nam hun getal en invloed af. In extase gaan werd door de kerk en de machthebbers doodgezwegen, belachelijk gemaakt of verboden en gedemoniseerd. De kerk zorgde er op deze manier voor dat een ander bewustzijnsniveau betreden gelijk stond aan duivelaanbidding of begoocheling (al dan niet door demonen). Hetzelfde gold voor de praktische toepassingen die het ‘in de geest gaan’ had. Ook dit was duivelskunst en dus verboden. Toch bleven mensen eeuwenlang extatische technieken beoefenen in Europa. Zij konden het bij zichzelf niet tegengaan of de verleiding om het te doen was te groot. Dit betekende ook dat het geloof in de Godin heel lang is blijven bestaan in het middeleeuwse en vroegmoderne Europa. Zolang er mensen zijn die het lichaam achter kunnen laten om in de geest te gaan, zullen er ervaringen zijn van een grootse vrouwelijke aanwezigheid die alleen maar te benoemen is als Godin! Scroll vooral ook even naar beneden voor de bloemlezing met 69 verschillende voorbeelden van Godinnenverering in de periode 500-1700! Abe van der Veen https://en.wikipedia.org/wiki/State_church_of_the_Roman_Empire Schmitt – Bijgeloof in de middeleeuwen 61 Handelingen 19:41-44 Russell, J. – Witchcraft in the Middle ages 49 Diana komt van dius en dium en betekent dan ‘de lichtende van de hemel’, net als Noctiluca ‘zij die schijnt bij nacht’ kan je hierbij denken aan de maan, ook al is dit zeker niet haar enige connotatie. http://www.stregheria.com/Herodias.html Ook Bertha/Percht betekent de glanzende mogelijk weer refererend naar de maan. Herodias wordt meestal uitgelegd als de bijbelse vrouw of dochter van Herodes, Ginzburg denkt dat het om een conflatie gaat van Diana en Hera. Venus komt van wensen of verlangen. Dame Oriente is de vrouwe van het Oosten. Dit is de plek van de dageraad en de ochtendster geassocieerd met Aurora en ook Venus. Richella, Satia en Abundia staan allen voor rijkdom en overvloed. Ben Sozia betekent goed gezelschap, Bensozia wordt daarmee de leidster van het goede gezelschap. Selga/ Selden gaat om de godin die zaligheid geeft of zelf zalig/zuiver is. Sibilla als laatste is ook bekend als waarzegster/orakelpriesteres uit de Oudheid, dit is een kunst die zij overdraagt op haar volgelingen. Lecouteux, C. – Phantom armies of the night 10 Ginzburg, C. – Ecstasies 90 Lecouteux 13 Baroja, J. – The world of the witches 62 Ginzburg 101 Janssen, L. – Nicolaas, de duivel en de doden 125 Janssen 120 Ginzburg 105 Lecouteux 12-14 Lecouteux 23 Ginzburg 93 en 246 Het verzamelen van de beenderen van een geslacht dier om dan dmv een ritueel het dier weer tot leven te wekken komen we op diverse plaatsen tegen. We zien het zowel in de Edda, in Sjamaanse praktijk en in een versie van het sprookje van Assepoester. In een 18e eeuws verslag uit Lapland vertelt de priester dat het verzamelen van de beenderen en het offeren aan hun god Horagalles ervoor zorgt dat de dieren erna nog sterker tevoorschijn zullen komen. Ginzburg, C. – De benandanti 85 Schmitt 140 Zika, C. – Exorcising our demons 365-367 Ginzburg – Benandanti 75 Ginzburg – Benandanti 92 De extaticus kon meewerken aan de vruchtbaarheid en de voorspoed in zijn gemeenschap. Hij voelde daar mogelijk zelfs een verantwoordelijkheid in. Dit gebeurde enerzijds door mee te gaan met de nachtelijke bezoeken van de Godin en anderzijds mogelijk ook door nachtelijke vechtpartijen in de geest. Van dit laatste hebben we maar een paar aanwijzingen: Burchard van Worms vermeld dat de vrouwen in het gevolg van Diana ’s nachts in de lucht gevechten hielden al vermeld hij niet waarom. De tovenaar Diel Bruell beweert dat men nadat hij in de Venusberg is geweest verzekert zal zijn van een overvloedige oogst. De benandanti uit Friuli (Noord-Italië) beweren dat zij uit hun lichaam treden en dan in de geest vechten met malandanti, kwade tovenaars om de oogst. Als de benandanti winnen zal er een goede oogst zijn. Een benandante uit 1619 – Maria Panzona uit Latisana  – vertelt dat zij in de geest, gezeten op een dier, naar het ‘dal van Josafat’ ging en daar door het hoofd te buigen eerbied betoonde aan een majesteitelijke vrouw genaamd de abdis. Zo zijn er dus een paar aanwijzingen te vinden die het mogelijk maken om te speculeren dat het vechten om een goede oogst een gebruik was wat op verschillende plaatsen en tijden in Europa voorkwam. De historici Lecouteux en Ginzburg zijn de grootste exponenten van deze theorie. Lecouteux 9-10 Lecouteux 12 Dit is het Zuid-Nederlandse fabeldicht Ysengrimus. http://www.dbnl.org/tekst/_yse001ysen02_01/_yse001ysen02_01_0002.php?q=pharaildis#hl6 Bloemlezing van middeleeuwse bronnen met Godinnen: Begin 5e eeuw Maximus van Turijn een boer wil zichzelf mutileren in naam van de Godin (wellicht Cybele)  hij wordt vergeleken met een dianaticus, een waarzegger oftewel iemand die de toekomst kan voorspellen. 103 Voor 543 Ceasarius van Arles verbiedt de naam van Diana aan te roepen. Hij had bij een meisje een demon uitgedreven die de boeren ‘Diana’ noemden.  Janssen 119 Hij verbiedt ook om op de kalenden van Januari een gedekte tafel klaar te zetten voor Fortuna of de ‘drie zusters’. Deze zouden dit dan honderdvoudig vergelden. Janssen 120 2e helft 6e nC Gregorius van Tours spreekt van een standbeeld van Diana aanbeden bij Trier, dat door een monnik wordt neergehaald. 104 Voor 580 Martinus van Braga hekelt onwetende mensen die in de bossen diana’s aanroepen. Janssen 119 Dit is in in Noordwest Spanje Baroja 65 Mogelijk gaat het hier om de Keltische godin Di Ana Rond 585 vestigde de uit Lombardije afkomstige diaken Walfroy (* ca. 565 – † ca. 600) zich op de aan Arduinna gewijde heuvel bij de Franse plaats Margut en bracht daar, zittend op een pilaar (als enige westerse pilaarheilige), in navolging van de door hem bewonderde Sint-Martinus de christelijke leer in praktijk en deed de streekbewoners de heidense cultus rond Arduinna afzweren. Zij wordt gelijkgesteld met Diana. De verering van de Tria fata/ de drie feeën wordt door Procopius (voor 562) en Isidorus van Sevilla (voor 636) genoemd. Janssen 120 7e E st Cilianus wil Franconia bekeren, maar zij doen hommage aan de ‘grote Diana’. 104 Voor 675 ten tijde van sint Amand waren er in de Ardennen heidenen die een godin Diana of Arduinna vereerden Janssen 120 899 Regino van Prüm Dat zij in de nacht op zekere beesten rijden samen met Diana, godin van de heidenen, en een grote menigte van vrouwen, dat zij grote afstanden afleggen in het holst van de nacht, dat zij de geboden van de godin gehoorzamen alsof zij hun meesteres was, dat zij op bepaalde nachten worden geroepen om haar te bedienen. 90 Deze tekst wordt de ‘Canon Episcopi’ genoemd. Staat het eerste in de capitularieën van Karel de kale uit 872 Rond 1000 herhaald Burchard, de bisschop van Worms deze canon. Hij voegt aan de naam van Diana die van Herodias/Herodiade toe. 90 Burchard voegt er in zijn ‘Decretum’ en vooral in het negentiende deel daarvan; de ‘Corrector’(1008-1012) nog aan toe: sommige vrouwen beweerden dat zij op zekere nachten gedwongen waren om een zwerm demonen in de vorm van vrouwen te volgen die het volk ‘holda’ noemt. Zij gingen door gesloten deuren en lieten hun slapende mannen achter. Zij doodden, kookten en aten gedoopte mannen, waarna zij hen weer schijnbaar tot leven lieten komen door ze te vullen met hout en stro.  Zij zouden ook s nachts in de lucht gevechten houden. 90 Burchard Geloof je dat in de stilte van de nacht na naar bed te zijn gegaan je je huis kunt verlaten ofschoon alle deuren gesloten zijn en over grote afstanden kunt reizen en mensen kunt doden zonder zichtbare wapen? Janssen 114 Heb je geloofd, dat door middel van andere ledematen – jou door de duivel geleverd – je in de nacht door gesloten deuren bent gegaan om in de wolken te vliegen en daar strijd hebt geleverd waarbij je wonden hebt opgedaan en wonden hebt toegebracht? Lecouteux 10 Heb je geloofd dat er vrouwen zijn die uit noodzaak of vanwege een bevel van Holda – met een bende duivels getransformeerd in de vorm van vrouwen – in speciale nachten op beesten moeten rijden en daarmee horen bij een gezelschap van demonen? Lecouteux 10 Geloof je er in dat er vrouwen zijn die – zoals het volk genaamd Holda – ’s nachts rijden op dieren in het gezelschap van duivels die in vrouwen zijn veranderd Baroja 61 Volgens Burchard van Worms zijn er volgers van de godin die geloven dat zij onderdeel uitmaken van een imaginaire gemeenschap (degenen die olv Diana vliegen in de nacht) en die daarvoor ook nieuwe volgelingen proberen te vinden. Zij doen dat niet uit vrije wil, maar worden daartoe gedwongen. Ginz 90 Burchard: Verder laat het volk op bepaalde nachten eten achter samen met drie messen voor drie (onbenoemde) godinnen, die Burchard identificeert met de Parcen. Ginz 105 Deze Diana zou mogelijk een latinisering van Epona zijn Ginz104 John van Salisbury voor 1180 Men gelooft dat Noctiluca of Herodias – die optreedt als koningin van de nacht – oproept tot nachtelijke bijeenkomsten waarbij gesmuld wordt en allerlei losbandigheid plaatsvindt. Janssen 114 Baroja 62 Zij claimen dat een Noctiluca (= schijnt bij nacht) of Herodias of een heksenmeester van de nacht nachtelijke vergaderingen belegt. Daarin vieren zij feesten en voeren er andere riten op. Sommigen worden er gestraft en anderen beloont naar hun waarde. Verder worden er kinderen aan ‘lamia’s’ gepresenteerd, zij lijken in stukken te worden gesneden en opgegeten. Vervolgens door de genade van de heksenmeester worden zij terug gebracht naar hun wiegen. Dit is demonische illusie. Alleen oude vrouwen en simpele lieden kunnen hierin geloven. Lecouteux 13 12e e Ysengrimus van Nivardus: Pharaildis of Herodias werd afgewezen door Johannes de Doper. Zijn afgehouwen hoofd blies een wervelwind naar haar, waardoor zij weg werd geblazen door een opening in het dak. Sindsdien zwerft zij door de lucht. Zij wordt door een derde van de wereld gediend, zij rust in de tweede helft van de nacht in eiken en hazelaars. (Dit laatste maakt haar gelijk aan de nachtmare die in eiken en hazelaars de maretak achterlaat..) Lecouteux 12 ‘Ze omhelsde het binnengebrachte hoofd met haar zachte armen, overgoot het met tranen en wilde het met kussen overdekken. Op het moment dat ze het probeerde te kussen, deinsde het hoofd terug en blies naar haar en in de wervelwind die zijn blazen had veroorzaakt, verdween ze door de dakopening van het paleis. Sindsdien drijft de al te wraakzuchtige, blazende toorn van Johannes haar voort door de lege ruimte van de hemel. Dood vervolgt hij het ongelukkige meisje dat hij tijdens zijn leven niet had bemind. Maar het lot liet niet toe dat ze geheel en al stierf. Verering verlicht haar verdriet en eerbied vermindert haar straf, want een derde deel van de mensheid dient deze bedroefde vrouwe. Vanaf de tweede helft van de nacht tot het eerste gekraai van de zwarte haan zit ze in eiken en hazelaars. Nu is haar naam Pharaïldis, vroeger was dat Herodias, een danseres die voor noch na haar leven haar gelijke kende.’ http://www.dbnl.org/tekst/_yse001ysen02_01/_yse001ysen02_01_0002.php?q=pharaildis#hl6 Eind 12e eeuw Hartmann von Aue noemt Feimurgân oftewel Morgaine een godin, ze kan reizen door alle vier elementen en heeft zo de hele aarde al doorkruist. Ze kan zichzelf en anderen veranderen in dieren en heeft kennis van alle kruiden. Ook Gerald van Wales (eind 12e e) noemt haar een soort van godin. Ook in de Vulgaat cyclus wordt gezegd dat het gewone volk meende dat ze een godin was en in ‘Gawain and the green knight’ wordt ze een godin genoemd. Ook Merlijn werd door het volk gezien als een god. Larrington – King Arthur’s enchantresses 11-13 William van Auvergne uit Parijs voor 1249: De godin Abundia of Satia zwerft door huizen en kelders samen met haar volgelingen en eet en drinkt wat ze daar vindt.  Dit is daar als offergave achtergelaten. Als ze dit vindt brengt ze bescherming en voorspoed en anders ontzegt ze juist haar bescherming.  At night the dominae enter houses where offerings have been set out for them. They eat and drink from the vessels, but the contents are undiminished.[7] If they are pleased, they bring prosperity and fertility. Willem van Auvergne: De geest Satia (betekent verzadiging) komt in de vorm van een vrouw en in gezelschap naar huizen in de nacht. Zij heet ook Dame Abonde vanwege de overvloed die zij geeft of ‘de dames’ ‘dominae’. Deze dames consumeren het voedsel en de drank die zij vinden zonder hun kwantiteit te verminderen vooral als de borden en bekers niet bedekt, maar open gelaten zijn. Als zij ze bedekt vinden dan zullen de ‘dames’ ongeluk brengen, maar anders juist overvloed. Lecouteux 14 Volgens Lecouteux wordt deze geest in Duitsland Percht of Perchta genoemd. ca. 1230-1260 Stephen van Bourbon vertelt  over oude vrouwen die valselijk geloven dat zij op stokken vliegen met Diana en Herodias. Zij noemen zichzelf de Bonae res en vergaderen ’s nachts om deze godinnen te aanbidden. Vervolgens noemt hij het exemplum van een maskerade bij Besancon (Zuid-Frankrijk) van jongens die zich vermomden als vrouwen om zo de Bonae res voor te stellen (de goede dingen). Zij drongen het huis binnen van een rijke boer en namen daar van alles weg onder het gezang ‘een nemen, honderd geven’. Hij zij tegen zijn vrouw: hou je stil en doe je ogen dicht want het zijn de Bonae res die ons bezit zullen verhonderdvoudigen! In een ander verhaal vertelt hij dat een oude vrouw in een nachtelijke tocht samen met de Bonae res (het gevolg van Diana en Herodias) het huis van een priester binnen was gedrongen. Zij vertelde dat als zij zijn naaktheid niet had bedekt, dat hij dan door Diana en Herodias dood gegeseld zou zijn. Hij nam het haar niet in dank af en noemde haar dwaas en een heks. Hij geloofde niet dat zij door gesloten deuren kon gaan en probeerde dat te bewijzen door haar op te sluiten in een kamer. (Russell 156-157, Janssen 115, baroja 63) De vrouwen die ’s nachts reizen met Diana  worden bonae mulieres, goede vrouwen genoemd of bona societas, goed gezelschap of de nachtvrouwen.. Janssen 114 Ze hebben de door het lot opgelegde verplichting om te zorgen voor voorspoed en overvloed. NB 73 1236-1250 “In nocte nativitatis Christi ponunt regina celi quam dominam Holdam vulgus appelat, ut eas ipsa adiuvet.” ‘In de kerstnacht wordt de tafel gedekt voor de ‘koningin van de hemel’, die het volk Frau Holda noemt, zodat zij hen moge helpen.’ Dit wordt in een tabel met bijgelovigheden gezegd door Rudolph, een Cisterciënzer monnik. https://en.wikipedia.org/wiki/Holda Vincent van Beavais ca 1250 voegde aan Diana en Herodias andere personen toe die de vrouwen ‘goede dingen’ Bonae res, noemen. 1254 Legenda Aurea over st Germain van Auxerre Hij zag hoe er voor een tweede maaltijd werd gedekt. Dit was voor de ‘goede vrouwen’ die ’s nachts rondlopen. St Germain bleef die nacht achter en zag een horde duivels arriveren in de vorm van mannen en vrouwen die na inspectie gewoon in bed bleken te liggen. Het was dus een duivelse illusie. Baroja 64 Ca 1270 Roman de la Rose – Jean de Meun:  Habonde bezoekt met haar gevolg de ‘bonnes dames’ in de nachten de huizen waar men schalen met voedsel voor haar heeft klaargelegd, die nooit leeg raken. Als ze welwillend is, brengt ze voorspoed en vruchtbaarheid. Zij die als derde geboren zijn, gaan drie keer in de week mee met dame Habonde naar het huis van de buren, ze gaan door spleten en sleutelgaten, geen deur houdt hen tegen, want hun ziel verlaat het lichaam. Veel mensen worden door hun zinnen bedrogen en geloven dat zij heksen zijn (estries) die dwalen door de nacht met dame Abonde. En zij zeggen dat een van de drie kinderen deze conditie heeft en drie nachten in de week voortgaan, zij kunnen door elk gaatje gaan, hun ziel verlaat hun lichaam en zij vergezellen de ‘goede vrouwen’ naar andere plaatsen en huizen, terwijl hun lichaam in bed blijft. Lecouteux 12 Berthold van Regensburg voor 1272 De goede vrouwen die ‘saligen fraülein’ worden genoemd. Voor hun worden spijzen op tafel achtergelaten bij het open venster. http://kunstmuseum-hamburg.de/deutsche-mythologie-die-elfischen-geister-waldgeister/ Je moet niet geloven in het volk dat zwerft in de nacht (nahtwarren), nog in de welwillenden (hulden) of de kwaadwillenden (unhulden), niet in elfen (Pilwitzen), in nachtmerries (maren, truten) of in de vrouwen van de nacht (‘nahtvrouwen’). Het zijn allen demonen. Noch moet je de tafel dekken voor de gezegende vrouwen ‘felices dominae’. Lecouteux 15 Adam de la Halle 1276 toneelstuk Jeu de la Feuillée: De drie feeën verschijnen in de nacht van 1 mei. De tafel is voor hen gedekt. Een van hen is boos omdat er een mes ontbreekt, (voor haar is niet gedekt) Twee Morgue en Arsile, spreken goede wensen uit als beloning voor de gastheer, de derde Maglore schenkt een kale kop en domheid. Ook het nachtvolk dwz Herlequin en zijn aanhang spelen een rol in het stuk, het zijn een soort van duivels. Janssen 120 In een canon gemodelleerd naar de Canon Episcopi uit 1280 in de Ariège regio wordt de godin Bensozia genoemd (mogelijk bona socia, goed gezelschap of goede buur)  Ginzburg 100 Eind 13e eeuw Jacobus de Voragine Legenda aurea: verzoenende gaven aan de ‘goede vrouwen’ die ’s nachts voortlopen NB 76 1310 In de vergadering van Trier worden Diana en Herodiana genoemd. Verder komen nog Perchta en Holda als godin voor in Middeleeuwse teksten. Het zou kunnen dat de naam Diana een latinisering is voor godinnen met een lokale benaming. Ginzburg 91 1313 Giovanni de Matociis van Verona in zijn historia Imperiales schrijft dat vele leken geloven in een nachtelijk genootschap met aan het hoofd Diana of Herodias. In 1319 verklaard de Kathaarse ketter Arnaud Gélis dat hij ’s nachts meeging met de ‘bonae res’ oftewel de ‘goede vrouwen’, dit zijn zielen van overledenen, waarbij zij soms huizen binnen gingen en daar de wijn dronken. Het waren voorname vrouwen die in koetsen rondgaan zowel in leven als in dood, alleen na de dood werden de koetsen voortgetrokken door demonen. Schmitt 146 1320 Fasciculus morum uit Engeland:  Personen die zeggen dat zij s nachts koninginnen en andere vrouwen zien rondlopen met Diana en de dans leiden met de godin van de heidenen, die hier bij het volk elfen worden genoemd. Dat ze mensen in andere vormen kunnen veranderen en meenemen naar ‘Elveland’ waar nu kampioenen als Wade en Onewone zouden wonen. Het is allemaal Duivelswerk. Russell 175 Ca. 1350 een tekst ‘Spiegel van de ziel’ Zij zondigen die in de nacht van Epiphanie, voedsel en drank op de tafel laten staan zodat er volgend jaar geluk zal zijn voor hen. Zij zondigen die voedsel geven aan Percht en rode slakken (of schoenen) aan de ‘scrat’ of aan de nachtmerrie. Lecouteux 16 Raoul de Presles voor 1383 noemt het leger van Herlequin, Dame Abonde en de feeën in één zin. Janssen 127 1390 Milaan een vrouw genaamd Sibillia bekent dat zij naar ‘het spel van Diana’ gaat, die zij Herodias noemen. Ook Pierina de Bugatis bekent hetzelfde. De processtukken van deze vrouwen laten zien dat zij haar alleen maar benoemen als ‘madona Horiente’. Haar inquisiteur maakt er dus Diana of Herodias van. Sibillia ging elke donderdag naar het gezelschap van Oriente. Zij deed hommage aan Oriente. Zij boog haar hoofd en zij ‘het gaat u goed, Madona horiente.  Zij antwoordde: welkom mijn dochters. Alle dieren communiceren ook met het genootschap. Oriente kon voor het gezelschap de toekomst en verborgen dingen voorspellen. Sibillia gebruikte deze informatie weer voor mensen die bij haar kwamen. Pierina voegt nog toe dat dode mensen zoals gehangenen en onthoofden ook bij het gezelschap van Oriente horen. Het genootschap bezoekt de huizen van met name welgestelden, daar eten en drinken zij, als de huizen proper zijn dan worden zij door Oriente gezegend. De leden van het gezelschap leren van Oriente te genezen met kruiden en andere geneeswijzen, hoe gestolen dingen terug te vinden, hoe betoveringen ongedaan te maken. Dit alles is geheim. Zij kan dode beesten weer tot leven brengen. Soms slachten ze een os en aten het vlees, ze bewaarden de botten en deden die in de huid van het beest. Oriente gaf een tik met haar staf en het beest kwam weer tot leven. Pierina gaf zich later aan een geest genaamd ‘Lucifello’ Ginz 93 14e eeuw In het ridderverhaal uit midden-Engeland ‘Gawain en de groene ridder’ wordt Morgaine een godin genoemd. 1418 Johannes Herolt uit Neurenberg noemt nog als synoniemen voor Diana (in de canon) Unholde, die selige frauen,  frau Berthe en frau Helt. Zij gaat door de nacht met haar leger over grote afstanden. Diana als frawen unholdi. Haar gevolg wordt een leger genoemd, wat het een van de vroegste identificaties maakt met de Wilde jacht. Het speelt zich af tijdens de 12 nachten Ginz 101 Janssen 125 [Ginz koppelt dit aan Perchta en Holda als aanvoerders van de wilde jacht en Wotan en Odin noemt hij als aanvoerders.] 1431 Jeanne d’Arc wordt gevraagd of ze iets wist over diegenen die met de elfen door de lucht reisden. Zij wist dat dit op donderdagen gebeurde en slechts toverij was. Zij werd ervan beschuldigd met de feeën te hebben gedanst en ze te hebben aanbeden. Janssen 121 Nider noemt (voor 1437) als bijgelovige daad mensen die geloven dat zij naar de samenkomst van Herodias of Venus mee zijn gegaan. Vervolgens noemt hij: mensen die zeggen dat zij tijdens de quatertemperdagen in trance de zielen van het vagevuur kunnen zien. Zij weten na die flauwte dingen te vertellen over gestolen of verloren voorwerpen. NB 75 Hij vertelt in zijn Formicarius ook over een ridder die meent in de Venusberg beland te zijn in de armen van mooie vrouwen, maar hij wordt wakker in een mesthoop (of in de Nederlandse versie in de armen van een dood dier) Zika 367 1456 Hartlieb: ‘Zu sölichem farn nützen auch man und weib, nemlich die unhulden, ain salb die hayst unguentum pharelis. Die machen sy uß siben krewtern und prechen yeglichs krautte an ainem tag, der dann dem selben krautt zugehört. So bestreichen sy penck oder stül, rechen oder ofengabeln und faren dahin.’ De ‘unhulden’ gebruiken een zalf de ‘unguentum Pharelis’ met daarin zeven kruiden die op zeven opeenvolgende dagen geplukt moet worden. Als zij die zalf op een stoel of hooivork smeren dan kunnen zij daarmee ‘reizen’. Nicolaas van Cusa 1457 vertelt in een sermoen over een  ondervraging van drie oude vrouwen uit Val di Fassa (Italië) dat jaar. Zij vertelden dat zij behoorden bij het gezelschap van Richella, die ze ook ‘de goede meesteres’ noemden. Nicolaas vertaalt dit in Diana en zegt dat Richella slechts een vertaling is van Abundia of Satia. Zij kwam’s nachts bij hen op een kar, als een vrouw in rijke kledij wiens gezicht ze niet konden zien. Zij raakte hen aan en toen gingen ze met haar mee naar een soort van feest. Wel waren er mannen die over hun hele lichaam bedekt waren met haar en die ongedoopte mensen opaten. Hier gingen ze jaren aaneen naar toe op de vier ‘ember’ weken. Ginz 94 Richella verborg haar gezicht door semironde ornamenten in of aan haar oren Ginz 132 (Dit lijkt op de vrouw van Elche) 1468 Thesaurus Pauperum vertelt over bijgeloof uit Beieren: Men laat eten en drinken staan voor Habundia en Satia of zoals het volk zegt: frau Percht en haar gevolg, dit doen ze in de hoop op overvloed en rijkdom. In 1439 werd hetzelfde al veroordeeld door Thomas Ebendorfer NB 74 Thesaurus Pauperum: ’s nachts kommen met voedsel en drank op tafel laten staan voor Dame Abundia of Satia, die door het volk frau Percht wordt genoemd. Zij is altijd met een gezelschap. Als zij dit vinden zullen ze overvloed en rijkdom schenken. Zij zullen de huizen bezoeken tussen kerst en epiphanie (driekoningen) Lecouteux 16 1489 Proces in Mantova  tegen Giuliano Verdena: hij ziet in een bekken met water de ‘meesteres van het spel’ (Diana of Herodias) gehuld in zwarte kleren met een kin tot op haar buik. Zij wil hem de werkzaamheid van de kruiden en de aard der dieren onthullen. 15e E een exemplum uit Breslau over een oude vrouw die droomde dat ze door Herodiana mee werd gevoerd. In haar vreugde gooide zij haar armen open en stootte een vaas met water om zodat ze weer bij zinnen kwam. 130 ginz 15e e Bewoners van de Palatinaat geloofden in de godin Hera als brenger van overvloed die in de twaalf dagen van kerst en Driekoningen rond doolde/vloog. Ginz 104 Kans dat Herodias, een verkeerde vertaling is van Hera-Diana. Begin 16e eeuw Geiler von Kaisersberg ‘Die Emeis’ heeft het over zij die beweren dat ze ’s nachts naar frau Venus gaan. Hiernaast heeft hij het over vrouwen die tijdens de quatertemperdagen in onmacht vallen en dan beweren in de hemel te zijn geweest en spreken over gestolen of verborgen voorwerpen. De nachtvrouwen van Diana, Holda en Venus komen bijeen in de Venusberg. Janssen 126 Begin 16e eeuw Zuan delle Piatte ging naar de berg van de Sibilla ook bekend als de heuvel van Venus waar Donna Herodias woont om daar geïnitieerd te worden in het genootschap van heksen. Hij ging de berg in – eerst kreeg hij een waarschuwing van de trouwe Ekhart – en zag daar Tonhauser en Donna Venus. Met haar ging hij naar de sabbat, waar hij ook de vrouw ‘van het goede spel’ ontmoette. Hij reed met Venus op zwarte paarden door de lucht en ging in vijf uur om de hele wereld heen. (Uit dit verhaal blijkt een duidelijke invloed van  de literatuur uit die tijd) ginz 109 Eerste helft 16e E Hans Sachs een dokter uit Florence wil door een zwart paard op een kerkhof meegevoerd worden naar de Venusberg, hij eindigt in de shit. 1506-1510 Heksen van val di Fiemme beschrijven Herodias als een grote, lelijke vrouw met een groot hoofd, zwarte kleren, een zwarte band om het hoofd en met twee wielen aan weerszijden van haar hoofd. Het wordt ook omschreven als twee stukken steen rond de ogen. Deze gaan telkens open en weer dicht. Zij rijdt altijd door de lucht. 132-133 ginz 1519 vrouw in Bern komt aan de schandpaal omdat ze beweerd met vrouw Selden en de wilde jacht uit rijden te zijn geweest. 1525 Wyprat Musin, een vrouw uit Tirol, vertelt dat ze tijdens de quatertemperdagen een grote menigte zag met aan het hoofd vrouw Selga de zus van vrouw Venus.  Musin werd verplicht om mee te doen aan de processies van vrouw Selga. In die optocht liepen ook de zielen uit het vagevuur mee en zelfs de verdoemden uit de hel. Ze kon in een kom de mensen zien die dat jaar zouden sterven en vrouw Selga vertelde haar waar verborgen schatten lagen. NB 85 Selden en selga zijn verwant aan de ‘saligen’ de gezegenden met de zuivere ziel en ook aan Perchta. http://www.pansophia.nl/academie_pansophia/wp-content/uploads/2017/01/Godinnen-en-vrouwelijke-wezens-deel-8-De-Saligen-I.pdf 1532 Domenica Barbarelli een heks uit Novi gaat in de geest naar ‘het spel’, naar de optocht van Diana. Ondanks dat omstanders haar proberen te weerhouden kan zij dit toch meemaken omdat zij uit haar lichaam treedt. Voor haar is dit reëel.  NB 41 1544 Schwaben Crusius Clerici schrijft over vaganten (gesjeesde, rond zwervende studenten) die beweren in de Venusberg te zijn geweest, waardoor ze verleden en toekomst kenden, verloren voorwerpen terug konden vinden en bescherming konden brengen tegen hekserij en hagel. Ze konden ook de woeste heerschare van extatici, ongedoopte kinderen en mannen gestorven in de oorlog oproepen. Ze konden ook de prijzen van bepaalde producten doen laten stijgen. Dit bleven ze beweren in getuigenissen uit 1576 en 1600. Vervolgens beweerde de Johannesbroederschap hetzelfde in 1694. Ze hadden de zielen van de doden gezien op de Venusberg. 2e helft 16e eeuw Sicilië: Vrouwen gingen mee met ‘de vrouwen van buiten’ ze vlogen door de nacht om te banketteren en orgieën te houden in afgelegen kastelen of weilanden. Deze vrouwen hadden kattenpoten of paardenhoeven. Hun godin werd de matrone, de Griekse meesteres, de wijze Sibilla genoemd en anders. Haar volgers konden betoveringen ongedaan maken. 122 ginz Deze ‘vrouwen van buiten’ zijn te zien als een soort van elfen. https://barteredhistory.wordpress.com/2017/09/18/the-ladies-from-outside/ https://en.wikipedia.org/wiki/Donas_de_fuera 2e helft 16e E Renward Cysat uit Lucerne Het wordt gezegd dat de ‘salige lütt’ en de ‘guottisheer’, bestaan uit zielen van mensen die voortijdig dood zijn gegaan en daarom moeten rond dolen tot de tijd die het lot eigenlijk voor hun dood had bepaald. Zij zijn vriendelijk en betreden de huizen om daar te koken en eten, maar de hoeveelheid voedsel vermindert niet. Sommigen denken dat levende mannen en vrouwen hen vergezellen en hun maaltijden delen om zo tot groter geluk te komen. Lecouteux 23 In Schotland komen processen voor waarin heksenprocessen vermengd zijn met elfengeloof. Ook de koningin der elfen is te zien als een godin. 1597 Andrew Man te Aberdeen in Schotland deed hommage aan de koningin der elfen en de duivel in de vorm van een mannetjeshert. Hij had seks met de koningin, zij wist alles van de ‘craft’, ook al was zij de mindere van de duivel. De elfen speelden muziek en dansten. 1614 Legende van de minnezanger Tannhäuser in de ‘Mons Veneris’ van Kornmann. Hij kwam bij de Hörselberg en vraagt aan een grijsaard Eckhart uit het geslacht der Harlungen (deze waarschuwt ook voor de wilde jacht, de rond trekkende bende van geesten die zich meester willen maken van de levenden, die ook uit deze berg tevoorschijn komt) of de godin Holda daar woont. Hij zegt dat Venus met haar gevolg daar woont. Maar waarschuwt voor ongeluk als Tannhäuser zich verbindt met die heidense godin. Venus gaf hem te drinken van de beker der vreugde waardoor hij voor een jaar alles en iedereen vergat. Pas als hij Venus een duivelin noemt en zegt dat hij verlangt naar Maria wordt hij vrij gelaten. Als het duidelijk is dat zelfs de paus hem niet wil vergeven gaat hij voor eeuwig terug naar de Venusberg. 1619 Maria Panzona uit Latisana is een ‘benandante’ die in de geest, gezeten op een dier, naar het dal van Josafat ging en daar door het hoofd te buigen eerbied betoonde aan een majesteitelijke vrouw genaamd de abdis. 1630 Tovenaar Diel Bruell uit Hessen was in de geest op de Venusberg geweest. Vrouw Holle had hem in een kom water zielen laten zien. Hij was een ‘nachtfahr’ hij hoorde bij de nachtelijke schare. Als hij tijdens de quatertemper naar de Venusberg ging was er een overvloedige oogst. Benandanti 92 1640 Caterina Buni uit Palermo ging mee met de ‘de vrouwen van buiten’. Zij reed op een schaap en wou dat anderen ook met haar mee gingen. 1662 Isobel Gowdie uit Schotland. Zij was in de heuvelen gegaan en kreeg eten van de koningin der elfen (Queen of Fearrie) Voor 1680 Praetorius uit Leipzig schrijft: Diana reist op kerstnacht met haar furieuze bende ven krijgers. Verderop zegt hij dat vrouw Holle of Holda begint met ronddolen tijdens de Kerstmis. Lecouteux 17 Perchta betekent wellicht Ephiphania of anders helder/stralend. Het ritueel van het dekken van de tafel gebeurt voornamelijk tussen kerst en Driekoningen. Dit ritueel werd al gedaan door de Romeinen, maar dan voor de voorouders. Het werd de tafel der zielen of overledenen genoemd. Abundantia komt voor als Romeinse godin van overvloed, voorspoed, rijkdom, maar heeft weinig eigen mythologie. Zij houdt op afbeeldingen een ‘cornucopia’ vast. Lees ook: http://www.pansophia.nl/academie_pansophia/wp-content/uploads/2017/01/Godinnen-en-vrouwelijke-wezens-deel-5-Perchta-I.pdf http://www.pansophia.nl/academie_pansophia/wp-content/uploads/2017/01/Godinnen-en-vrouwelijke-wezens-deel-8-De-Saligen-I.pdf http://robscholtemuseum.nl/wp-content/uploads/2017/10/Cor-Hendriks-De-Venusberg.pdf https://core.ac.uk/download/pdf/16427155.pdf Literatuurlijst Baroja – The world of the witches Ginzburg – Ecstasies Ginzburg – The night battles/ De benandanti Janssen, Louis – Nicolaas, de duivel en de doden Lecouteux – Phantom armies of the night Russell – Witchcraft in the Middle ages Schmitt – Bijgeloof in de middeleeuwen          

Opgegeten en uitgepoept door de duivel: Afbeeldingen van het Laatste Oordeel in Noord-Italië

woensdag 07 februari 2018 21:38

Ik wil jullie een aantal hoogst opmerkelijke oude afbeeldingen tonen van de opperduivel. Er zijn honderden afbeeldingen van demonen, maar afbeeldingen van de opperduivel zelf zijn veel schaarser. Juist in Noord-Italië in de periode 1200-1600 vinden we de duivel in zijn volle glorie, pontificaal in het midden van de scène rechtsonder van fresco’s en mozaïeken die het Laatste Oordeel weergeven. (1) Rechtsonder is de plaats waar de verdoemde zielen terechtkomen: in de hel! Deze afbeeldingen herbergen enkele moeilijk op te lossen raadsels.. We beginnen met een detail uit het mozaïek van het Laatste Oordeel uit de Maria Asunta op het eiland Torcello (vlakbij Venetië) uit de 12e of 13e eeuw. We zien een blauwe bebaarde figuur zitten te midden van de vlammen. Het moet de duivel voorstellen met rondom hem zijn demonen die de zielen kwellen en twee slang-draken onder zijn zitvlak die twee zielen opeten. Maar ook twee engelen doen mee en een kind – mogelijk Jezus – zit bij de duivel op schoot! Dit laatste is hoogst raadselachtig en lijkt blasfemisch. Toch zal het deels als voorbeeld hebben gediend voor het volgende mozaïek. Ik geef een detail van het mozaïek van het Laatste Oordeel (1240 – 1276) toegeschreven aan Coppo di Marcovaldo dat te zien is in het baptisterium van Florence. Het is de vroegste afbeelding van de duivel die ik tegen ben gekomen waarin hij mensen opeet. De gehoornde opperduivel eet een ziel en twee andere zielen worden vastgehouden en gebeten door slangen die uit zijn oren komen, weer twee andere zielen worden opgegeten door slangen die uit het achterste van de duivel lijken te komen. Dit lijkt sterk op de gehoornde slangen in het Laatste Oordeel van Torcello. Hier zien we het laatste oordeel van Giotto uit 1303-1306. Het is te vinden in de Cappella Scrovegni in Padua. Giotto was een van de grootste schilders van zijn tijd. Het is duidelijk dat Giotto veel overgenomen heeft van de afbeelding in het baptisterium van Florence. Ook deze – dikke – duivel zit in het centrum. Hij is gehoornd, met een zwarte baard en twee slangen komen uit zijn oren. Dit keer zijn het draken in plaats van slangen die achter de duivel vandaan komen. Het grootste verschil zien we in het benedenste deel: Er komt een ziel uit zijn achterste tevoorschijn! Daaronder zit een gekroonde ziel, die zowaar een gekke bek trekt. Het zou zelfs kunnen dat het hier gaat om één figuur in verschillende stadia van het gebeuren: Hij wordt vastgepakt, opgeslokt, komt er weer uit en is vervolgens gekroond! Deze afbeelding is een detail van het fresco van het Laatste oordeel van Buonamico Buffalmacco (1320-36) op de muren van het Campo Santo te Pisa. De duivel heeft nu drie hoofden en zeker twee zielen spartelen in twee van de drie muilen van de duivel. Dit keer komen er geen slangen uit zijn oren, maar kronkelen zij om zijn armen. Hij heeft zielen in zijn buik zitten en één ziel wordt uitgepoept op een zeer plastische wijze. Het lijkt er zelfs op alsof de ziel gebaard wordt. Een demon staat klaar om de uitgepoepte/pasgeboren ziel op te vangen. Hiernaast is net als bij Giotto een figuur te zien met een kroon op. Beide figuren hebben – net als bij Giotto – een vredige uitdrukking, in ieder geval zeker niet een gekwelde, uitdrukking op hun gezicht. Mogelijk is dit tafereel geïnspireerd door de ‘hel’ van Dante.  Dante Alighieri schreef tussen 1307 en 1314 zijn ‘Inferno’ als onderdeel van zijn magnus opus; La Divina Commedia. Dit boek over de afdaling van Dante zelf in de hel onder begeleiding van de Romeinse schrijver Virgilius, had een grote invloed op het beeld van de hel en de duivel, met name in Italië zelf. In het Inferno beschrijft Dante de duivel als een wezen met drie gezichten. In elke mond houdt hij een zondaar vast: Brutus, Cassius en Judas. Dit gegeven zullen we vanaf deze tijd veelvuldig geschilderd zien. toch wordt niet alles van Dante slaafs overgenomen. Dante noemt ook dat de duivel voor de helft vast zit in een ijsvlakte, dit zien wij nergens terugkomen. (2) Het Laatste oordeel in de Campo Santo laat de duivel zien te midden van vlammen. Taddeo di Bartolo – Giudizio Universale – Inferno, Lucifero San Gimignano circa 1391-93 In de versie van Taddeo di Bartolo uit San Gimignano (1391-1393) is naast de drie gezichten met drie slachtoffers ook het element van de vleermuisvleugels overgenomen uit de beschrijving van Dante. Dit keer braakt hij met zijn tweede gezicht (die lijkt op een pad) een ziel uit. Het kereltje kijkt nogal verbaasd en heeft een witte hoed op. Hij komt terecht op een stapel van andere zondaren waarbij op hun hoed de naam van de desbetreffende zondaar staat geschreven (o.a. Nero, Herodes, Farao en Simon Magus). In de Sint Petroniusbasiliek van Bologna bevind zich ook een fresco met het Laatste Oordeel uit 1410 van Giovanni de Modena. In ons detail met de opperduivel heeft hij slechts één hoofd Hij eet een zondaar op en beneden komt hij – of een andere – er weer uit via zijn tweede gezicht. De duivel zit op een soort van kakstoel en daar beneden zijn weer een paar gekroonde figuren te zien. De duivel is volledig behaard en heeft ketens om zijn polsen en bovenarmen. Er zijn zowel bij Bartolo als bij Giovanni geen slangen in de buurt. Op een vaandel staat hoogstwaarschijnlijk Superbia, de Latijnse benaming voor de hoofdzonde ‘trots’. In dit detail van het Laatste Oordeel van Fra Angelico uit 1431 uit Florence zien we de drie gezichten weer terugkomen. De duivel ziet er dierlijk en kwaadaardig uit. Helaas kunnen we zijn onderste deel niet zien omdat hij in een kookpot/ketel staat. In die ketel bevinden zich meer zielen, waaronder eentje met een kroon.De anonieme meester van Avicenna geeft ons dit detail uit zijn schilderij van Paradijs en hel uit 1435 (Bologna). De duivel is geketend en wordt bewaakt door een hellehond. Hij heeft zijn klassieke zwarte kleur, net als bij de duivel van Fra Angelico. De ziel wordt weer opgevangen op een wijze die bijna eerbiedig aandoet en precies er onder is een figuur met een mijter. Deze zielen branden in het hellevuur. In dit detail van een miniatuur van Bartolomeo di Fruosino van het inferno van Dante uit 1430-1435 (Florence) lijkt de duivel op een wildeman. Hij is volledig behaard en heeft een knots in de hand. In een andere versie poept hij ook weer een ziel uit, alleen het gezicht van de ziel is te zien. Fra Angelico schilderde enkele jaren later rond 1435-1450 nog een triptiek van het Laatste Oordeel (nu te zien in Berlijn) met op het rechterzijpaneel de hel met de duivel. Rond zijn hoofd staat ‘Superbia’. Dat maakt hem de gevallen engel Lucifer die uit de hemel viel vanwege zijn hoogmoed. De duivel houdt in zijn handen twee slangen vast en zit op een komfoor of ketel met daaronder vuur waarin zielen brandden. De beroemde schilder Alessandro Botticelli maakte in 1481 deze gravure voor het boek van Dante de Divina Commedia. Ondanks de beschrijving van Dante dat de opperduivel zich in het ijs bevindt blijft Botticelli vasthouden aan een duivel in het vuur en zelfs aan het heftige beeld van het uitbraken van een ziel uit het tweede gezicht van Satan. Ook dit keer heeft het veel weg van een geboorte. Het beeld wint het hier van het geschrift. Detail van het fresco over het Laatste Oordeel van Vasari en Zucchari (16e eeuw) op het plafond van de koepel van Brunelleschi in de kathedraal van Florence In onze laatste Italiaanse schildering – een fresco van Zucchari uit 16e eeuws Florence – zien we de duivel in volle glorie terug. Hij is monsterlijk, dierlijk en behaard. Hij eet drie zielen met zijn drie muilen en hij heeft de vleermuisvleugels zoals Dante hem heeft beschreven. Van beneden brand hij in het hellevuur. Het fresco is het laatste in zijn soort. Ik heb geen voorbeelden van een  mensenetende opperduivel gevonden na deze tijd. De opperduivel buiten Italië  Als we dit vergelijken met comtemporaine opperduivels uit andere landen zoals in het getijdenboek van Catherina van Kleef uit ca 1440 (Noord-Nederland), dan zien we dat het beeld van de drie gezichten en het uitpoepen van een ziel meestal niet wordt overgenomen. Wel heeft de duivel een gezicht met daarin gevangen zielen op zijn buik. Toch zien we in de illuminatie uit de Franse vertaling van sint Augustus’ Da civitate Dei libri XXII uit ca. 1450-1475  wel degelijk de drie gezichten terug, maar hij eet slechts één ziel. De duivel draagt een ijzeren kroon en zeer opmerkelijk is het detail van de armen en benen van de duivel die op knie- en ellebooghoogte slangenkoppen bevatten die  dan de onderarmen en benen lijken op te eten. De duivel zit in een ketel gevuld met angstig kijkende zielen. Zijn benen vormen het ouroboros symbool. Dit beeld wordt niet herhaald op het schilderij van de kruisiging van de meester van Dreux Budé uit ca. 1490 (Frankrijk) Hier eet de duivel zielen met slechts een hoofd, hij heeft een gezicht op zijn buik, maar daaruit braakt hij niets. Verder staat er onder hem (hier niet zichtbaar) wel een ketel op het vuur volgepropt met zielen. Wellicht had je een detail uit Jeroen Bosch’ ‘Tuin der lusten’ (ca. 1500) hier niet verwacht. Maar ondanks dat dit detail uit de ‘hel’ heel anders is, is het toch ook sterk gelijkend op de andere afbeeldingen. De duivel heeft hier een vogelkop, maar eet wel een zondaar op, die hij vervolgens weer uitpoept. Deze valt vervolgens in een soort ‘bron’ met andere zielen. Een plek die te vergelijken valt met de ketel met kokend water uit de andere schilderingen. Die ketel is trouwens wel te vinden, maar dan als hoofddeksel van de duivel. De symboliek van slang, ketel en knots Het is opvallend hoe een aantal elementen die in de heidense tijd nog als positief werden ervaren – zoals slang, ketel en staf/knots – een prominente rol hebben in de afbeeldingen van de opperduivel. Deze elementen werden in de christelijke tijd gedemoniseerd. Minoïsche godinnenbeeldjes uit Kreta 1600 BCE De Slang werd in de bijbel een dier van Satan die meehielp met de verleiding van Eva. Daarvoor stonden zij juist voor het aardse, wedergeboorte en eeuwig, cyclisch leven. In de fresco’s en mozaïeken komen ze uit de oren en bijten ze in de borst van de opperduivel. (3) Maar ze kronkelen zich ook rondom de armen van de duivel van Buffalmacco in Pisa en de duivel van Fra Angelico houdt er in elke hand eentje vast. Dit gegeven is al te vinden bij afbeeldingen van de grote godin. De slang is ook haar dier, ook zij heeft de slangen in haar handen of om haar armen gewonden. Je kan dit zien als puur toeval. Je kan ook bedenken dat oude symboliek voor een nieuwe reden is gebruikt. De slang-draak eet ook zielen op of braakt ze juist uit en bij de Duivel uit het getijdenboek vormen zijn slang-benen een Ouroboros; een slang die in zijn eigen staart bijt en zo een eeuwige cirkel vormt. De duivel uit het getijdenboek zit ook nog in een  ketel net als de duivel van Fra Angelico. De ketel met de zielen is natuurlijk te zien als een instrument van marteling. Toch is de ketel ook een heidens symbool voor wedergeboorte. In de Griekse mythologie gooide Medea in naam van Hecate een oude geit in een ketel die er vervolgens uit kwam als jong geitje en in de Keltische mythologie is er een ketel waarin de god Bran zijn overleden krijgers gooit waarna zij er levend en wel weer uit komen. Zo zijn er meer voorbeelden van ketels die dienen ter regeneratie. Zij is mogelijk te zien als een symbool voor de baarmoeder. Ketel en slang komen qua symboliek dus behoorlijk overeen. In de miniatuur van Fruosino zien we een duivel als wildeman met een knots in de hand. De wildeman kan een inwijdende functie hebben voor jongemannen en de knots vinden we bij de Kelten terug als symbool voor dood en wedergeboorte. De god Dagda heeft een ketel van overvloed en een knots, hiermee kan hij mensen dood maken, maar ook weer tot leven wekken. Waarom de duivel hier een knots heeft wordt niet duidelijk. (4) Opgegeten en uitgepoept worden door de duivel Het meest in het oog vallende beeld blijft toch het verorberen van de ziel door satan, die dan in een aantal van de voorbeelden hem – of een andere ziel – van onderen weer uitpoept of uitspuugt via zijn tweede mond. Maar is dit poepen of baren? Deze duivels zien er niet vrouwelijk uit, toch hebben zij geen fallus maar een gat onderin waar de menselijke wezens uitkomen. Is het dan toch een soort van vagina? Er zijn afbeeldingen van demonen die naast een fallus, ook borsten hebben, hermafroditisme is wellicht een mogelijkheid. Het lijkt erop dat de duivel zelf zijn lichaam gebruikt als hel voor vele zielen. Het is daarmee een lichaam en een gebied tegelijkertijd geworden. Daarmee is de duivel te vergelijken met Hades als god van de onderwereld en Hel als godin van de onderwereld. Dit zien we nog duidelijker terugkomen in het symbool van de hellemond. Met zijn mond slokt hij de verdoemde zielen op, die vervolgens eeuwig gevangen zijn in de hel. Of is er toch een weg uit de hel? De zielen gaan in de duivel, maar ook uit de opperduivel zelf komt de ziel opnieuw tevoorschijn. Als de opperduivel tegelijk het gebied van de hel zelf is betekent dit dat de ziel uit de hel zou ontsnappen! Ondanks de paradox dat deze ziel volgens de Italiaanse afbeeldingen dan nog steeds in de hel verkeert, ziet die ziel er sereen uit in plaats van gekweld. Als het klopt dat het gaat om een opeenvolging van gebeurtenissen met één en dezelfde persoon, dan eindigt deze gekroond. De kroon is een teken van meesterschap, iemand is heerser geworden en staat daarmee in het centrum van zijn leven. Het lijkt er op dat hij de macht heeft gevonden om met eigen kracht de hel te ontsnappen. Het grote voorbeeld van de gekroonde koning die de hel binnen treedt en er weer heelhuids uit tevoorschijn komt is natuurlijk Jezus Christus zelf in zijn ‘harrowing of hell’. In deze – apocrieve – afdaling in de onderwereld neemt de pas gekruisigde en gestorven Christus vele rechtvaardigen met zich mee omhoog uit de hellemond. Conclusie Zonder twijfel is de eerste boodschap in het opgegeten worden door de duivel dat dit een afschuwelijke straf voor een hoofdzonde is. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de beeldtraditie iets anders aangeeft dan het orthodoxe christelijke geloof. Blijft de ziel werkelijk voor eeuwig in de hel? In de heidense traditie gaan helden en goden de onderwereld in en komen ook weer terug (Odysseus, Aeneas, Orpheus, Inanna, Tammuz, Adonis, Dumuzi, Enkidu etc.). In het sjamanisme gaan sjamanen uit hun lichaam en betreden als initiatie de onderwereld en komen – vaak na heftige martelingen – toch weer terug. Is er iets van deze oudere traditie terug te vinden in de door de duivel uitgeworpen en wellicht gekroonde zielen? Zodra je weet dat ook in de vroege middeleeuwen het schema hel/ hemel/ vagevuur niet volledig werd begrepen, maar de hel vaak verward werd met de wereld der doden/ de onderwereld, dan wordt de duivel de heerser van het dodenrijk. De hel in- en uitgaan wordt dan synoniem met doodgaan en wedergeboren worden. We zullen helaas de precieze betekenis nooit weten omdat de uitleg bij de fresco’s ten enen male ontbreekt. Het heeft er in ieder geval veel van dat de beeldentaal van een oudere heidense traditie van sterven en wedergeboren worden voor de uitverkorene (aangegeven door de slang, ketel, knots en het opgegeten en weer uitgepoept worden door de heer van de onderwereld) deels overgenomen is om ingezet te worden als beeld voor de gruwelijkste marteling die voorbehouden is voor de ergste zondaars. Voor Dante waren dit de plegers van verraad. Uit de afbeeldingen maak ik op dat het ook gaat om plegers van de zonde van de hoogmoed (superbia). Het zijn zij die denken dat ze – net als Lucifer dacht – als een god kunnen worden. Vanuit mijn eigen optiek zie ik hier mensen in die heer en meester over hun eigen wereld, bewustzijn en energie wilden zijn. Figuren als Simon Magus, tovenaars en sjamanen die hun eigen wijzen van extase vonden, maar dat niet mochten van de heersende kerk, die alle vormen van extase veroordeelden behalve de extasen van de heiligen van de christelijke kerk. Ooit zullen de beelden verschrikkelijk angst hebben veroorzaakt. Ik ben blij dat ze nu voornamelijk slechts verwondering en verbazing opwekken. Abe van der Veen Het laatste oordeel is in de christelijke mythologie een onderdeel van het Einde der tijden scenario. Het wordt beschreven in de Openbaringen van Johannes, het laatste bijbelboek. Hierin worden de ‘schapen’ gescheiden van de ‘bokken’ oftewel de goede van de kwade mensen inclusief de allang gestorven mensen. De goeden gaan naar de hemel en de slechten/ de zondaars naar de hel. Deze wordt in veel schilderingen daarom in al zijn gruwelijkheid afgebeeld om de gelovigen op het rechte pad te houden. https://nl.wikipedia.org/wiki/Dag_des_oordeels  https://en.wikipedia.org/wiki/Dante%27s_Satan Dit bijten van de slangen is te zien in het slecht bewaarde fresco van de gebroeders Orcagna in de Santa Maria Croce in Florence (ca. 1350).  https://en.wikipedia.org/wiki/The_Dagda

Waarom halen wij met kerst hulst in huis? Het verhaal van de hulstkoning

zondag 24 december 2017 16:18

De hulst (latijn: ilex) is voor bijna iedereen herkenbaar met zijn dikke, felgroene en stekelige bladeren. Hij staat vooral op arme grond in schaduwrijke plekken in het bos. Hulst is in het Engels ‘holly’, een kleine stap naar ‘holy’ oftewel heilig. Zijn Oudhoogduitse naam ‘hullis’ en het Keltische ‘tinne’ voor hulst betekenen inderdaad heilig. De hul- stam van het woord betekent beschermen, bedekken èn stekelig (1), want de stekelige bladeren van de boom beschermen de stam. Ook zou volgens de Romeinse botanicus Plinius het aanplanten van hulst rondom je huis, je tegen bliksem en toverij beschermen. Dit gebruik komt ook in latere bronnen voor. In de Keltische bomenkalender hoort de hulst bij de achtste maand van het jaar. Dit is de periode van acht juli tot en met vier augustus. Deze maand valt daarmee in de midzomertijd. Deze plaatsing heeft waarschijnlijk te maken met het ritueel van de strijd tussen de hulstkoning en de eikenkoning. Met de midzomer volgt de hulst, de eik op als koning van het jaar. Deze strijd om de heerschappij van het jaar vindt plaats met de midzomer en met de midwinter. Als wij aan de symboliek van de hulst denken dan associëren wij hem echter meer met de midwinter en de kerst. Hij laat zijn altijd groen blijvende blad niet vallen en dat geeft hem een symboliek van hoop op betere en groenere tijden. Een symboliek die past bij de midwintertijd. Het is alleen vreemd en onlogisch dat de heerschappij van de hulstkoning in latere tijden niet meer voor een half jaar geldt, maar wordt beperkt tot de periode tussen kerst en Driekoningen. Romeins midwinter; de Saturnalia Al bij de Romeinen werd de hulst als cultische versiering gebruikt tijdens de Saturnalia (17-23 december). Dit feest komt qua datering ongeveer overeen met de midwinterviering. Tijdens dit feest ter ere van Saturnus (in het Grieks Kronos) werden de tempels en huizen versierd met hulst en aan de cadeaus die men aan elkaar gaf, was als gelukswens een hulsttakje bevestigd. Ook de knots van Saturnus was van hulst. Dit immergroen gaf aan, dat de feestvierders in een tijdloze wereld waren beland: de tijd tussen de jaren. Saturnus was hier heen verbannen na zijn strijd met zijn zoon en opvolger Jupiter (Zeus). Als Chronos – oftewel ‘vadertje tijd’ – heerste hij over een gouden tijd en een gebied van eeuwige lente. Dit waren de eilanden van gelukzaligheid in het uiterste westen, de plaats waar de zon ondergaat. Men bootste zijn sacrale tijd en wereld na door tijdens het feest van de Saturnalia flink feest te vieren. Dit gebeurde met elementen als losbandigheid, omkering, gekte en algemene vrolijkheid. Mannen kleedden zich als vrouwen en omgekeerd, heren werden slaven en vice versa, kinderen gedroegen zich als de volwassenen en volwassenen als kinderen. De heerschappij van Saturnus was tijdelijk. Aan het eind moest hij zijn macht overdragen aan de oppergod Jupiter (2). De eik was aan Jupiter gewijd. Je kan dus zeggen dat de hulstkoning zijn macht weer overdroeg aan de eikenkoning. In de christelijke tijd werden hulstversieringen in de midwinter verboden omdat zij als te heidens werden gezien, maar het gebruik bleek onuitroeibaar. Uiteindelijk werd zij omarmd en bezongen in de ‘Christmas carols’ waarin hij werd geassocieerd met Jezus in het gezegde: ‘holly bears the crown’, oftewel hulst draagt de kroon en is dus koning! (3) Gawain en de groene ridder In de veertiende eeuw zien we in een Engels gedicht genaamd “Sir Gawain and the Green knight”  met Nieuwjaar – dus in de Joeltijd – een volkomen groene ridder aan het hof van koning Arthur arriveren. In zijn ene hand heeft hij een bijl en in de andere hand een hulsttak. Met de hulsttak als vredesteken van de midwintertijd toont hij zich een opvolger van Saturnus. Met de bijl geeft hij aan dat het eind van zijn heerschappij is gekomen. Hij daagt de ridders uit om hem het hoofd af te slaan, op voorwaarde dat hij daarna hetzelfde bij hem mag doen. Alleen Gawain neemt de uitdaging aan en wordt daarmee zijn opvolger. Over een jaar en een dag (of misschien beter een half jaar) moet hij – op zijn beurt – zijn hoofd er af laten slaan in de “groene kapel”. Deze kapel blijkt een grafheuvel te zijn. Dit duidt er op dat wij hier met een oud heidens ritueel te maken hebben. Gawain overleeft het avontuur en wordt niet onthoofd, omdat hij weigert om te vrijen met de vrouw van de Groene ridder (4). Dit verhaal volgt een oeroud mythisch patroon waarin het wassende jaar in de vorm van de eik en het afgaande jaar in de vorm van de hulst tegenover elkaar worden gesteld. De hulst heerst over de periode waarin de zon elke dag ietsje lager aan de horizon staat. De eik heerst over de periode waarin zij juist aan de horizon klimt. Zij volgen elkaar op met midzomer  en met midwinter. Dit wordt soms uitgebeeld door een rituele strijd van twee mannen gehuld in eikenblad en in hulstgroen die een schijngevecht met elkaar houden. De uitkomst staat op voorhand vast. De hulstkoning wint met de midzomer en de eikenkoning met de midwinter (5). Ze zijn niet de zomerkoning en de winterkoning zoals sommige mensen denken. De een heerst over de groei en de ander over de afbraak en zo wisselen zij – en daarmee de seizoenen – elkaar af. Over dit ritueel is veel verwarring ontstaan onder andere omdat de rituele strijd soms ook met Beltain en Samhain, oftewel met 1 mei en 1 november wordt uitgevochten. Dit kan te maken hebben met een verschillende invalshoek. Mogelijk keek men vanuit de Germaanse traditie meer naar de zon en vanuit de Keltische traditie meer naar de vegetatie. De Germanen hadden als grootste feesten midzomer en midwinter en keken dus naar het punt van de grootste en de kleinste hoeveelheid licht, naar de langste dag en de langste nacht. De Kelten keken bij Imbolc en Lughnasad naar het toppunt van koude en het toppunt van hitte. Beltaine is het hoogtepunt van de lente en de bloei, Samhain hoogtepunt van de herfst en het moment dat al het groen zich definitief heeft teruggetrokken. Hier werd dus meer gekeken naar opkomst en afsterven van het groen en naar warmte en kou. De verbanning van de hulstkoning De hulst volgt de eik op in de Keltische bomenkalender in de midzomertijd. De eik volgt – na een rituele strijd – ook de hulst weer op in de midwintertijd. Echter in de bomenkalender wordt de voorkeur gegeven om dan de nadruk te leggen op de transformatie van de godin van vlier naar berk, oftewel van lelijk naar mooi. Dit rituele gevecht is een strijd om het sacrale koningschap. De sacrale koning kan alleen heersen bij de gratie van de Godin. De winnaar van de strijd huwt de Godin van de soevereiniteit, oftewel de godin van het land! Dit is op voorwaarde dat hij na een half jaar zijn heerschappij overdraagt aan zijn tegenhanger, die daarmee zijn vrouw ook krijgt. Dit maakt hem tot ‘hoorndrager’ want hij laat het toe dat zijn vrouw vreemd gaat en grijpt niet in. Na een half jaar zijn de rollen weer omgedraaid. Een aantal grote zonnehelden denken te kunnen heersen zonder te trouwen. Zij versmaden de Godin. De Sumerische held Gilgamesh wordt verleid door Inanna, maar hij wil niet net als haar voormalige minnaar Dumuzi naar de onderwereld gestuurd worden en weigert (6). Cuchulain krijgt de liefde aangeboden van de donkere oorlogsgodin Morrighan. Zij had al de liefde bedreven met de vadergod Dagda in een pas geploegde vore. Maar Cuchulain bedankt voor de eer, de donkere godin wordt zijn vijandin (7). Gawain weigert in te gaan op de avances van de vrouw van de Groene Ridder. Deze blijkt te werken in opdracht van Morgaine, de donkere toveres. In deze verhalen biedt een donkere, machtige, angstaanjagende godin zich aan als minnares – vlak na een grote overwinning van de held – maar zij slaan dit aanbod af en vinden dat ze het prima af kunnen zonder de hulp van de Godin. Je zou kunnen zeggen dat de zonneheld wil heersen over het hele jaar. In de patriarchale tijd wordt de koning van het afgaande deel van het jaar zijn helft ontzegd en mag alleen nog regeren over de laatste dagen van het jaar (de kerst c.q. de Saturnalia en misschien ook in de Carnavalstijd). Hij bleef de godin trouw, zowel in haar jonge lente- als in haar oude wintergedaante. Hij werd daarom gezien als een sul die zich door zijn vrouw de les laat lezen. De gehoornde wordt een lachwekkende stumper, een ‘lord of misrule’, maar hij is wel een nuttige uitlaatklep. Zo kan je hem vergelijken met de duivel die zich op een kussen laat binden in het middeleeuwse spreekwoord, of anders met de wildeman die met geselroeden van hulst heerst over Carnaval (8). In het verhaal van de hulstkoning en de eikenkoning is het drama te zien van de overgang van cyclisch om en om koning zijn, naar slechts één koning die de zwarte Godin versmaadt en de hulstkoning verbant. Deze was vanaf dat moment slechts heerser over de midwinter. Hij is daardoor in plaats van god van het afbrekende seizoen, god van  de doden, koning van de elfen of zelfs de duivel geworden. Zo zien wij hem optreden tijdens ‘halloween’ als de ‘grim reaper’ en tijdens midwinter als ‘vadertje tijd’ (9). ‘Ivy girl’ en ‘holly boy’ De strijd tussen het naar buiten gekeerde deel van het jaar en het naar binnen gekeerde deel zou je ook kunnen vangen in termen van mannelijk en vrouwelijk. Het is niet vreemd dat deze strijd ook werd gesymboliseerd in een strijd tussen de mannen en de vrouwen: In Engeland bestond er het ritueel van de strijd tussen het klimopmeisje en de hulstjongen. Zij streden om de heerschappij. Wie er het eerst over de drempel ging tijdens het nieuwe jaar was de baas! Dit gebeurde in de vorm van een lied of als ritueel, waarbij de andere sekse gehekeld werd. Als de hulstjongen het eerst zou zijn betekende dit een goed begin, het klimopmeisje zou juist ongeluk brengen. Mogelijk heeft dit te maken met de blauw-zwarte bessen van de klimop versus de rode, vruchtbare bessen van de hulst. Deze karakters werden telkens meer gestereotypeerd tot een feeks en een sul of anders gezegd; een helleveeg en een “hoorndrager”. Beide horen als immer groen blijvende planten bij de Saturnaliën en de Midwinterfeesten (10). Ook tijdens het donkere deel van het jaar behouden zij hun groene bladeren en dus hun levenskracht en de mens kan daar gebruik van maken door de takken binnenshuis te halen. Hulst hoort hier bij de gehoornde god van de vegetatie en klimop bij de zwarte godin. Toen de gehoornde god nog over – minstens een helft van –  het jaar heerste huwde hij met midwinter deze afzichtelijke dame en hun vereniging maakte een nieuwe cyclus van leven en lente mogelijk. De lelijke heks werd in een beeldschone vrouw veranderd. Door de godin in haar soevereiniteit te erkennen in haar zwarte, lelijke vorm kon hij haar minnaar worden. De dualiteit van hulst en klimop zijn daarom complementair en niet antagonistisch. In het verhaal van Gawain en Ragnell wordt dit huwelijk prachtig verteld: Als de lelijke Ragnell wordt gevonden zit zij tussen een eik en een hulst in. Gawain erkent de soevereiniteit c.q. het zelfbeschikkingsrecht van de lelijke dame Ragnell en zo wordt zij mooi. Toch zal zij hem later weer verlaten (ws. voor een vorm van de ‘hulstkoning’) In de latere moraal maakt dit hem tot hoorndrager. Dit gegeven werd in enkele Engelse Christmas carols verandert in een strijd om de heerschappij. In de carols wint de hulst – dus de man – de strijd der seksen en is meester, zoals je kan zien in dit 16e eeuwse lied: ‘The contest of the ivy and the Holly Nay! Ivy, nay! lt shall not be, iwis, (indeed): Let Holy have the maistry, (mastery) As the manner is. Holy stood in the hall, Faire to behold: Ivy stood without the door, she is full sore acold.’ (11) Conclusie Ergens in de loop van onze geschiedenis zijn wij het afbrekende deel van het jaar en daarmee de hulstkoning en de zwarte godin gaan versmaden en zelfs gaan verafschuwen. De cyclische aard van de natuur waarin alles wat groeit en bloeit ook weer af moet sterven en in de grond moet worden opgenomen voor een nieuwe cyclus en daarmee een wedergeboorte, werd niet meer geaccepteerd. De eikenkoning en daarmee de scheppende kracht werd tot koning van het hele jaar gemaakt en de hulstkoning verbannen naar de onderwereld. Een maal in het jaar mocht hij regeren met de midwintertijd (of met carnaval). In die periode mag je uit de band springen en alles doen wat God verboden heeft omdat nu zijn tegenhanger regeert! Deze periode van rust, vrolijkheid en vrede was helaas slechts kort. Daarna heerste de strijdlustige en arbeidzame eikenkoning weer onbetwist. Toch hebben we beide aspecten nodig! De kwaliteiten van de hulstkoning zoals introvertie, ingetogenheid, zelfreflectie, contemplatie, rust en vrede zijn net zo belangrijk als de meer extraverte kwaliteiten van de eikenkoning. Ondanks verwoede pogingen was het rituele gebruik van de hulst en de hulstkoning onuitroeibaar. Zijn feest moest in ere worden gehouden! Zo bleef de hulst met de midwinter de geluksbrenger die heil en heling bracht aan de mensen. Zijn tak – die met de midwinter zelfs op de kerstpudding niet mocht ontbreken – was een teken van leven, zelfs in de meest donkere en doodse periode van het jaar. Dat het offer van de (semi-)dood van de hulstkoning niet voor niets werd gebracht en dat zelfs in het duister van de midwinter een kiem van nieuw leven bleef bestaan in de groenheid van de hulst en in de groenheid van de midwintergod. Een verre nazaat hiervan vinden we in het kerststukje waarin de hulst niet mag ontbreken. Door deze in ons huis te brengen, brengen we nieuw leven in ons systeem, waardoor we de kracht vinden om een nieuwe cyclus aan te gaan in een nieuw jaar. Om de voortgang van de cyclus niet te verstoren moet het kerstgroen echter wel direct na Driekoningen de deur uit. Anders brengt het ongeluk (12 7; 595)! Abe van der Veen Noten Lankester, Ko – De Keltische maankalender in het zonnejaar 130 Graves, Robert – The white Goddess 180 Lankester 127 Blöte-Obbes – Boom en struik in bos en veld 218 Graves 180 https://www.thespruce.com/the-holly-and-the-ivy-2132340 Hertog, Erik vert. – Heer Gawein en de groene ridder Lankester 128 Williamson, John – The oak king, the holly king and the unicorn Sandars, N.K. – The epic of Gilgamesh 86 Gregory, Lady – Complete Irish mythology Cleene, Marcel en Marie Claire Lejeune – Compendium van rituele planten in Europa 506 Bij de Welshmen heette deze Gwyn ap Nudd en vocht elke mei tegen Gwythyr ap Greidawl om de hand van de meikoningin, ook dit is te zien als een gevecht van de hulst tegen de eikenkoning. Carr-Gomm, Philip – Het plantenorakel der druïden 59 Graves 184 https://www.hymnsandcarolsofchristmas.com/Hymns_and_Carols/contest_of_the_ivy_and_the_h.htm Cleene 595 -Je zou zelfs prins Carnaval kunnen zien als een soort elfenkoning want zijn verkiezing is op de elfde van de elfde.. -De hulst wordt verder net als de vlier in verband gebracht met de godin Holda. Dit is omwege de ‘hul’ en ‘hol’ klankgelijkenis. Toch vind ik er meer voor pleiten om de hulst te wijden aan de Germaanse god Holder. Deze blinde god en tegenhanger van Balder is weer een variant op de hulstkoning in zijn rivaliteit met de eikenkoning. Hierom denk ik dat de hulst eerder gewijd is aan Holder.

Piet als bullebak en sint als Zwarte Klaas: De vroegste bronnen van Zwarte Piet en Sinterklaas

donderdag 30 november 2017 10:52

Op de vraag – waarom is Zwarte Piet zwart? – wordt stelselmatig geantwoord: omdat hij uit de schoorsteen is gekropen. Dit is echter de kinderversie van het antwoord. De volwassen versie gaat een stukje verder. Hier zou het antwoord moeten luiden: Zwarte Piet is zwart omdat hij de opvolger is van Zwarte Klaas. Dit wordt ondersteund door vele teksten uit de achttiende en negentiende eeuw. Waarom is die Klaas dan zwart? Omdat hij een geestverschijning is. Geesten – vooral die van overledenen – worden over de hele wereld voorgesteld als wit of zwart. En inderdaad, de schoorsteen is – symbolisch – de geijkte toegangsweg van de geestenwereld naar onze wereld. Dit aspect van het sinterklaasfeest wordt stelselmatig over het hoofd gezien, omdat het ongemakkelijk aanvoelt in onze rationele tijd en natuurlijk simpelweg omdat bijna niemand dit weet. Toch is dit aspect cruciaal in het doorgronden van de betekenis van het feest. Ja natuurlijk, de mensen die zich vermommen als Sint en Piet zijn levend, maar de figuren die zij voorstellen zijn onstoffelijk. Hoe zou je je anders door een nauwe schoorsteen kunnen wringen en vliegen van dak naar dak? Hieronder vindt je vele historische teksten als bewijsmateriaal voor deze stelling. Het is een bloemlezing die een beeld schetst van de vele vormen van Piet en Klaas tussen 1717 en 1940 en dan vooral van het fenomeen Zwarte Klaas. (1) De onzichtbare cadeaugever Al in de vijftiende eeuw zijn er bronnen die vertellen van maskerades met Sint Nicolaas en een gevolg van duivels (buiten het christelijke referentiekader zou je zeggen boze geesten). Deze komen echter uit Duitsland. Uit Nederland komen wel berichten uit de veertiende tot en met de zeventiende eeuw dat scholieren als bisschop verkleed rond gingen, maar niets over zijn gevolg. Met de komst van de reformatie wordt het stil  in Nederland rondom Sinterklaas als bisschop in vol ornaat. Het verkleden als katholieke bisschop werd door de protestanten niet gewaardeerd. Op veel plaatsen kwam de Sint nog wel, maar hij werd niet meer gezien. Alleen zijn cadeaus waren nog het bewijs dat hij ongezien het huis was binnengekomen. Dit vinden we bijvoorbeeld terug op het beroemde schilderij van Jan Steen en die van Cornelis Dusart.  (2) Dusart 1687 Zwarte Sinterklaas Harlekijn met zwart halfmasker Door de invloed van TV en krant is het feest van Sinterklaas overal ongeveer hetzelfde geworden in Nederland. De eerste berichten over het Sinterklaasfeest uit de achttiende en negentiende eeuw lopen echter veel verder uiteen. Zowel het uiterlijk als de naam van de hoofdpersonen van het feest verschillen per bron. Het meest opvallend is nog wel de verschijning van een Zwarte Klaas, het gebruik van hoorns en maskers en de associatie met de Bullebak. In de achttiende eeuw heeft op veel plaatsen de duivelse figuur uit het gevolg van de bisschop de plaats in genomen van de bisschop zelf! Hij neemt ook de naam van de bisschop over. Een eerste vermelding hiervan vinden we terug in 1717. In een lang gedicht vinden we deze zinsnede: Een Amsterdammer kwam gekleed als Harlekien, In schyn van Sinte Klaas, en deelden aan hun mede. De harlekijn heeft in de comedia del’ arte vaak een zwart gemaakt gezicht of een zwart halfmasker op. Hij stamt naar alle waarschijnlijkheid af van de aanvoerder van de Wilde Jacht die ook wel Herla en Hellekijn wordt genoemd. (3) In een beschrijving van het driekoningenfeest uit 1736 wordt vermeldt hoe één van de drie of soms alle drie koningen een zwart masker op doen of zich bestrijken met een zwart smeersel. Vervolgens staat er: Met diergelyke zottigheden vermaken de Hollanders hunne kinderen op St. Nicolaas avond. Met sint Nicolaas gebeurt er dus iets vergelijkbaars. (Ook nu nog bestaat er het gebruik van de zwartgemaakte derde koning tijdens driekoningenoptochten) In 1748 spreekt men van een ‘zwarte Sinterklaas die reed met zyn rott [ros?] op stelten‘. Zwarte Sinterklaas Veluwe 1900 De eerste keer dat er uitgebreid gesproken wordt van deze Zwarte Sinterklaas is in 1792. In het tijdschrift De Joodsche Wandelaar staat het volgende “Mannen, wat hadden wij op Sinterklaas-avond een pret! het was een klucht, om te zien, hoe bang mijne jongens waren, ha! ik moet er nog om lachen, als ik er om denk; mijn wijf zelve, schoon zij van de vonk wist, zou wel in een hoek gekropen hebben, zoo had ik mij toegetakeld, met lappen en vodden van allerhande kleuren, mijn bakhuis had ik zwart gemaakt, en ik rammelde zoo verschrikkelijk met de ketting, dat het huis er van daverde; met een holle stem vraagde ik, of er ook stoute jongens waren? dat ik Sinter Klaas was, die nu reed, om naar jongens te zoeken, die niet wilden leren, maar die, voor zoete kinderen, appelen, noten, kastanjes, en Sinterklaasgoed had. De kinderen kropen in een hoek..” Tante Jet speelt Sinterklaas 1881 In een Nicolaasfeest uit 1827 wordt het aldus vermeld: toen op ééns weder de kaarsen uitgingen, en wij een paar keeren het klappen van eene groote voermans zweep over onze hoofden hoorden, terwijl een holle stem ons toeschreeuwde: “vrede daar! of St. Nicolaas zal u allen met de zweep slaan, en de ondeugendste in een’ zak den schoorsteen insteken!” Eene plotselinge stilte volgde, niemand durfde spreken; alleen de moeder riep: “och, Sinter Niklaasje! de kindertjes zullen zoet zijn, ga dan nu maar heen!”. Men bragt weêr licht, en nu zagen wij, zoo wij meenden, duidelijk St. Nicolaas met een zwart gezigt, met eene ruige muts op, en eene zweep en roede in de hand, de deur uitsluipen. (4) Dergelijke meldingen over Zwarte Sinterklazen gaan door tot 1940. In dat jaar wordt er in een tijdschrift verteld van vreemd toegetakelde jongens die als ‘Zwarte klazen’ rondzwalken en met de rommelpot van hoeve tot hoeve trekken in de omgeving van het stadje Buren in de Betuwe. Naast de schriftelijke bronnen hebben we ook nog twee afbeeldingen uit Nederland van deze Zwarte Sinterklaas. Eentje uit 1881 en een van rond 1900 uit de Veluwe. Die afbeeldingen zijn hierboven te zien. Als figuur lijkt hij veel op de – ook vaak zwart gemaakte –  ‘Knecht Ruprecht’ of ‘le père Fouettard’ (vadertje zweepslag). Dit zijn in Duitsland en resp. Frankrijk de helpers van Sinterklaas. (5) Gaetano Chierici 1870 – Pieter mijn Knegt Sinterklaas met masker, hoorns, huiden en kettingen Deze figuur die zich Sinterklaas noemt, maar er totaal anders uitziet dan onze voorname bisschop Sint Nicolaas kwam soms ook met een masker voor of op een andere wijze ruig en wild toegetakeld. De eerste vermelding die ik hier van ken stamt uit 1796: ‘daar wierd een geraas als van iemand, welke zeer zwaar stapt, boven in het voorhuis gehoord – Dat geraas naderde meer en meer – Daar kwam iets klos, klos, klos met een verward gerinkel, als van yzeren ketenen, en een angstig gebrom de trappen afstommelen. Nog heden ril ik ‘er van. Eindelyk wy allen zagen verwonderd naar de deur en nu trad ‘er iets in, dat meer de gedaante had van een monsterdier dan van een mensch. Het spook, beter weet ik het niet te noemen, had zoo veel wy zien konden, eene koe-huid omgeslagen, zoo dat de hoornen vlak boven het gezicht kwamen, dat achter een yselyke scherbiskop of mombakkes verborgen was, en de staart kronkelde achter aan. ’t Geklos van de zwaare houten klompen, welke het zelfde om de voeten droeg, gevoegd by het gerinkel der ketenen, om het midden geslagen en op den grond sleepende, alles saam genomen gaf zulk een vreeslyk geraas en aanzien, als ik voor of na nimmer weer gezien heb. Hooren en zien verging ons allen. Het ondier ging langs den muur het vertrek rond, trad toen by de tafel in ’t licht, en vroeg met een holle stem: zijn hier ook stoute kinderen?” S.A. Kraus 1770-1825 – Sint Nicolaasavond De beschrijving van van Hengel uit 1831 noemt geen masker, maar de rest is genoeg om elk kind de stuipen op  het lijf te jagen: Immers, met oogen van vuur, met kettingen, met beestenhuiden, en met al wat voor den mensch het meest verschrikkelijke was, toegerust. Zoo vertoonde zich dan ook Sint-Nikolaas, en men vergat vooral de geeselroede niet, welke het gebleken was, dat hij zoo wel te hanteren wist. De dichter de Genestet zei in 1849 over een bezoek van Sinterklaas: Hij droeg zijn kleren binnenstebuiten, en: ‘Al grommlend in den baard, die afstroomt van zijn kin, Een masker voor ’t gelaat – afschuwelijk van kleuren‘. De Twentse Cato Elderink vertelt over haar jeugd in de jaren zeventig van de negentiende eeuw over de ‘boozenkeerl’: Hij kwam door de boozem (schoorsteen) net als Sinterklaas. Men sprak niet over de heilige man, maar over ‘de kerel die vanavond wil komen’. Er kwam er een tevoorschijn die zich lelijk toe had getakeld en waar ze bang voor waren. (6) Uit deze voorbeelden is het duidelijk dat de figuur van Sinterklaas in de vroege periode absoluut nog niet was uitgekristalliseerd. Hij was in deze hoedanigheid in ieder geval duidelijk geen bisschop. Aanwijzingen voor zijn identiteit zijn te vinden in het zwart maken en in het vermommen door middel van een masker. Dit zijn manieren om de eigen persoonlijkheid te laten verdwijnen en om tijdelijk een geest te worden. Het woord masker komt van het Latijnse ‘masca’ wat geest of heks betekent. (7) De eerste tekst zegt specifiek dat de afschuwelijke verschijning een spook is. De eerste tekenen van Zwarte Piet  Mets 1895 De eerste bron die melding maakt van een Piet die kinderen bedreigd is uit 1748: ‘dat zommige ouders zoo dwaas zyn om hunne kinderen, als zy (…) het minste misdaan hebben (…) hen dreigen, dat, als ze niet zoet zyn, de zwarte man, Piet met de pooten etc. hen zal by komen. De eerste bron die spreekt van een Zwarte Piet stamt uit 1766. Hij wordt genoemd als spook oftewel geest te midden van allerlei andere benamingen van geesten: ‘Dus al wat onder naam van diergelyke grollen, Van Molik, Bullebak, van Boldergeest, van Kollen, En Toverteeven, van Kabouterman, van Schaêuw Schim, Demons, Tuimelaars, Dwaallichtjes, Bytebaauw, Spektakel, Nikker, Hex, Nachtmerrie, of Sint Felten, Oom Hendrik, Zwarte piet, of Joris op de stelten’ In 1800 wordt Piet in de bronnen voor het eerst gekoppeld aan Sinterklaas, het gaat dan echter nog om Piet Poot: ‘Schoon wij ons verheugen/ dat in ons Land/ in de Steden en ook op het platte Land/ de wezenlijke voorstellingen van eenen Sinterklaas/ merkelijk vermindert/ zo blijft echter de slechte gewoonte/om kinderen/ met den zwarten Man/Piet Poot/den Smous/den Karreman/ den Nachtwagt/ etc bang te maaken’. Ook de ‘zwarte man’ uit het gedicht komt vaker voor in connectie met Sinterklaas en als een alternatieve naam voor de zwart geschminkte bangmaker. Ook uit 1836 en 1843 zijn er bronnen waarin Sinterklaas een knecht heeft. In 1843 wordt deze – met kettingen rammelende – knecht Pieterbaas genoemd. Het is duidelijk dat Piet al ruim vòòr 1850 bestond en wellicht zelfs al bekend was in het midden van de achttiende eeuw. Kollarz 1869 De schrijver Alberdingk Thijm schreef in 1884 over zijn jeugd zo rond 1828 het volgende: ‘Nadat de kinderen hadden gezongen kwam een ‘kinderlievende bisschop’ binnen, compleet met koorkap, witte baard en mijter. Terwijl de kinderen dansten wierp de Sint uit een zak ulevellen, chocolaadjes, suikererwten, kapittelstokjes en amandelen in de kring en vervolgens overhandigde hij, na ‘eenige kwalijk geformuleerde zedelessen’, ieder kind een geschenk uit een korf, die werd gedragen door Pieter me knecht, een kroesharige neger.’ Uit deze bron is duidelijk op te merken dat Piet(er), de knecht van Sinterklaas al vroeg, soms als een Afrikaan werd opgevat. Dit beeld wordt nog verder versterkt door het verschijnen van een zwarte knecht in het roemruchte boekje van Jan Schenkman uit 1850. Dit was echter geen uitgemaakte zaak. In een krantenbericht uit 1876 staat: ‘Sint Nicolaas met zijn zwarten knecht werd door vier zwarte paarden, door twee negers gereden, de straten doorgevoerd.’ Blijkbaar is de zwarte knecht te onderscheiden van de twee ‘negers’ en dus niet zelf per se een Afrikaan. In de negentiende eeuw was de knecht van Sinterklaas nog vaak een schrikwekkende, boze geest. Zoals in de volgende omschrijving uit 1869: ‘Hadden we kunnen vermoeden dat de angst verwekkende knecht met zijn bokkenfacie en zijn afzichtelijke horens de zoon van vaders oppasser was, dan zoude ons kinderlijk gemoed niet tot in onze diepste roerselen geschokt zijn geweest.’ De donkere knecht van Sinterklaas had tot ver in de twintigste eeuw benamingen die verschilden per streek. Hij werd o.a. Assiepan, Jacques Jour, Sabbas (Zeeland), Hans Moef, Heintje Pik, Jan de Knecht, Krik-krak, Micheltje, Nicodemus, Pieterman, Pikkie, Trappadoeli, Zwarte Jan of Zwarte Klaas genoemd. Ook Zwarte Piet is in zijn oudste gedaante te zien als een angstwekkende verschijning van een boze, straffende geest. In een boek uit 1840 over het bijgeloof wordt Zwarte Piet genoemd als een van de namen van de duivel, naast Joost, Hans, Heintje Pik en Joris op de Stelten. (8) Bullebak en waternekker Sint en boeman 1840 In een drietal gevallen wordt er melding gemaakt van een ‘bullebak’ tijdens het Sinterklaasfeest. De eerste maal gebeurt dat in 1813: Onlangs hadden wij St. Nicolaas avond. Ik ben gantsch geen minnaar om, op het vrolijk feest van dien heiligen, die zulk een goed man en kindervriend is geweest, de kleine kinderen te laten verschrikken door akelige geruchten en vertooningen, of door een’ zogenaamden bullebak.’ In 1815 horen we dit opnieuw: ‘en daarom is het bang maken van jonge kinderen, voor bullebakken, zwarte mannen, voor St. Nicolaas, of wat van die natuur meer zij hoogst berispelijk’. Uit 1821 komt de laatste uitgebreide beschrijving: ‘Toenmaals was er nog een bullebak. Dit was een grimmig man, met een zwart gezigt, of wel een masker voor hetzelve, in eene vreemde, lelijke kleeding, met een ‘zak op den rug en een bloot zwaard in de hand. Zoo ging de vreeslijke bullebak een paar dagen voor Sint Nicolaas op de straat rond, tierde, sloeg met het zwaard vonken uit de steenen, en maakte een ijslijk geweld…..” “…zelfs verstandige lieden verkleedden zich als de bullebak, en liepen wel niet de straat rond, maar daarvoor kwamen zij in de huizen hunner verwanten en bekenden, en hielden eene ontzaglijk groote roede in de hand.’ Ook de Amsterdamse Zwarte Klazen riepen rond 1871 met een ‘bullebakstem’. Bullebak betekent letterlijk bulderend gezicht. Het was de naam voor een duivel of een boze geest en werd later meer de benaming voor een barse kerel. Hij werd voorgesteld als zwart en mismaakt. Juist in Amsterdam en andere Hollandse steden werd hij gezien als een watergeest die onvoorzichtige kinderen het water in trachtte te slepen. (9) 1875 zwarte piet als kikker Ook de uit latere bronnen bekende ‘Heintje Pik’ als alternatieve benaming voor Zwarte Piet is een duivel èn een watergeest. (Van hem wordt in 1858 gezegd: “Zoo stelt men zich den duivel in Nederland voor als een over geheel het lichaam, zwart, kortharig mensch met een menschenvoet, een paardenpoot en eenen koestaart, wordende naar zijn zwart haar Heintje Pik genoemd.”) Verder wil ik nog wijzen op de watergeest genaamd nikker of nekker die ook voorkomt in de opsomming waarin Zwarte Piet voor het eerst wordt genoemd samen met de bullebak en de bietebauw en de opmerkelijke klankgelijkenis tussen deze zwarte watergeest en Nicolaas. Al deze dingen bij elkaar maken de zeer opmerkelijke illustratie uit 1875 van de knecht van Sinterklaas als een soort watergeest of kikker een stuk begrijpelijker! (10) Duitse sinterklaas en gemaskerde knecht ca 1800 Gedaanten als de waternikker, de bullebak en Heintje Pik staan ook bekend als ‘kinderschrik’. Het zijn geestwezens uit het volksgeloof. Vroeger werd hier door het volk in geloofd, maar zeker vanaf de achttiende eeuw werden zij voornamelijk nog gebruikt om er de kleine kinderen mee bang te maken. Zo konden ze door middel van angst gedwongen worden tot goed gedrag. Opmerkelijk in het gebruik van Zwarte Piet en Zwarte Klaas als kinderschrik is hun lijfelijke verschijning tijdens maskerades en tijdens een bezoek aan huis. Zij zijn dan vermomd door middel van een masker of een zwart gemaakt gezicht en zij maken vaak een hele hoop lawaai, een wild geraas. Het heeft er veel van dat zij de boemannen en de bullebakken zijn die uit het water of uit de pikdonkere nacht tevoorschijn komen om de kinderen bang te maken en in het gareel te brengen. (11) Maskerades en lawaaioptochten Al in een bron uit 1659 wordt gezegd: ‘Sinte Claes, die rijcke milde man, die is so goet van geven dat de Jonghe-luy hem loven met geraes.‘ In een spotdicht uit 1802 is het Sinterklaas zelf die het lawaai maakt: Zy laggen om Sint Nicolaas die met een ketting loopt en maakt een drommels groot geraas. Deze teksten doen sterk denken aan het bekende sinterklaaslied ‘Zie de maan schijnt door de bomen, makkers staakt uw wild geraas.’ Dit lied – geschreven door J.P. Heije – stamt uit 1843. In een bericht uit 1850 lezen we iets over hoe lawaaierig het er buiten aan toe ging tijdens sint Nicolaasavond: “Gerust kunt ge u nu buiten wagen Geen zwarte kop met huiden om het lijf geslagen en hoornen op. Geen ketens ramm’len langs de keijen als van een beer, Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen Geen angstkreet meer.” In 1863 vertelt Eelco Verwijs van geraas in Friesland: ‘Zoo bijv. vertoonen zich op St.-Nicolaasavond op het Vliet te Franeker de zoogenaamde St.-Nicolaasmannen, die vreeselijk toegetakeld en vermomd, onder vervaarlijk geschreeuw en geraas de streek langs trekken en zich aan allerlei baldadigheid overgeven.’ Groningse boerensinterklaas Volgens ter Gouw gingen in 1871 te Amsterdam de ‘Zwarte Klazen’ rond: onder groot rumoer, en met schoorsteenkettingen een afgrijselijke muziek op de straatkeijen makende; de buurten rond, om op deuren en vensters te bonzen en met een bullebaksstem te roepen: ‘Synder ook quaje kyeren? Er is dus sprake van het maken van lawaai door jongeren die zich zwart hadden gemaakt of anderszins hadden vermomd. Het razen wat zij doen is volgens het etymologisch woordenboek woeden, bulderen, in razernij komen of gek worden. Je zou kunnen zeggen de razende wordt uitzinnig, raakt uit zichzelf van woede en treedt uit zijn lichaam om op deze wijze geest te worden. Het is erg opmerkelijk dat de bullebak ook zijn naam ontleend aan het bulderen. Het doet denken aan de mombakkes: een woord dat soms gebruikt werd voor de watergeest, maar ook voor een bizar masker. (12) Conclusie Zowel Sinterklaas als Zwart Piet zijn geestwezens. Soms zijn ze belonend en wit, soms zijn ze straffend en zwart. Dit stel is een yin en yang, een ‘good cop / bad cop’. In de donkere hoedanigheid is hij een boze, dus zwarte geest. (13) In de vroegste tijd kon het ook voorkomen dat Sinterklaas alleen optrad en dan zwart van kleur was. Deze Zwarte Klaas werd langzaam maar zeker verdrongen door Zwarte Piet èn de witte Sinterklaas (met zijn witte haren en huid en witte tabberd). Dit was een proces dat één tot twee eeuwen in beslag nam. In al deze vormen waren Klaas en Piet te zien als ‘kinderschrik’. Dit zijn geesten waar vroeger het hele volk in geloofde, maar die later slechts gebruikt werden om kleine kinderen bang te maken om ze zo tot gehoorzaamheid te dwingen. Nieuwe pedagogische inzichten hebben het schrikwekkende uiterlijk van Sint èn Piet langzaam helpen afbouwen. De Zwarte Klaas verdween, de deftige bisschop mocht blijven en Zwarte Piet werd ontdaan van ketting en roe. Beiden werden uiteindelijk niet meer (h)erkend als geest. De geestelijke of desgewenst ‘bijgelovige’ kant van het feest verdween en daarmee ook de meest scherpe, ruige kant van het feest. Het feestje werd – ondanks of juist dankzij de bisschop – door en door seculier en braaf. Heeft deze herontdekking van de betekenis van de Zwarte Klaas nog invloed op het huidige debat?  Of concreter gezegd moet Piet zwart blijven omdat hij ooit van Zwarte Klaas afstamde of omdat hij ooit meer als een zwarte, boze geest werd gezien? Voor mij persoonlijk is de aanraking met het numineuze, met de geestenwereld, door middel van de ontmoeting met de vermomde persoon (die daardoor even geest is), of juist door zelf deze vermomde persoon te zijn, een belangrijk element in de beleving van het Sinterklaasfeest. Deze geest was in de folklore zwart, zo zwart als de nacht en zo zwart als het diepe water. Symbolisch en praktisch is het de juiste kleur. Het maakt de vermomde onherkenbaar en verhuld zijn identiteit, het maakt hem tot een geestwezen. Het is echter een klein gewicht aan de ene kant van de afweging. Andere argumenten die meer te maken hebben met de latere ‘Schenkman-Piet’ geven gewicht aan de andere kant van de schaal. Het voert te ver om dat debat te voeren in dit stuk. (14) Dit stuk is bedoeld om te kijken naar de historie van Zwarte Piet èn Zwarte Klaas.   Matthijs Naiveu 1703 – Feestelijkheden van Sint Nicolaas Abe van der Veen 1) Mijn artikel is zwaar schatplichtig aan dit artikel: http://sintenpietengilde.nl/wp-content/uploads/2016/10/Zwarte-Klaas-is-Zwarte-Piet.pdf 2) Jansen, Louis – Nicolaas, de duivel en de doden 25, 30 3) http://sintenpietengilde.nl/literatuur/ Deze site is ideaal om bronnen te vinden aangaande het Nederlandse Sinterklaasfeest. Bijna alle citaten in de bovenstaande tekst komen bij deze site vandaan. Hieronder heb ik meerdere relevante citaten over de historie van sint en piet verzameld. https://en.wikipedia.org/wiki/Harlequin Ook Sinterklaas wordt veelvuldig in verband gebracht met de Wilde Jacht, echter harde bewijzen voor die connectie ontbreken vooralsnog. 4) Al deze citaten en ook de verdere citaten kun je hier beneden vinden of inclusief vindplaats op de site http://sintenpietengilde.nl/literatuur/ 5) http://www.abedeverteller.nl/van-duivelse-pieten-en-zwarte-klazen-de-monsterlijke-helpers-van-sint-nicolaas-3/ 6) Sinninghe – Overijssels sagenboek 37 Vertaald uit het Twentse dialect. Natuurlijk zijn er ook nog de sunderums, klaasomes, sundekloazen en klozums van de Waddeneilanden. Deze figuren lijken hebben ook geen bisschopskostuum aan en waren nog rond in de Sinterklaastijd tot op de dag van vandaag! 7) https://www.etymonline.com/word/mask http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/masker 8) http://www.cubra.nl/De-paap-van-gramschap/Paap-van-Gramschap_PDFs/Weijnen_dr_A_De_knechts_van_Sinterklaas_Brabantia_Nostra_jrg-6_nr-2_nov-1940.pdf Verhandeling over het booze wezen in het bijgeloof onzer natie – Antonie Niermeyer 22 9) http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/15-dossiers/dossiers/3297-stadslegenden-de-bullebak http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/bullebak 10) http://www.abedeverteller.nl/van-zwartepieten-negerzoenen-en-moorkoppen/ 11) https://nl.wikipedia.org/wiki/Kinderschrik 12) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/mombakkes en wat betreft mombakkes als watergeest een mondelinge bron uit Amersfoort. 13) De negatieve connotatie van de kleur zwart hoeft zeker niet teruggevoerd te worden op een negatieve benadering van iemands donkere huidskleur. Zwart wordt geassocieerd met nacht, dood, aarde en veel meer. 14) Ik moet helaas erkennen dat dit diepere aspect allang niet meer wordt herkend en dit zal ook niet snel terug komen. Het feest in zijn huidige vorm is dusdanig geseculariseerd en geciviliseerd dat het niet meer uitmaakt of Piet zwart is of roetvegen heeft of anderszins. De kinderen zullen er niet minder van genieten en alle mensen met een Afrikaanse oorsprong of met een donkere huidtint zullen er dan naar alle waarschijnlijkheid meer van kunnen genieten. De volwassene met een bleke teint had al bijna de sint in de uitverkoop gezet en was dan overgelopen naar de kerstman, ware het niet dat met Sinterklaasjournaal en films de Sint weer ‘hip’ was gemaakt. Die ‘normale’ volwassen Nederlander keek ook al niet om naar meifeesten, oogstfeesten en andere allang verdwenen gebruiken en die maalt zeker niet om de diepere, esoterische betekenis van het feest. Dus waarom die hakken in het zand? Het sinterklaasfeest blijft een prachtig feest wat velen dierbaar is, maar het zal niet verdwijnen. Sint verdwijnt niet als Piet roetvegen krijgt, het kinderfeest blijft bestaan, maar verandert weer een stukje en zo is dat alle vele malen eerder zo gegaan. Dit doen is niet impliciet toegeven dat je fout zat en al die tijd racist was, maar dat je erkent dat er elementen van racisme in het uiterlijk van Zwarte Piet zitten en dat je dus over je eigen schaduw heen kan stappen. Ik zou persoonlijk kunnen leven met een roetpiet. Dit zou een mooie handreiking zijn naar degenen die moeite hebben met het racistische element dat gaandeweg toch ook in Piet was geslopen. En toch snap ik dat dit verrekte moeilijk is voor velen. Dit komt omdat de Piet-discussie onlosmakelijk verbonden is geraakt aan een breder racismedebat. Het toegeven aan verandering wordt namelijk lastiger gemaakt doordat het lijkt dat je toe moet geven aan een leugen. De oorsprong van Piet ligt een stuk complexer dan het negerslaaf verhaal en de liefhebber van Piet doet dit geenszins vanuit racistische motieven (al zitten er zeker racisten tussen). Door zwart op te geven lijkt het dat je leugens moet accepteren als alternatieve waarheden omdat de ‘tegenpartij’ heeft gewonnen en de winnaar heeft altijd gelijk. De blanke/witte is schuldig ad infinitum, want de erfzonde van slavernij en kolonisatie blijft eeuwig aan hem plakken. Toegeven zou betekenen dat je deze erfzonde accepteert en zo maak je je eeuwig schuldig! Deze polarisering is om triest en soms ook om woedend van te worden. Pas als je je aan laat spreken door al deze beschuldigingen wordt het doen van een kleine geste – roetveeg bv. – een enorm moeilijke stap. Juist als je dit koud van je af laat glijden, omdat het werkelijk niets met jou als persoon te maken heeft, kan je grootmoedig zijn. Dan wordt het aanpassen van het uiterlijk van Piet weer een bagatelle, een kleinigheid. Je kunt een voorkeur uitspreken, maar hé waar doen we eigenlijk moeilijk over? Maar mag dit toegeven dan ook van twee kanten komen? Wie donker van tint is kan er ook voor kiezen om zich niet te laten beledigen of te laten kwetsen. Als er duidelijk geen intentie daartoe is, is dat vrij makkelijk. Als het gaat om een licht pesterijtje – hé daar loopt zwarte Piet! – dan is dat ook prima van je af te schudden. [ik doe hetzelfde als ik weer eens nageroepen wordt met ‘hé daar loopt Jezus’ vanwege mijn lange haar en baard] Er zijn meer redenen om je zwart te schminken dan ‘blackface’ en daarom mag je moeite doen om die associatie van zwart gezicht is denigrerend kwijt te raken. Dat betekent dat negatieve gevoelens je niet meer aangedaan worden, je hebt het zelf in de hand. De ander eeuwig schuldig maken, betekent jezelf eeuwig slachtoffer maken en wie doe je daar in godesnaam een plezier mee? Hiermee ophouden is waarschijnlijk de belangrijkste handreiking naar het ‘andere kamp’. Het lijkt mij dat iedere organisatie zelf mag bepalen welke vorm en kleur van Piet hij zal kiezen. Er is in deze tijd geen voor iedereen goede keuze te maken. Er is wel de mogelijkheid om persoonlijk ervoor te kiezen om je niet gek te laten maken, niet op de kast te laten jagen, je niet te laten kwetsen of beledigen om elkaar als medemensen te zien in plaats van ‘hullie van het vijandelijke kamp’. Dat betekent naar argumenten luisteren ook al zinnen ze je niet, daar inzichten over opdoen en je oude mening soms bijschaven, ook al doet dat even pijn, zodat je nader tot elkaar komt en dit kan en moet zelfs van twee kanten komen. Hieronder een bloemlezing met de mijns inziens meest interessante bronnen over Sint en Piet uit de verzamelde teksten van het Sint en Pietengilde (sintenpietengilde.nl): 1659 “Sinte Claes, die rijcke milde man, die is so goet van geven Dat de Jonghe-luy hem loven met geraes. Soud’ er dan gheen soete lieve vreugd’ van ons worden bedreven W’ hebben immer een veel goeder Sinte Claes: Vredigh, vreughdigh, vroedt//Rijck van deught en goedt. Schout en mijt al watmen mijden moet.” “Daerom is hier sulcken groot geraes,gerammel en gebabbel, Dattet dreunt en drillt soo singen wy Fa Sol: Ja men geeft en goyt’er nu voor ons wel so veel goet te grabbel ’t Waer geen wonder kreegh’er een sijn Schoenen vol. Wy zijn allegaer//Nu door hem en haer Alsoo blijdt also of het Bruyloft waer.” 1708 De eerste keer, tot nog toe, dat we bullebak in combinatie met een zwarte kleur tegenkomen in een Nederlands boek is in het ‘Boerekermis’ (1708 – Rotgans, Lucas – pagina 51): “Die zwarte bullebak, mismaakt van top tot teen” 1717 Een Amsterdammer kwam gekleed als Harlekien, [Arlequino?] In schyn van Sinte Klaas, en deelden aan hun meeden 1736 In Holland ziet men het gemeene volk eenigen tyd voor Kersmis byna eene volkomene mascarade aanrechten. De zangers verkiezen drie der welgemaakste van hunne bende, om de drie Koningen op een rei gaande te verbeelden. De middelste stapt statelyk voort met een groote sterre van wit papier, die aan het opperste einde van een lange stok is vastgemaakt: binnen de sterre branden een of twee kaarsen. Die dezelve draagt, doet ze omdraajen terwyl hy zingt. De drie Koningen hebben witte hembden aan, en zy zyn als gekroond met een soort van een windsel om het hoofd, dat met klatergoud versiert is. Een van de drie heeft een zwart momaangezicht voor, of zyn aangezicht is maar bestreken met zeker zwart smeersel, ook ziet men zomwyl zy alle drie zwart gemaakt zyn; Dat spel begint doorgaans half November, en eindigt met Driekoningen.” “(b) Met diergelyke zottigheden vermaken de Hollanders hunne kinderen op St. Nicolaas avond. Picart, Bernard 1736 1748 Myn Hoogmoed! Spreek, ei spreek. Ondeugd knielende aan de andere zyde van Hoogmoed. Mevrouw, een woordje, want je ziet zyn hart word week; ‘k Waar laast als band dat het als boter weg zou smelten Toen Zwarte Sinteklaas reed met zyn Rott [Ros?] op stelten. 1749. Buys , Egbert,  [over spookerijen]. De algemeene spectator 6 november 1748 (23): 178.: dat zommige ouders zoo dwaas zyn om hunne kinderen, als zy (…) het minste misdaan hebben (…) hen dreigen, dat, als ze niet zoet zyn, de zwarte man, Piet met de pooten etc. hen zal by komen. 1766 De eerste keer, tot nog toe, dat de naam Zwarte Piet opduikt in een Nederlandse bron stamt uit het jaar 1766. In het boek ‘De bespookte waereld ontspookt. De duivel geroskamt en het Euangalie van den Spinnerok weerlegt.’ (uitgifte: 1766/ Paulantinus Philocalus (pseud. van Willem Ockers)  wordt de naam Zwarte Piet vermeld samen met vele andere namen voor geesten, spoken en duivels. “Dus al wat onder naam van diergelyke grollen,Van Molik, Bullebak, van Boldergeest, van Kollen, En Toverteeven, van Kabouterman, van Schaêuw Schim, Demons, Tuimelaars, Dwaallichtjes, Bytebaauw, Spektakel, Nikker, Hex, Nachtmerri, of Sint Felten, Oom Hendrik, Zwarte piet, of Joris op de stelten, Al wat van Eunjer, Droes, van Drommel, of Harpy, Cenaurus, Hydra, of zulk zoort van zotterny, En heidens-fabelkwyl, zich immers zou vertoonen; Al wat ‘er van Sireen, van Saters, Mirmidoonen, Grypvogels, of Griffoens, en junjers, is bekend; Chimeren, en Gorgoons, en Furiën, omtrent de honderd zottigheên waarvan de ouden schrijven: Weêrwolven, boldermans, of duikers, witte wyven, Hamadryäden en Najaden; deeze ry, Met ’t gansch Scharminkelheir van helsche razerny, Nachtschimmen, schaduwen, en Avondstond-godeffen, En fantazyën, breinverbeeldingen, Inpressen, En meerder zulken. Dit, of zoortgelyk gespook en naamen; noem ik niet dan eidelheid en rook.” 1780 “Het eerste, dat een der Ouders gemeenlijk zynen kinderen, ongehoorzaam zynde, voorbehoudt, is: nu, als gy stout zyt, dan wil ik den zwarten man, met de lange baard, haalen Zijn de zelfe onwillig, of verdrietig om het vroeg naar bed gaan; iets, dat zeer natuurlyke oorzaken kan hebben, dan moet de kinderdief worden geroepen om hen in den grooten zak te steeken.”  1792 Een alleraardigst voorbeeld vinden we in het tijdschrift De Joodsche Wandelaar uit 1792:37 “Gijs de Kleermaker.  Mannen, wat hadden wij op Sinterklaas-avond een pret! het was een klucht, om te zien, hoe bang mijne jongens waren, ha! ik moet er nog om lagchen, als ik er om denk; mijn wijf zelve, schoon zij van de vonk wist, zou wel in een hoek gekropen hebben, zoo had ik mij toegetakeld, met lappen en vodden van allerhande kleuren, mijn bakhuis had ik zwart gemaakt, en ik rammelde zoo verschrikkelijk met de ketting, dat het huis er van daverde; met een holle stem vraagde ik, of er ook stoute jongens waren? dat ik Sinter Klaas was, die nu reed, om naar jongens te zoeken, die niet wilden leeren, maar die, voor zoete kinderen, appelen, noten, kastanjes, en Sinterklaasgoed had. De kinderen kroopen in een hoek,…” 1796 En in de beschrijving van Mattheus van Heijningen Bosch: ‘waren wy in den woonkelder, welke eenige trappen diep in den grond is, gezeeten, of daar wierd een geraas als van iemand, welke zeer zwaar stapt, boven in het voorhuis gehoord – Dat geraas naderde meer en meer – Daar kwam iets klos, klos, klos met een verward gerinkel, als van yzeren ketenen, en een angstig gebrom de trappen afstommelen. Nog heden ril ik ‘er van. Eindelyk wy allen zagen verwonderd naar de deur en nu trad ‘er iets in, dat meer de gedaante had van een monsterdier dan van een mensch. Het spook, beter weet ik het niet te noemen, had zoo veel wy zien konden, eene koe-huid omgeslagen, zoo dat de hoornen valk boven het gezicht kwamen, dat achter een yselyke scherbiskop of mombakkes verborgen was, en de staart kronkelde achter aan. ’t Geklos van de zwaare houten klompen, welke het zelfde om de voeten droeg, gevoegd by het gerinkel der ketenen, om het midden geslagen en op den grond sleepende, alles saam genomen gaf zulk een vreeslyk geraas en aanzien, als ik voor of na nimmer weer gezien heb. Hooren en zien verging ons allen. Het ondier ging langs den muur het vertrek rond, trad toen by de tafel in ’t licht, en vroeg met een holle stem: zijn hier ook stoute kinderen?” 1796 1799 Dominee Hanewinkel schrijft in zijn Reizen door de Marjorij van ’s Hertogenbosch uit 1799 dat sinterklaas daar in alle dorpen zijn intrede deed: ‘Op enige derzelven rijdt één, somtijds twee mensen op een paard dan rond; zij zijn zeer misselijk, somtijds zelfs afschuwelijk uitgedost, zij werpen allerlei klein gebak onder de kinderen, die hen in menigte, met hoop en vrees bezield, navolgen en denken dat dit de ware St. Nicolaas is’. 1800 Schoon wij ons verheugen/ dat in ons Land/ in de Steden en ook op het platte Land/ de wezenlijke voorstellingen van eenen Sinterklaas/ merkelijk vermindert/ zo blijft echter de slechte gewoonte/om kinderen/ met den zwarten Man/Piet Poot/den Smous/den Karreman/ den Nachtwagt/ etc bang te maaken  ca. 1800 De Friese volkskundige Waling Dijkstra meldt dat in Franeker aan het begin van de negentiende eeuw gemaskerde schippersknechten op sinterklaasavond onder ‘hoorngetoet en ketelmuziek’ rondtrokken, in een gewaad dat ‘lelijk en wanstaltig, ook wel onkies’ was; ‘de duivel met een zwarte keten aan het been mocht er nooit bij ontbreken’. 1802 Tevens zien we in dit spotdicht uit 1802 dat er ook helemaal geen eerbied is voor deze Sint-Nicolaas: Zy laggen om Sint Nicolaas Die met een ketting loopt En maakt een drommels groot geraas. 1802 Men had, voor tijden, en heeft nog wel hier en daar, de kwade gewoonte, dat men, op den dag, die aan eenen roomschen Heiligen, St. Nikolaas genaamd, gewijd is, kerels verkleedde en zwart maakte, die dan dien Heiligen moesten verbeelden, met rammelende kettingen aan de huizen rond gingen en de kinderen bang maakten. Den zoeten kinderen gooiden zij lekkers toe, en sloegen vaak de stoute jongens, welken zij ook eene roede bragten. […] Ik had eenen broeder, die wat wild was. Mijne ouders meenden hem te temmen, wanneer zij op St. Nicolaas, eenen zwarten man op hem afzonden. […] Men maakte hem wijs, dat St. Nikolaas hem mede nemen zou. Toen hij nu dien zwarten kerel zag, werd bij zoo bang, dat hij, over zijn gansche lijf, beefde. Hij kreeg zware galkoortsen en stierf ‘er aan. Magazijn van spreekwoorden en zedenspreuken, opgehelderd door voorbeelden en vertellingen, tot een leesboek voor de jeugd, Amsterdam: 1802, dl. 3, p. 122 1813 “Begeert gij, voorloopig, een staaltje van kinderlijk vermaak? Zie hetzelve hier. Onlangs hadden wij St. Nicolaas avond. Ik ben gantsch geen minnaar om, op het vrolijk feest van dien heiligen, die zulk een goed man en kindervriend is geweest, de kleine kinderen te laten verschrikken door akelige geruchten en vertooningen, of door een’ zogenaamden bullebak: de geenen hunner, die zich benaarstigd hebben, krijgen bij die gelegenheid van mij geschenkjes, bestaande in boeken, prenten, speelgoed, enz.;  zij, die niet wél hebben opgepast, krijgen daarëntegen niets,”. Almanak voor de huishouding, keuken en gezondheid’ (uitgifte: 1813/ L. van Es en W. Brave). 1815 “Leentje: Zoo bang te wezen is toch wel ongelukkig, niet waar vader? Vader: Zeer ongelukkig, lief meisje, en daarom is het bang maken van jonge kinderen, voor bullebakken, zwarte mannen, voor St. Nicolaas, of wat van die natuur meer zij hoogst berispelijk; er zijn voorbeelden dat men jonge kinderen bang heeft gemaakt, het welk stuiptrekkingen op den hals haalde, die hen altijd zijn bijgebleven.”  1821 Voorvallen en merkwaardigheden uit het leven van den kleinen Andries, een uit het Nederduitsch vertaald boekje.  (uitgifte: 1821/ Johann Andreas Christian Löhr (pagina 28-31) “Toenmaals was er nog een bullebak. Dit was een grimmig man, met een zwart gezigt, of wel een masker voor hetzelve, in eene vreemde, lelijke kleeding, met een ‘zak op den rug en een bloot zwaard in de hand. Zoo ging de vreeslijke bullebak een paar dagen voor Sint Nicolaas op de straat rond, tierde, sloeg met het zwaard vonken uit de steenen, en maakte een ijslijk geweld…..” “…zelfs verstandige lieden verkleedden zich als de bullebak, en liepen wel niet de straat rond, maar daarvoor kwamen zij in de huizen hunner verwanten en bekenden, en hielden eene ontzaglijk groote roede in de hand. …. Dan dreigde hij de goddelooze, stoute kinderen, die niet eens konden bidden, in zijn’ groote zwarten zak te steken, en mede te nemen; maar waarheen? Daarvan zeide hij geen woord. Eindelijk… werd de bullebak toch milddadig, en haalde noten en appelen uit zijn’ zak, wierp die op den grond en ging met vermaningen en bedreigingen heen.” 1827 “Nu was ik eens tegen het St. Nicolaasfeest bij eenen Oom en eene Tanta te logeren. Er werden verbaasd veel toebereidselen tot dit feest gemaakt; al de schoenen en laarzen van een elftal kinderen werden schoon gemaakt en voor de bedden gezet; mandjes met frisch hooi en potten met water er bij geplaatst, opdat het paard van St. Nikolaas toch geen gebrek zoude lijden, en zoo werd de avond, onder eene mengeling van angst en hoop, waarvan ik toch niets begreep, afgewacht. Naauwelijks waren de luiken gesloten, of wij hoorden een geluid, alsof het in de schoorsteen rommelde, en plotseling werden de kaarsen uitgeblazenen wij overstort met eenen geheelen regen van suikerboonen, razijnen, pruimen, ulevellen en noten. Oogenblikkelijk hield ons vrolijk gezang en gesnap op; de eene vloog hier, de ander dáár; de kleintjes kropen weg onder het kleed hunner moeder, en ik, wurm van zes of zeven jaren, huilde van angst. “Wel, wel! St. Nicolaas komt vroeg!” zeide eindelijk de moeder, en liet de kaarsen weder opsteken. Toen wij nu al dit rondom ons verspreide lekkers zagen, grepen wij moed en begonnen te grabbelen. Dit ging echter vrij onbesuisd toe, ieder wilde het beste hebben, en toen de eerste schrik voorbij was, begonnen wij onder elkander te plukharen, en naar het verbod van Oom of Tante werd niet veel gehoord; toen op ééns weder de kaarsen uitgingen, en wij een paar keeren het klappen van eene groote voermans zweep over onze hoofden hoorden, terwijl een holle stem ons toeschreeuwde: “vrede daar! of St. Nicolaas zal u allen met de zweep slaan, en de ondeugendste in een’ zak den schoorsteen insteken!” Eene plotselinge stilte volgde, niemand durfde spreken; alleen de moeder riep: “och, Sinter Niklaasje! de kindertjes zullen zoet zijn, ga dan nu maar heen!”. Men bragt weêr licht, en nu zagen wij, zoo wij meenden, duidelijk St. Nicolaas met een zwart gezigt, met eene ruige muts op, en eene zweep en roede in de hand, de deur uitsluipen.  1828 Hierdoor weten we nu dat roomse milieus in Amsterdam al in 1828 een levende Sint kenden. In dat jaar organiseerde een Italiaanse koopman, Domenico Arata, in zijn huis op de Herengracht een ‘strooiavond’ voor kinderen, onder wie de toekomstige schrijver Jozef Alberdingk Thijm, die bijna zestig jaar later zijn herinneringen eraan zou publiceren. Nadat de kinderen hadden gezongen kwam een ‘kinderlievende bisschop’ binnen, compleet met koorkap, witte baard en mijter. Terwijl de kinderen dansten wierp de Sint uit een zak ulevellen, chocolaadjes, suikererwten, kapittelstokjes en amandelen in de kring en vervolgens overhandigde hij, na ‘eenige kwalijk geformuleerde zedelessen’, ieder kind een geschenk uit een korf, die werd gedragen door… Pieter me knecht, een ‘kroesharige neger’. 1829 Papalief! Onze Fij Vertelde gist’ren mij Van overoude tijden, En van een’ Zwarten man, Die in den avond dan Den schoorsteen uit kwam rijden. Hij heette Sinterklaas,   En kwam met groot geraas  Van Kettingen beneden, Om al wie kwaad gedaan,   Of stoutheid had begaan,   Tot straf er aan te meden. in 1831 beschrijft de Leidse hoogleraar W.A. van Hengel in Sint-Nikolaas en het Sint-Nikolaas-feest hoe zo’n Klaas er uitzag: ‘een gemeenen kluchtspeler’, in beestenhuiden gehuld en met ‘oogen van vuur’. De hoogleraar pleitte ervoor dat de bisschop in het verborgene bleef opereren:  “Men doet, namelijk, gelijk ieder weet, Sint-Nikolaas niet slechts verschijnen, om de kinderen vrolijk te maken, maar ook, om hen wegens hunne ongehoorzaamheid te bestraffen. Hij wordt dus ook in de afzigtigste gedaante afbeeld. En de reden behoeft men niet verre te zoeken. Of hoe stelde men zich in de middeleeuw de verschijningen van bovenmenschelijke wezens voor, als zij kwamen, om eenig onregt te wreken? Immers, met oogen van vuur, met kettingen, met beestenhuiden, en met al wat voor den mensch het meest verscrhikkelijke was, toegerust. Zoo vertoonde zich dan ook Sint-Nikolaas, en men vergat vooral de geeselroede niet, welke het gebleken was, dat hij zoowel te handteren wist. Toen die vermommingen eenmaal waren ingevoerd, bleven zij van geslacht tot geslacht voortduren, en zoo zijn zij tot ons gekomen.” 1833, waarin Grootmoeder aan Betje uitlegt dat er een goede Sint Nikolaas is en daarnaast nóg eentje: de volkse variant. “Gij ziet dus, mijne lieven! dat Betje een regt aardig kindje was; en zulke kindertjes hebben doorgaans van Sint Nikolaas een presentje te wachten.” “De andere kindertjes weten niet beter, of daar bestaat nog een Sint Nikolaas, en men maakt hen doorgaans bevreesd met den een of anderen wonderlijk aangekleeden of opgeschikten man.” 1835 Hei, hei daar, Fransje! met uw zwart momaangezigt, wilt gij uwe zusjes schrik aanjagen?  1836 Wij moeten thands nog iets van de heilige gebruiken melden. Het alom beroemde Joelfeest, dat ten tijde van ons Kersfeest, vooral in het Noorden gevierd werd, maar ook bij de Franken bekend was, was waarschijnlijke ook hier te lande in gebruik, waarvan ik de woorden gejoelen joelen (Zweedsch alt Jula, d.i. het joelfeest vieren) afleid. Van anderen durf ik dit niet bepalen. Maar het planten met nieuwe maan, de heilige getallen, verdeeling des jaars in drie getijden, de feestvuren, de verschijning van den zwarten knecht van St. Nikolaas met kettingen, die de kinders verschrikt, en zelfs eenige regtsbepalingen in de keuren, acht ik van heidenschen oorsprong. Bergh, Laurens Philippe Charles van den 1836“ ca. 1840 Ook pastoor H. Welters spreekt in 1877 over een zwarte knecht die stoute kinderen in een zak wilde stoppen. Hij herinnerde zich deze figuur uit zijn jeugd, rond 1840 ca. 1843 Bernhard van Meurs schrijft in 1894 een gedicht in Betuws dialect waarin hij spreekt over Pieter(baas) die in zijn jeugd, rond 1843: ’s Avonds ging het spul weer beginnen. Het joeg me wel de schrik op het lijf. Dat gerammel met de ketting. Maar toch was ik op mijn qui vive. Want ik trok een beetje in twijfel de echtheid van de Sinter Klaas, En geen zier meer kon ik geloven aan zijn knecht de Pieterbaas. “Stil!” riep vader bang tot moeder – Hoor je hem?….Daar komt Pieter aan!… Maar ze knepen samen een oogje dicht en dat deed me veel verstaan. Boem! daar valt een roe en strompelt Pieter brommend uit de kast. Al snel zag ik aan zijn kromme benen dat het ome Gradus was. 1848 “Hebt gij wel ooit gezien, zei Jaap tegen Willem, hoe leelijk sint Nicolaas is. Wel jongen! daar kwam hij zoo zwart als een schoorsteenveger, met kettings omhangen, bij ons in de kamer. Loop, onnoozele jongen! zei Willem, men heeft u bang willen maken, er is geen sint Nicolaas. De man, die zoo heette, en die zoo veel goeds deed, is reeds lang gestorven: Het lekkers dat gij krijgt, koopen uwe ouders of vrienden.” 1849 Ook de goedheiligman in Sint-Nicolaasavond van De Genestet uit 1849 lijkt geen aanbeveling te zijn. Hij droeg zijn kleren binnenstebuiten, en: ‘Al grommlend in den baard, die afstroomt van zijn kin, Een masker voor ’t gelaat – afschuwelijk van kleuren‘. Een dergelijke Sint wilde de burgerij beslist niet over de vloer hebben. 1850 We zien dit terug in het gedicht van Harme Bevoort uit Enkhuizen, waarin sprake is van een zwarte kop, waarbij vooral dit deel van belang is: “Gerust kunt ge u nu buiten wagen Geen zwarte kop Met huiden om het lijf geslagen En hoornen op. Geen ketens ramm’len langs de keijen Als van een beer, Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen Geen angstkreet meer.” 1850 Buiten het vertrek horen wij een zware stap en een grove stem. De deur wordt langzaam geopend, en daar komt een wonderlijke, of liever een zeer lelijk toegetakelde figuur naar binnen stappen. Het is een nagemaakte sint Nicolaas. Het schrikbeeld van de lieve kleinen van vier of vijf jaren. (Anonieme tekst uit 1850) 1866 DE ZWARTE MAN Grootmoeke wil graag rustig lezen; De kindren krieuwen en zijn stout; Maar Vader dreigt, stil moet je wezen! “Ik zeg je, dat je vrede houdt!” En moeke zegt: “Je maakt zoo’n leven. Dat heel de buurt het hooren kan; Ik zal je helpen, wacht maar even, Zoo aanstonds komt de Zwarte Man.” 1869 ‘Hadden we kunnen vermoeden dat de angst verwekkende knecht met zijn bokkenfacie en zijn afzichtelijke horens de zoon van vaders oppasser was, dan zoude ons kinderlijk gemoed niet tot in onze diepste roerselen geschokt zijn geweest.’ 1870 wij kopieëren zoo goed wij kunnen de verschrikkelijke Sint Nicolaassen, die wij als kinderen zagen, om toch eens regt goed de kleinen bang te maken, en wij oefenen ons, om eens zeer leelijk voor den dag te komen, met ketens en een zwart gezigt; – hoe bespottelijk! – En dan is het nog niet eens gemakkelijk die taak te vervullen; het is niet genoeg met de ketens te rammelen en te roepen >>boe! boe!”maar men moet de krulkopjes dan nog een beetje geestig weten schrik aan te jagen.” 1870 In de schemering als uw avond valt, komt op een schimmel “Sint Niklaas, goed heilig man, met zijn besten tabbaard an” uit het zonnige Spanje gereden. Zijn trouwe knecht Ruprecht vergezelt hem. Simon Gorter 1871 Gingen te Amsterdam de ‘Zwarte Klazen’, onder groot rumoer, en met schoorsteenkettingen een afgrijselijke muziek op de straatkeijen makende; de buurten rond, om op deuren en vensters te bonzen en met een bullebaksstem te roepen: ‘Synder ook quaje kyeren?’ – ook te Franeker zag Dr. Verwijs die, ‘vreeselijk toegetakeld en vermomd, onder vervaarlijk geschreeuw en geraas de streek langs trekken. Wie nu al de legenden van Sinterklaas in ’t genoemde ‘Archief’ vlijtig gelezen, en al zijne afbeeldingen op steenen en schilderijen, op kerkmuren en glasramen en oude munten bestudeerd heeft, zal zich verwonderen, dat er geen ziertje overeenkomst is tusschen deze en de verschijning van den zwarten man, die op een wit paard door de lucht rijdt, en van schoor 1) J. van Oosterwijk Bruyn, de Hulpbeurs, bl. 11. steen tot schoorsteen springt, met een knecht bij zich , omdat hij juist, op bevel van zijn meester, in een schoorsteenpijp is afgedaald, om wat hooi voor ’t paard te halen, en vervolgens een marsepeinen-hart op het tafeltje eener jonge juffrouw neêr te leggen. Ook het bulderen, dat ‘Zwarte Klaas’ doet, en het rammelen met kettingen, zijn dingen, die een’ heilige heel weinig passen, en ten slotte was de heilige bisschop ook geen moriaan. Waarom zoo’n groot verschil tusschen de populaire en de legendaire voorstelling?  p. 262 Ter gouw de Volksvermaken 1871 1880 Heel langzaam ging nu de deur open. Even langzaam trad eene lange gedaante binnen. Die had eene witte schapevacht over de schouders hangen en een grooten zwarten hoed op het hoofd. Deze hoed bedekte het geheele voorhoofd en ‘t halve gezicht, waarvan dus maar weinig te zien was. Op den rug hing een groote, grauwe zak, waarin het voortdurend rammelde. In de rechterhand hield de gedaante een ontzettend groote roe. De zwarte gedaante kwam langzaam op de beide kinderen toe en bleef voor hen staan. Deze begonnen nu bijna van angst te huilen. Hierop deed de zwarte gedaante den mond open en zei met holle stem: ‘Ik ben de knecht van Sint-Nicolaas. Goede kinderen behoeven niet bang voor mij te zijn, 1908 Het uiterlijk dat Sint Pieter uit Grouw in Friesland voor 1908 had is interessant: een ketting aan zijn been, een oude jas om waarop lekkernijen waren genaaid en een doek voor zijn gezicht die alleen zijn ogen onbedekt liet.  1940 Wanneer we onze omzwerving op zoek naar Sinterklaaskerels, die nog niet tot bisschop- figuur gekerstend zijn, voortzetten, dan ont- moeten we in de Neder-Betuwe o.a. in de naaste omgeving van het stedeke Buren op Sinterklaasavond nog vreemd toegetakelde jongens, die rondzwalken en als „zwarte klazen” met den rommelpot van hoeve tot hoeve trekken, terwijl in den Gelderschen en Overijselschen Achterhoek Sinterklaas ook nog altijd een weinig statige verschijning is. Heu- vel beschrijft hem in zijn mooie boek „Oud Achterhoeksch Boerenleven het/ heele jaar rond”. „Jan Klaos had een baard van spietkötte ge- maakt, een wit kleed om en een hooge muts op”. Cato Elderink zegt in haar boek „Twen- therlaand en leu en léven”: „de enkele keer, dat hij werkelijk in levende lijve optrad, was het als een slordig vermomde gestalte in een krang aangetrokken, d.w.z. binnenste buiten gekeerde jas en gehuld in een wit laken.” Ook werd er niet van hem gesproken als van een vromen heiligen man, maar als van „den keerl dee van oavond wil kommen” en een heel enkele keer hoorde zij Sinterklaas aanduiden als „boozem keerl”. Deze haam duidt op zijn komst door den „boozem”, de open schouw- schoorsteen p. 28/29 Hamer-Uitgave voor de Volksche Werkgemeenschap Dec 1940 In Westfalen en Nedersaksen werd hij ook Bullerklas genoemd naar het lawaai dat hij maakte. Tegen 1895 was de naam Zwarte Piet overal in zwang geraakt.[47][48] Andere, meest regionale namen bleven echter nog een hele tijd in zwang, zoals Assiepan, Jacques Jour of Sjaak Sjoor (Noord-Brabant), Sabbas (Zeeland), Hans Moef, Hans van Vese (of Hansje van Kese), Heintje Pik, Jan de Knecht, Krik-krak, Micheltje, Nicodemus, Pieterman, Pikkie, Robbert, Trappadoeli, Zwarte Jan of Zwarte Klaas

De kosmische boom

woensdag 20 september 2017 12:12

Als auteur van twee boeken over de verhalen en de symboliek van bomen ben ik zeer onder de indruk gekomen van de grote rijkdom van betekenissen die in de loop van de geschiedenis aan bomen zijn gehecht. (1) Het meest indrukwekkende en krachtige symbool is voor mij dat van de kosmische boom. Deze komt in meerdere mythologieën voor. Het is de boom die hemel, aarde en onderwereld met elkaar verbindt. Zij kan een manier zijn om te reizen naar de Andere wereld en zij kan een toegangspoort  vormen naar die andere wereld, in het bijzonder de boven- of de onderwereld.  Dit zijn geen werelden in een ruimtelijke betekenis. De boom brengt je niet naar een andere plaats in de fysieke wereld. Zij brengt je eerder naar een ander bewustzijnsniveau. De axis mundi Het hoeft bij de kosmische boom ook niet om een fysieke boom te gaan. Je kunt je voorstellen dat er zich op de plaats van het exacte centrum van de aarde, een onzichtbare boom bevindt die via haar stam en takken verbonden is met het exacte centrum van de hemel. (Het kan in de mythologie ook gaan om een pilaar, paal, ladder of zelfs berg.) Het centrum van de aarde kan zich op diverse plaatsen bevinden, elke heilige plek kan een dergelijk centrum zijn.  Het hemelse centrum bevindt zich echter op één plek, dat is de plaats bij de poolster. Dit is de plaats waar alle sterren zich omheen bewegen. In het centrum van de aarde bevindt zich de doorgang naar de onderwereld en in het centrum van de hemelkoepel bevindt zich de doorgang naar de hemelse wereld. De boom tussen deze werelden is te zien als de as van de wereld, de ‘axis mundi’ die alle elementen van de wereld op zijn plaats houdt. Zonder deze boom zou alles weer verkeren in chaos. De mens kan als ziel of geest naar die plaatsen toe reizen, maar hij kan zijn lichaam niet meenemen. Tegelijkertijd is de kosmische boom in ieder van ons aanwezig. Het is een krachtig symbool voor de verbinding die de mens vanuit zijn centrum kan maken met de boven- en onderwereld.  Dit zou je – kort door de bocht – kunnen opvatten als een opwaartse verbinding met de mannelijke, goddelijke energie van de hemel en een neerwaartse verbinding met de vrouwelijke, godinnelijke energie van de aarde. De mens als boom, de boom als mens Het is natuurlijk niet toevallig dat juist de boom het symbool werd voor deze kosmische verbinding. De fysieke boom is een letterlijke verbinder tussen de drie werelden. Haar wortels groeien diep in de aarde, haar takken strekken zich tot ver uit naar de hemel toe en haar stam staat stevig in het centrum van deze wereld. Daarbij is haar grootte en ouderdom imposant te noemen. Bomen zijn de oudste en grootste levende wezens op aarde! Ondanks het feit dat de mens in vergelijking met een grote boom nietig is te noemen, vergelijkt hij zich toch graag met de boom. De mens deelt met de boom haar verticale positie. Hij leeft rechtopstaand met zijn kruin naar de hemel en zijn voeten naar de aarde toe gericht, zoals een boom haar kruin richting de hemel strekt en haar wortels diep de aarde in brengt. In de kosmische boom vindt de mens haar ideale energetische grondplan. In de boom komen de hemelse en de aardse stroom samen. Van boven komt energie en bewustzijn in de vorm van de mannelijke elementen vuur en lucht. Deze corresponderen met daadkracht en denkkracht. Van beneden komen energie en bewustzijn in de vorm van de vrouwelijke elementen water en aarde. Deze corresponderen met het gevoel en de zintuiglijke gewaarwording. In de meest letterlijke zin krijgt de boom licht en lucht via haar blad binnen en water en voedingsstoffen via haar wortels. De ideale vermenging van deze vier elementen zorgt voor maximale vitaliteit en bewustzijn. Zij zorgt voor een boom met een krachtige uitstraling!   De oudste kosmische boom: de Huluppu boom In de oudste beschrijving van een kosmische boom in de mythologie wordt er al uitgegaan van een scheiding tussen de hemel, de middenwereld van de mensen en de onderwereld. We vinden deze omschrijving van een kosmische boom in de 5000 jaar oude spijkerschrifttabletten van het oude Sumerië. Hier wordt verteld hoe de grote godin Inanna, direct nadat de hemelgod An de hemel had weggevoerd en de luchtgod Enlil de aarde had weggevoerd, een boom in de rivier de Eufraat had gevonden. Deze ‘Huluppu’ boom – waarschijnlijk een wilg – plant zij in haar tuin en in enkele jaren is hij groot en dik geworden. Helaas woont er dan de slang ‘Kent geen bekoring’ tussen de wortels van de boom. In de kruin maakt de Anzu stormvogel haar nest, hij is half leeuw en half arend. Hij is degene die het Lot steelt van de Goden en is de schepper van de zuidenwinden. Uiteindelijk gaat de donkere maagd Lilith in de stam van de boom wonen. Zij is een vrouwelijke demon die geassocieerd wordt met de uil. De grote held Gilgamesh weet deze onwelkome figuren uiteindelijk uit de boom te verjagen, maar de boom moet dan wel gekapt worden. Van het hout worden onder andere een trommel en een trommelstok gemaakt. Dit zijn niet toevallig instrumenten om mee in een trance te komen. (2) Deze mysterieuze tekst zou je als volgt kunnen duiden: Vanaf het moment dat er tussen hemel en aarde ruimte wordt gecreëerd kan de kosmische boom niet meer dienen als zuivere poort tussen de werelden. Het tussengebied – de huidige mensenwereld – zorgt ervoor dat er stromen energie en bewustzijn wegsijpelen en – ten dele – gebruikt worden voor het ik-bewustzijn. Hierdoor is de doorstroming van energie via de boom niet meer optimaal.  De slang die geen bekoring kent, bekoort zelf wel en geeft zo aan de mensen de materiële wereld. De mens hapt gretig toe in deze smakelijke vrucht. De Anzu vogel geeft de mensen met de wind, ook het verstand. Hij steelt zo het noodlot onder de ogen van de goden vandaan, want de mensen beschikken nu zelf over hun lot. Met zelfbewustzijn komt echter ook de angst in het leven van de mens, gereflecteerd in de donkere maagd Lilith, een vrouwe die zowel seks als dood komt brengen in het energetische systeem van de mens. Yggdrasil: de kosmische es De mooiste beschrijving van een kosmische boom vinden we in de Oud-IJslandse Edda uit de 13e eeuw. De kosmische boom is hier de es Yggdrasil. Dit betekent: ‘paard van de verschrikkelijke’ waarbij de verschrikkelijke gezien moet worden als de god Odin. Een wortel van de boom leidt naar de onderwereld genaamd Hel, een andere wortel gaat naar de bron van wijsheid die te vinden is in de reuzenwereld en een derde wortel gaat naar de wereld van de goden en naar de bron van Urd. Urd is één van de schikgodinnen die het lot van alle wezens bepalen. Hier is het ook dat alle Goden vergaderen. In de onderwereld ligt de draak Nidhogg aan de wortels van Yggdrasil te knagen en hoopt zo ooit de boom om te doen vallen. Boven op de kruin van Yggdrasil woont een arend met grote kennis. Hij is te zien als de veroorzaker van de winden. Tussen deze beiden rent de eekhoorn Ratatosk heen en weer over de stam en brengt hatelijke boodschappen over. (3) Dit laatste geeft iets aan over de miscommunicatie tussen hemel en onderwereld en wat mij betreft ook over een slechte doorstroming van de energie van boven naar beneden en vice versa. De zuivere energie  van beneden verandert door de draak in harde materie, stolt daardoor en komt niet verder langs de stam. Het zuivere bewustzijn van boven verandert door de arend in een veelheid van gedachten en verliest zo zijn focus, zij verwaait. Zo wordt de dualistische wereld van materie-in-gedachten gevormd. Hetzelfde zagen we ook al terug bij de Huluppu boom van de Sumeriërs. De boom van kennis van goed en kwaad Lilith in het paradijs overhandigt de vrucht – Michelangelo 1511 In de Hebreeuwse mythologie wordt dit drama teruggebracht tot menselijke proporties. In het midden van de hof van Eden staat de boom van Kennis van goed en kwaad. Daar ontmoet Eva de slang en laat zich bekoren om van de vrucht van die boom te eten, ook al werd dat haar door God verboden. In middeleeuwse schilderingen is het soms een vrouwsfiguur met een slangenlijf die haar de vrucht aanbied. Deze wordt wel gezien als de demon Lilith, die volgens Joodse geschriften de eerste vrouw van Adam was. Ook Adam eet van de vrucht en de gevolgen zijn bekend; zij worden uit het paradijs verdreven. Vanaf het moment dat de mens at van de boom van kennis van goed en kwaad moest hij het paradijs van onbewuste eenheid  verlaten. (4) Adam, Eva en Lilith – van der Goes ca. 1470 Zo betrad de mens de wereld van de dualiteit. Een wereld waarin altijd een verlangen wordt gevoeld naar een verloren gegaan geluk. In die wereld is hij gaan zoeken naar plaatsen die hem terug konden brengen naar een gevoel van eenheid, geluk en verbondenheid. Hij zocht naar plaatsen waar de grens tussen deze en de Andere wereld dunner is. Deze zoektocht om zich opnieuw te kunnen verbinden met dat gevoel zou je de oorsprong van ‘religie’ kunnen noemen. Religie komt van het Latijn ‘religare’; zich weer (ver)binden. Na de ‘val’ is een terugkeer naar het paradijs – para Dis betekent de plaats exact boven de onderwereld – onmogelijk. Je kunt niet terug naar een staat van onbewuste eenheid! Maar andere heilige plaatsen, met ommuurde tuinen en met een heilige boom des levens in het midden, waren wel te vinden. Dit waren plaatsen om zich op te laden en om te helen, om daarna de wereld van afgescheidenheid weer aan te kunnen. Het boomheiligdom: nemeton en temenos Ongetwijfeld waren de allereerste ‘heilige’ plaatsen van de mensen natuurheiligdommen. Het waren heilige plaatsen in de woeste natuur, vaak afgescheiden van hun omgeving door een heg en verder  alleen gemarkeerd door een boom, een grot, een bron en/of een steen. Hier waren nog geen stenen of houten gebouwen in of bij aanwezig en ook beelden met een menselijke vorm waren er nog niet. De plaatsen waren uitgekozen op hun ‘energie’ en sfeer. Het waren plaatsen die uit zichzelf al een invloed uitoefenden op de mens die daar kwam en deze uit zijn lichaam en in zijn geest bracht. Het konden plekken zijn die een helende en versterkende invloed op mensen uitoefenden. Soms leek dit vooral via de grote steen – de megaliet – te gebeuren, soms via de bron en vaak dus ook via een grote boom. Er zijn een aantal beroemde heilige plaatsen te noemen uit de heidense en antieke tijd die waarschijnlijk zo eenvoudig zijn begonnen. Ik noem hier Uppsala te Zweden, Tara in Ierland, Romove in Pruisen, Nemi in Italië en Dodona en Delphi in Griekenland. Later werden dit uitgebreide tempelcomplexen. Hiernaast moeten er nog ontelbare lokale heilige plaatsen in de natuur zijn geweest. Deze werden bij de Romeinen aangeduid met de benaming Lucus, bij de Germanen was dit een Loh, bij de Kelten een Nemeton en bij de Grieken een Temenos. (5) Op de meeste hiervan was ook een heilige boom aanwezig. Deze bomen zijn te zien als aardse vervangers van de mythische kosmische boom. Zij zorgden ervoor dat de mythe op aarde plaats kon vinden! Dit waren de bomen die je naar de hemel konden brengen of die je naar de onderwereld konden leiden. Dit was ook de plaats waar men zich in het exacte centrum van de wereld bevond! Bomen, sjamanen en tovenaars Het goede gebruik van een dergelijke heilige plaats en boom was niet voor iedereen weggelegd. Voor de gewone sterveling was het bezoek aan een dergelijke heilige plaats een ontmoeting met hogere krachten en een kans op heling en bewustwording. Voor de magisch specialisten kon er nog meer gebeuren in het contact met de kosmische boom. Deze ‘sjamaan’, priester of tovenaar kon op een bewuste manier de kosmische boom gebruiken om zich te verbinden met de geestelijke wereld, om in de geest te kunnen reizen. Ook kon hij vruchtbaarheid brengen naar de mensenwereld en hij kon er orakelen. Het gebruik van de kosmische boom als reismiddel is terug te vinden in de naam Yggdrasil als paard van ‘de Verschrikkelijke’.  Deze naam impliceert dat Odin de boom kon gebruiken als rijdier om daarmee zich te verplaatsen naar één van de negen werelden. Het gebruikelijke paard van Odin is Sleipnir, dit paard met acht benen, kon zowel over lucht, land als water reizen. De god Odin stond verder bekend als een magiër die uit zijn lichaam kon treden, met geesten kon spreken, allerhande bezweringen doen en zich kon veranderen in een dier. Hierin heeft hij veel gelijkenissen met de Siberische sjamaan. De kosmische berk uit Siberië In verslagen uit het negentiende-eeuwse Siberië wordt verteld van de berk als kosmische boom die een verbinding kan vormen met de geestenwereld. De sjamaan kapt een kleine berk en maakt daar negen inkepingen in als symbool voor de negen werelden die hij kan bereizen. Soms bevestigde hij een paardenkop aan de berkensteel als teken dat hij de berk als rijdier gebruikte om in extase te kunnen reizen. Hij brengt de berk zijn yurt binnen en door hem in de vuurplaats te steken en met zijn uiteinde uit het rookgat geeft hij te kennen dat dit de kosmische boom is. Vervolgens gaat hij door middel van zang, dans, trommelen en andere technieken in een trance waardoor hij in de geest via een symbolische beklimming van de kosmische boom de yurt via het rookgat verlaat. Hij laat daarbij zijn lichaam achter in de yurt. (6) De yurt met de berk in het midden is hier een samengaan van microkosmos met macrokosmos. Het is enerzijds een microversie van de middenwereld die door middel van de paal verbonden wordt met de onderwereld in de vuurplaats en de bovenwereld via het rookgat, het is anderzijds een symbool voor het energetische huis van de sjamaan met de berk als wervelkolom en het rookgat als kruin waarlangs de sjamaan zijn lichaam kan verlaten. De tovenaar-sjamaan weet dat – ondanks het imposante voorkomen van de kosmische boom – hijzelf een exacte replica van die boom in zich heeft! Hij laat zich niet leven en leiden door de boom alsof zij een ontzagwekkende godheid is die gehoorzaamd moet worden, maar neemt de kracht van deze boom in eigen handen. Hij beseft dat hij in zich zelf hemel en aarde moet verbinden en zo zelf de kosmische boom moet worden! Hierdoor krimpt de boom in tot menselijke proporties en wordt tot de staf van de tovenaar, het stokpaardje van de sjamanen, de bezemsteel van de heksen en de esculaap van de geneesheren. De caduceus van Hermes Een ander voorbeeld van de kosmische boom in de vorm van een staf is de caduceus. De Griekse god Hermes, die zielengeleider (psychopompos) was en boodschapper van de goden, droeg deze gevleugelde staf die met slangen is omwonden. De twee slangen zijn te zien als de opwaartse en de neergaande stroom van energie en bewustzijn die in de handen van deze magiër-godheid in perfecte harmonie zijn. Hierdoor zal deze gevleugelde staf – als symbool van het energetische systeem – ervoor zorgen dat hij kan vliegen! Hij kan reizen naar de godenwereld en naar de onderwereld. Hier blijft de slang of de draak niet bij de wortels liggen, zoals gebeurde bij de Huluppuboom  en bij Yggdrasil. De drakenenergie kan langs de boom verder stromen en om elkaar heen kronkelen, om uiteindelijk de kruin te bereiken en zo voor verlichting zorgen voor degene die vol aandacht dit proces in zichzelf begeleidt! Degene die dit doet kan  je zien als de held die de draak heeft verslagen. Niet door haar dood te maken, maar door de schat van materie weer te doen stromen, zodat de energie vrijgemaakt kan worden voor bewustwording en verlichting. Dit is ook wel te vergelijken met het gebruik van de kundalini-energie bij de Indiase yogi’s. Op deze wijze kan een nieuwe generatie mensen op een bewuste manier de wereld van de dualiteit verlaten om zich opnieuw te verbinden met de eenheid die zich daarachter bevindt. De kosmische boom staat voor een perfect werkend energetisch systeem dat energie van boven haalt en naar beneden brengt en vice versa. Wie dat kan doen zonder noemenswaardig energieverlies wordt een krachtplek. Een centrum van waaruit energie stroomt. Deze persoon is een levenskunstenaar, hij zal stralen van energie. Hij is zelf het centrum van de wereld geworden. Noten: 1 Dit artikel staat in het boek ‘Kosmische bomen’. Dit is een prachtig fotoboek met vele foto’s van solitaire bomen, twee artikelen en enkele gedichten. Het boek is hier te bestellen en kost 15 euro. De twee andere boeken zijn: De symboliek van bomen en de wijsheid van bomen en kruiden. Hier vindt je meer info over deze boeken. 2 Wolkstein en Kramer – Inanna queen of heaven  and earth 3 3 vert. Otten, M. – Edda 19, 45 Sturluson, Snorri – Edda (vert. Marcel Otten) 14-15, 43-45 4 Bijbel Genesis 3 https://www.biblicalarchaeology.org/daily/people-cultures-in-the-bible/people-in-the-bible/lilith/ 5 https://en.wikipedia.org/wiki/Lucus https://en.wikipedia.org/wiki/Nemeton http://en.wikipedia.org/wiki/Romuva_(temple) 6 Eliade, M. – Shamanism 169, 173 en 270

 

Powered by 1st-movers.com

Vertelagenda

Deze verteller heeft op dit moment geen evenementen in de Vertelagenda staan.