Abe van der Veen
Abe de Verteller
Verhalen vertellen uit de wereld der Kelten en Vikingen.
Lezingen geven over de symboliek van verhalen.
Verhalende bomenwandeling
Verhalende stadswandeling door Amersfoort.
Utrecht
Abe van der Veen

Over mij

Abe de Verteller 

Verhalen vertellen zit me in het bloed! Eerst tijdens de IVN-jongerenkampen, gezellig rond het kampvuur. Sinds 2004 ben ik professioneel verhalenverteller. Ik vertelde de afgelopen jaren op ontelbare plaatsen: De Elf Fantasy Fair, het Eigentijds festival, het Schots festival, Castlefest, het Archeon, de Dag van het Park en op vele particuliere feesten en bijeenkomsten!

Ik vertel mythen en sprookjes uit de Keltische en Noordse traditie, ridderverhalen, Griekse mythen, Grimmige sprookjes, Nederlandse sagen en nog veel meer. In totaal heb ik meer dan 250 verhalen in mijn repertoire. Al deze verhalen riepen mij en wilden verteld worden, misschien ook bij u?!

Naast de wereld van de verhalen spelen natuur en symboliek een grote rol in mijn leven. Dit uit zich o.a. in het geven van lezingen over symboliek en het doen van bomenwandelingen.

Nu vertel ik verhalen waar en wanneer ik dat maar kan, want vertellen is m´n passie. Ik vertel met expressie en emotie, met mijn hart en mijn handen en met vuur en vlam!

Contact

Abe van der Veen
Man
De heer
A.J.
Abe
van der
Veen
...
06-18035303
Amersfoort

Blog

Abe de Verteller

De verhalenverteller

De symboliek van de roos

dinsdag 10 juli 2018 13:21

Wilde roos De roos werd door de Griekse dichteres Sappho al ‘de koning(in) der bloemen’ genoemd. In een Indiase mythe kibbelen de goden Brahma en Vishnu erover welke bloem de mooiste is: de roos of de lotus? Toen Vishnu aan Brahma een prachtige roos liet zien was hij overtuigd. De roos is de mooiste der bloemen! Vervolgens schiep hij uit honderden rozenblaadjes de godin Lakshmi als bruid voor Vishnu. Waarom is nu juist de roos verkozen als koningin, de mooiste der bloemen? Dit heeft onder andere te maken met haar oorspronkelijke vorm van vijf witte of roze blaadjes rondom het hart van de bloem. Het type roos zo wij die nu kennen ontstond pas vanaf de achttiende eeuw. Toen ging men de roos in deze streken kweken en cultiveren en kreeg zo haar myriade aan vormen. Rond 1800 werd de rode roos gekweekt, daarvoor was zij rose of wit. Toch komt de naam van de roos van het Griekse ‘rhoden’ wat rood betekent. (1) Het ontstaan van de roos Geboorte van Venus – Botticelli (Met links de rozen die neerdwarrelen) De roos is gewijd aan meerdere grote godinnen: aan Cybele en Isis, Frigg, Venus en Aphrodite. Een beeld van de godin Cybele werd jaarlijks door de straten van Rome getrokken en bedolven onder rozen. Apuleius vertelt in zijn roman ‘De gouden ezel’ dat hij (na zijn transformatie in een ezel) zijn menselijke gedaante terug kreeg door het eten van de rozenkrans uit een processie ter ere van Isis. Hij dankte daarna deze godin. De wilde hondsroos is gewijd aan Frigg, de vrouw van Odin, deze heet nog steeds Friggdorn in Germaanse landen. (2) De roos als bloem van de liefde is gewijd aan de godin van de liefde Venus/Aphrodite. Zoals Venus de mooiste is der godinnen, zo is de roos de mooiste der bloemen. Toen Venus ontstond uit het schuim van de zee (dit schuim ontstond uit de genitaliën van Uranus toen die in zee werden geworpen) veranderde het schuim dat terecht kwam op de aarde in de eerste rozen. Er wordt ook gezegd dat de roos is ontstaan uit de ster van Venus, de avondster (‘Stella Veneris’). Ze zouden rood zijn geworden doordat Eros – de zoon van Aphrodite – tijdens zijn dans nectar of wijn morste op de bloem. Het ontwaken van Adonis – J.W. Waterhouse 1899 Volgens een Gnostische tekst uit de derde eeuw n. Chr. was de roos de eerste bloem op aarde. Zij werd gemaakt van het maagdelijke bloed van Psyche, nadat zij had gevreeën met Eros. Ook wordt er verteld dat de rode rozen ontstaan zijn uit het bloed van Adonis en de witte rozen uit de tranen van Aphrodite uit verdriet om zijn dood. In de christelijke folklore waren de rozen in de tuin van Eden oorspronkelijk wit, maar toen Eva bij haar verbanning een roos meenam veranderde deze spontaan van kleur en werd rood. Een teken van haar verloren onschuld en maagdelijkheid. (3) Als late lentebloem is hij te zien als een teken van de geofferde vegetatiegod die in het voorjaar terugkeert. Ook Jezus is te zien als een dergelijk offer: in de folklore wordt gezegd dat Jezus’ doornenkroon gevlochten is van rozentwijgen en de middeleeuwse geleerde Albertus Magnus vertelt dat zijn druppels bloed die onder het kruis op de grond vielen veranderden in rode rozen. (4) De Rosalia: de roos als dodenbloem De rozen van Heliogabalus – Alma Tadema 1888 De roos werd door haar associatie met de jong gestorven schone lentegod ook een symbool voor de dood en dan vooral als deze dood een jongeling betrof. Tijdens de Romeinse Rosalia (rozenfeesten) in de meimaand werden er rozenkransen gelegd en rozen gestrooid op de graven. De Rosalia was een feest om de doden te gedenken. De rode rozen waren wellicht een teken van de tuin van Venus (of de eilanden der gelukzaligen) waar de zielen van de gestorvenen als kleine ‘eroten’ rondvlogen. Door middel van het offeren van rozen werden ze een veilige reis naar die plek toegewenst. Romeinse keizers zoals Nero en Heliogabalus lieten ook veelvuldig en in enorme hoeveelheden met bloemblaadjes (waaronder meestal veel rozen) strooien tijdens hun orgiën. Dit feestelijk gebaar eindigde bij Heliogabalus echter in een drama toen enkele gasten stikten onder de grote hoeveelheid bloemblaadjes. (5) Rozen werden al op de graven geplant door de heidense Germanen en ook later nog op vele kerkhoven in Europa. De dodenakker van kinderen wordt in Zwitserland het rozentuintje genoemd. Ook het slagveld heet wel een rozengaarde. Als iemand een witte roos op zijn stoel aantreft dan werd dit gezien als een teken van zijn naderende dood. (6) Sub Rosa: De roos als teken van vertrouwelijkheid In een Griekse mythe wordt verteld dat de liefdesgod Eros aan Harpokrates de eerste roos gaf opdat hij zou zwijgen en het – soms indiscrete – gedrag van zijn moeder Aphrodite niet zou verklappen. Harpokrates was bij de Grieken een god van de stilte. Deze vertrouwelijkheid werd ‘sub rosa’ genoemd en was mogelijk al een onderdeel van de mysteriën van Venus, want van de ingewijden in een mysteriegodsdienst werd verwacht dat men zweeg over alles wat er tijdens de rite meegemaakt was. Zo werd de roos een symbool voor geheimhouding en vertrouwelijkheid. De frase ‘sub rosa’ betekende dus al in de Romeinse tijd ‘in vertrouwen’. In feestzalen werden schilderingen van rozen aangebracht als teken om datgene wat onder invloed van wijn gezegd was vertrouwelijk te houden. Ook hingen de Romeinen rozenslingers aan de zoldering van vergaderzalen als teken dat de gesprekken op die plek vertrouwelijk waren.  (7) Biechthokje met roos Dit beeld van de roos als teken van vertrouwelijkheid en discretie bleef voortbestaan in de Middeleeuwen. Rozen werden gebeeldhouwd in kloosterzalen en raadskelders, telkens om aan te duiden dat hier geheime besprekingen – ‘sub rosa’ – werden gehouden. In de zestiende eeuw liet paus Adrianus VI (de enige Nederlandse paus! 1522-1523) bij decreet de roos als symbool van zwijgzaamheid boven de biechtstoelen in de katholieke kerk aanbrengen. (8) De roos van vlees Venus verticordia – Dante Rossetti 1868 Door de associatie van de roos met Venus en Aphrodite werd de bloem het teken van liefde. Maar hierbij blijft het de vraag om welke liefde dit gaat. Zij is als Aphrodite Pandemos de godin van de vleselijke liefde en als Aphrodite Urania de godin van de etherische, hemelse liefde. De roos werd gedragen door haar priesteressen. Dit ging soms om priesteressen die ook deden aan sacrale seks. Mogelijk ging het zich tooien met rozen daarom langzamerhand over op vrouwen die seks hadden voor geld. De roos zelf werd in de Romeinse tijd o.a. gezien als een middel om wellust op te wekken, ze werd voor dat doel in en op de vrouwelijke geslachtsdelen gelegd. Ook publieke vrouwen tooiden zich in de Romeinse tijd nogal eens met rozen. Bijvoorbeeld op 23 april tijdens het wijnfeest de Vinalia: ter ere van Venus tooiden de lichtekooien zich dan met rozen en mirte. Zij offerden deze bloemen aan de godin in ruil voor schoonheid en populariteit. (9) Nu kwam seksualiteit, en daarmee ook Venus in de middeleeuwen in een kwade reuk te staan. Bordelen werden toen soms Venustempels genoemd en prostituees noemde men wel ‘Venusdiertjes’. Ook in de middeleeuwen waren de publieke vrouwen te herkennen doordat zij rozen droegen. Dit werd in deze periode echter gezien als een teken van schande. De Franse laatmiddeleeuwse schrijver Pierre Col zegt dat de roos een teken is van de vulva en de Sufi-dichter Fariduddin Attar (12e eeuw n. Chr.) bezingt de roos als symbool van de erotische liefde: ‘Ik denk aan niets anders dan de roos, ik wens niets anders dan de robijnen roos.’ ‘Haar roosje plukken’ is al sinds de zestiende eeuw een eufemisme voor de ontmaagding van een jonge vrouw, waarbij de roos een aanduiding is voor de vagina. (10) De maagdelijke roos Illustratie uit Roman de la Rose 1490 Mogelijk is dit gegeven nog ouder. In het – destijds – uiterst populaire gedicht ‘Roman de la Rose’ van de troubadour Jean de Meung (dertiende eeuw) gaat een jongeman in de maand mei op zoek naar de ‘Roos’. Hij belandt in een prachtige tuin vol met bloemen. Voor hem is deze tuin te vergelijken met het paradijs en zijn minnares met een roos. Natuurlijk wil hij deze maar al te graag plukken. Hier staat de roos in ieder geval voor de romantische liefde en wellicht ook voor de ontmaagding. Al in het oude Rome werden de maagdelijke meisjes getooid met rozen op het feest van de god Hymen. In de zestiende-eeuwse Schotse ballade van Tam Lin waagt de jonge Janet zich in een verboden woud en bij een bron ziet zij een rozenstruik en plukt dan een roos. Vlak daarna ontmoet zij de elfenprins Tam Lin die haar diezelfde nacht nog ontmaagd. Haar roosje is geplukt.. (11) De mystieke roos Hier tegenover staat de roos als teken van hemelse en pure, maagdelijke liefde. In de middeleeuwen werd de roos gewijd aan de maagd Maria. In haar litanie wordt zij o.a. de ‘mystieke roos’ genoemd. Het woord mystiek betekent geheimzinnig en komt van de mysteriën (zoals die van Cybele, Isis en Demeter), dus alleen bedoeld voor de ingewijden en geheim voor de leken. Het embleem van het mystieke genootschap van de Rozenkruisers is de roos in het midden van een kruis, dus op de plaats van het hart van Christus. Dat is de plaats waar men wakker kan worden voor het geestelijk beginsel dat als een rozenknop in ieder leeft. (12) Gustave Doré – De hemelse roos De Italiaanse dichter Dante (1265-1321) schrijft in zijn ‘La divina comedia’ over de ‘hemelse roos’ waarin het hemels paradijs de vorm heeft van een stralende, witte roos: de zogenaamde ‘Candida Rosa’. In het midden daarvan zetelt Maria als koningin van de hemel, met rondom haar de gezegende zielen, waaronder ook zijn geliefde Beatrice. Dante was de eerste die het symbool van de witte roos gebruikte om het hemels paradijs te omschrijven, maar hij gebruikte ook de meer gangbare vorm van een tuin gevuld met rozen. (13) De roos en de maagdelijke moeder De ‘hortus conclusus’, de ommuurde rozentuin waarin de maagdelijke Maria verbleef werd afgebeeld als een nieuw paradijs, met nu Maria in plaats van Eva in het midden. Eva ontdekte via het eten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad dualiteit en seksualiteit. Zij werd uit het paradijs verdreven en kwam buiten haar centrum, de witte roos werd rood. De bevruchting van Maria in de ‘hortus conclusus’ ging via de Heilige Geest, de lelie en de engel Gabriël. Zij werd zwanger van Jezus terwijl de muur van haar tuin omsloten was oftewel haar baarmoeder bleef ongeopend. In de apocrieven werd Anna – de moeder van Maria – zwanger door te ruiken aan een roos, ook zij kreeg een kind en bleef tegelijk maagd. Maria moest maagdelijk/zonder erfzonde zijn en zelf ook uit een maagd geboren worden. Dit is een grote paradox. Ook de grote godin Hera kent zo’n paradox; ondanks haar huwelijk met Zeus blijft zij toch eeuwig maagdelijk. Door zich jaarlijks te wassen in een bepaalde bron herstelt zij haar maagdelijkheid. Het hymen is weer intact. Hoe is zoiets mogelijk? De pijl van Amor treft wel degelijk doel en raakt de ‘roos’. Alleen deze ‘mystieke’ roos heeft haar ingang niet in de fysieke vagina, maar in het geestelijke hart. Door middel van de sacrale liefde vindt een geestelijke bevruchting plaats. Het kind dat hieruit ontstaat, zal zonder zonde zijn en blijven. De erfzonde van Eva wordt door Maria ongedaan gemaakt. (14) De roos en het mystieke huwelijk Roos met kruis, een symbool van de Rozenkruisers In die staat vindt de volgende onmogelijkheid plaats: het kind en/of de minnaar van de godin gaat dood, maar kan toch weer herleven. Christus gaat dood en komt weer tot leven om zo verlossing te brengen aan de mensen. Adonis sterft en komt dan terug uit de onderwereld en brengt zo de lente en het nieuwe jaar. In de traditionele Engelse ‘mummers’ dans genaamd ‘De roos’ wordt ook op symbolische wijze een dood en herleving weergegeven: In de dans wordt met vijf zwaarden een vijfster gemaakt waardoor de ‘jonge dwaas’ zijn hoofd moet steken. Dit is de ‘roos’, het centrum met vijf punten/bloemblaadjes. Hij wordt symbolisch onthoofd, maar zal herrijzen doordat hij een elixer toegediend krijgt met de naam ‘dauwdruppel in de roos’. Dit staat symbolisch voor het zaad in de vagina, maar op een dieper niveau staat het voor de geestelijke eenwording van het mannelijke in het vrouwelijke. De vijfster als pentagram staat voor de wereld van de vijf zintuigen, wie van buitenaf de roos aanschouwd valt in de valkuil van de materiële wereld. Hij wordt onthoofd; het hoofd wordt door het zwaard als symbool voor de wereld van de gedachten gescheiden van het lichaam. Alleen de diepe wederzijdse doordringing van twee geliefden tijdens het mystieke huwelijk (denk aan de ‘chymische Hochzeit’ van Christian Rosencreutz, de legendarische stichter van de Rozenkruisers) waarin de dauwdruppel in de roos komt kan de ziel wekken uit de semi-dood om wedergeboren te worden in een hoger bewustzijn. Nu wordt de roos van binnenuit ervaren. De tijd van het nieuwe paradijs is aangebroken! (15) Conclusie Al deze symboliek was bestemd voor de ingewijden van de mysteriën en dus geheim: ‘sub rosa’. Wie deze geheimen toch openbaart gooit ‘paarlen voor de zwijnen’ of ‘rozen voor de ezels’. In de ‘chymische Hochzeit’ wordt dat al in het titelblad geadviseerd, toch is dat precies wat Apuleius doet in zijn roman. (16) Hij eet als ezel de rozenkrans van Isis en wordt weer mens! Echter niet zomaar een mens, een ingewijde in de mysteriën van Isis, de godin van de roos. Ook degene die bidt met het gebedssnoer de ‘rozenkrans’ – en gebeden doet ter ere van Maria – overdenkt de mysteriën van de maagdelijke moeder en de zoon die sterft en toch leeft. (17) Wie op deze rozen mediteert en kauwt kan het geheim doorgronden. Hij weet het logge fysieke lichaam te ontstijgen om te komen in de paradijselijke rozengaarde waar de maagd toch moeder en minnaar is en de jong gestorvene zich nog nooit zo levend heeft gevoeld! De roos staat in het centrum van deze symboliek en is daarmee de mooiste bloem, de koningin der bloemen! Abe van der Veen http://www.sacred-texts.com/cla/pos/pos07.htm Sappho – Ode aan de roos: ‘If it pleased the whim of Zeus in an idle Hour to choose a king for the flowers, he surely Would have crowned the rose for its regal beauty, Deeming it peerless’ Beekman en Olofsen – Flora’s kus 95 http://mirrorofisis.freeyellow.com/id125.html Het lijkt een discrepantie dat de roos nog niet rood was en er toch mythen zijn over het ontstaan van de rode roos. Misschien werd roze in die tijd ook rood genoemd. De kleur roze is juist weer vernoemd naar de roos. Lankester, Ko – De Keltische maankalender in het zonnejaar 124 Apuleius – De gouden Ezel Hoofdstuk 47 Lankester 125 http://mirrorofisis.freeyellow.com/id125.html Lejeune en DeCleene – Compendium van rituele planten 922 Oordt, Hendrik van – Bloemen taal en symboliek 159 https://en.wikipedia.org/wiki/On_the_Origin_of_the_World Lankester 125 Walker, Barbara – A dictionary of symbols and sacred objects 422 http://www.patheos.com/blogs/religioromana/2011/05/rosalia-2/ http://penelope.uchicago.edu/~grout/encyclopaedia_romana/severans/roses.html https://en.wikipedia.org/wiki/Rosalia_(festival) De lentefee bij de Serven en Slovenen is vernoemd naar de roos, Rusalka, hun lentefeest heet rusalija dan tooien zij zich met rozen. Deze Rusalka is vernoemd naar de Rosalia van de Romeinen. Het feest Zemic heet ook wel Rusallii en is dan weer naar haar vernoemd. Het is een combinatie van een vruchtbaarheidsfeest en een herdenking van de vroegtijdig gestorvenen. De Rusalka zijn te vroeg gestorven jonge vrouwen. Zij zouden in het water leven en er op uit zijn om jongemannen te laten verdrinken. Maar tijdens de Rusalii/ Zemic komen zij uit het water om de velden te bevochtigen en vruchtbaar te maken. Rituele planten 940 Uyldert, M. – De taal der kruiden 139 https://en.wikipedia.org/wiki/Green_week Uyldert 133-139 Lejeune en Decleene 928 Walker – Encyclopedia of myths and secrets 866 https://en.wikipedia.org/wiki/Harpocrates Uyldert 133 Lejeune en Decleene 932 https://en.wikipedia.org/wiki/Sub_rosa De Roos van vlees is een boek van Jan Wolkers. Natuurlijk bedoeld hij hier de vagina mee. Morford, Mark – Classical mythology 116 Muntingh – Nauwkeurige beschryving der aardgewassen 1696 198 https://leesmaar.nl/munting/boek2/031.htm Ovidius – Fasti 4 863-872 Decleene en Lejeune 922 Walker 866 https://www.ensie.nl/populaire-uitdrukkingen/roosje https://en.wikipedia.org/wiki/Roman_de_la_Rose Decleene en Lejeune 922 Briggs, K – A dictionary of Fairies op Young Tamerlane http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/mystiek https://www.trouw.nl/home/geen-rozen-voor-de-ezels~a24dbfee/ Dante – Paradiso canto 32 http://www.italianstudies.org/comedy/Paradiso32.htm https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1179/ita.1986.6.1.19?needAccess=true&journalCode=yita20 Beekman en Olofsen 98 https://en.wikipedia.org/wiki/Hortus_conclusus Walker 433 https://en.wikipedia.org/wiki/Kanathos Walker 866 Wilkins, Eithne – The rose-garden game 81 „Enthüllte Geheimnisse werden wohlfeil, entweiht, verlieren sie ihren Wert. Also: Wirf keine Perlen vor die Säue, und streue dem Esel keine Rosen.“ https://anthrowiki.at/Chymische_Hochzeit_Christiani_Rosencreutz_Anno_1459 https://nl.wikipedia.org/wiki/Rozenkrans Andere interessante weetjes: Geopend is de roos het de vrouw in haar volle bekoorlijkheid. De maagd is echter een roosje in de knop. Op rozen zitten, over rozen gaan, slapen als een roos = Roos als teken van gelukzaligheid. Je krijgt mooie blozende wangen bij het kind als je zijn badwater onder een rozenstruik giet, of anders het menstruatiewater bij de eerste menstruatie. Mogelijk is de stekel waarmee Brynhilde en Doornroosje in slaap vallen een stekel van een roos. Uit het bloed van Adonis zou de Adonisroos ontspruiten. In het voorjaar meestal anemonen gebruikt in de zomer werd het gevierd met rozen. Een Duitse sage zegt dat de duivel langs de haagroos weer omhoog naar de hemel probeerde te klimmen. Toen boog god de rozentakken naar beneden en zo hangen ze nu nog. De wilde roos of egelantier was een zinnebeeld van jonge liefde, en werd geplukt door de jongeman die zo zijn gevoelens kenbaar maakte. Op de eerste mei kan je voor het venster van je geliefde een mei planten. Doe je dat van egelantier dan is dat dus de jonge liefde. De roos is bij de Arabieren ontstaan uit een zweetdruppel van Mohammed. De sage van de H. Elisabeth van Thüringen die brood meenam voor de armen dat veranderde in witte rozen. Cupido werd gestoken door een bij toen hij aan een roos rook, Aphrodite plaatste die stekel daarna op de roos. Witte rozen werden rood doordat Venus haar blote voeten prikte aan een roos, haar bloed kleurde de bloem rood. De rozentuin van Laurin de elfenkoning is zijn grote trots met de mooiste rozen, die betoverend lekker ruiken. Niemand mag eraan komen. Wie dat wel doet moet zijn linkerhand verliezen. Hij rooft Similde de dochter van de koning op de eerste mei. Hij denkt veilig te zijn met haar in zijn rozentuin omdat hij zijn onzichtbaarheidsgordel draagt. Toch wordt hij ontdekt door ridders vanwege de bewegingen die de rozen maakten als hij er langs liep. Sindsdien is de tuin alleen te zien in de schemer. Het staat ws voor de roze-rode gloed van een Alpenkam die juist te zien is in de schemering.   https://en.wikipedia.org/wiki/King_Laurin Bij de rozenkruisers verwijst de roos naar het geestelijke onsterfelijke beginsel dat zich bevind ter hoogte van het fysieke hart. Het staat ook bekend als de goddelijke vonk, de geestvonk, het oeratoom, de parel of de lotus. Als dit beginsel nog niet werkzaam is, wordt er wel gesproken over de rozenknop. Deze kan openbloeien op het kruispunt van de horizontale en de verticale balken van het kruis, dat een symbool is voor de mens. De horizontale balk van het kruis verwijst naar het leven in deze wereld, de verticale naar de instroming van het goddelijke licht dat in de wereld straalt. William Shakespeare: “What’s in a name? That which we call a rose by any other name would smell as sweet.” Romeo en Juliette 2-2 In the Tarot the rose is considered a symbol of balance. It expresses promise, new beginnings, and hope. Its thorns represent defense, physicality, loss, thoughtlessness. In the major arcana the rose appears on the Magician, Strength, Death and Fool cards. All of these cards hold strong meanings of balance and equilibrium. De wilde roos vormde met zijn vijf bloemblaadjes een natuurlijk pentagram. Zij was overal gewijd aan de godin. Stond bekend als de bloem van Venus en werd gedragen door haar priesteressen. Arabische mystici hadden het over het paradijs Gulistan:”de rozengaarde. Het paradijs was gecentreerd rondom deze roos van liefde. La rose is metafoor in Frankrijk voor het maagdenvlies. Bij de troubadours en de Arabische dichters is de roos metafoor voor de vagina. Walker 433 De alchemistische roos: rood en wit als symbool van de heilige baarmoeder. Het rozenvenster in Chartres keek uit naar het westen (richting van het paradijs), heette de roos van Frankrijk en had Maria in zijn centrum. Maria werd aangesproken als de roos, de rozentuin, rozenkrans of mystieke roos. Walker 866 De ‘mummers’ dans in Engeland genaamd ‘de roos’ Waarbij vijf dansers een vijfpuntige ster van zwaarden over een ‘slachtoffer’ maken. Deze dwaas wordt symbolisch onthoofd en weer herrezen door een elixer genaamd ‘de dauwdruppel in de roos’. (eufemisme voor het zaad in de vagina) Dauw staat voor zaad (al in het Hooglied) Zoals de roos dauw ontvangt zo ontving Maria’s ziel de hemelse dauw en werd zwanger van Jezus (Meister Eckhart) Er werd bij de dans gezongen: ‘ring around the rose wreath’, of ‘ring, ring a rosy, pocketfull of posies, atchoo, atchoo, all fall down’. https://en.wikipedia.org/wiki/Rose_(symbolism)      

De eik: koning van het woud

maandag 28 mei 2018 21:14

Monumentale eik Hilverbeek De eik is gekoppeld aan de zevende maanmaand in de Keltische bomenkalender. Hij heerst over de periode van tien juni tot en met zeven juli, waarin ook de Midzomer valt. In de natuur heersen de mannelijke krachten van activiteit en extraversie. Zijn latijnse naam Quercus Robur betekent de robuuste eik. Hij is één der mannelijkste bomen: het type ruwe bolster, blanke pit. Met zijn ruige bast, vruchtbare eikels en stevige stam, is het een man onder de bomen. Hij is dan ook gewijd aan de meest mannelijke goden; die van donder en bliksem! De eik is gewijd aan de oppergod van vele volkeren: aan Taranis bij de Kelten, Perkunas bij de Slaven, Donar of Thor bij de Germanen, Jupiter bij de Romeinen en aan Zeus bij de Grieken. (1) Dit zijn allemaal hemelgoden gewapend met bliksemschichten en/of donderhamers. De eik als koning Het is niet zonder reden dat een dergelijke boom verkozen werd tot koning van het woud. Geen rijk kan zonder een heerser en zo verkozen goden en mensen, maar ook dieren en planten hun koning. De landdieren hebben koning leeuw, de vogels hebben koning adelaar en de bomen hebben koning eik! Hij moet deze eer echter wel delen met een prikkelbaar heerschap: koning hulst. Eik en hulst hebben het jaar opgedeeld. Van midzomer tot midwinter regeert de hulst. Dat is de periode van afname waarin de zon telkens verder naar de horizon zakt. De eik volgt hem op van midwinter tot midzomer. Dat is de periode van groei waarin de zon telkens hoger aan de hemel staat. Zo strijden zij elk jaar met elkaar in een gevecht, met een voorspelbare afloop. Dit gevecht wordt in de rituelen uitgebeeld en wordt op vele manieren in verhalen verteld. In het artikel over de hulst vertel ik meer hierover. Eik en bliksem Als je je afvraagt wat een eik toch te maken heeft met die donder- en bliksemgoden dan kan ik je antwoord geven: Zelfs nu is een onweer met blikseminslag en vooraf gegaan door waarschuwende donder, een indrukwekkend schouwspel. Stel je voor hoe angstaanjagend en afschrikwekkend het geweest zal zijn voor onze voorouders! Alle kracht van de Hemelvader balde zich samen. In één gigantische ontlading werd moeder Aarde met de energie van de bliksem bevrucht. De boom die het vaakst diende als overbrenger van die robuuste kracht, was en is de eik. Het spreekwoord zegt: ‘Eiken moet je wijken, boeken (=beuken) moet je zoeken‘. (2) Als je onder een eik gaat staan tijdens een onweer ben je de goden aan het verzoeken, maar onder een beuk stond je volgens het volksgeloof veilig. Vele eiken vertonen dan ook sporen van blikseminslag en kunnen die klappen blijkbaar goed verduren. Dit wordt soms verklaard door te wijzen op de diepe worteling van de eik. Volgens de Romeinse dichter Vergilius (eerste eeuw v. Chr) zou een gezonde eik net zo diep onder de grond wortelen als dat hij boven de grond met zijn kruin naar de hemel reikt! (3) Ook al is dit wellicht iets overdreven; de eik kan wortelen tot in het grondwater en zo de bliksem des te beter geleiden. De priesters van de natuurvolkeren – zeker wanneer ze zagen hoe de eik door de bliksem werd getroffen – wisten goed dat deze boom heilig was. De kracht van de hemelgod was op hem neergedaald en iets van die kracht is nog steeds in de boom en in zijn vruchten aanwezig. Deze kracht heeft bij verschillende volkeren een speciale benaming gekregen. Zij heet onder andere: ‘mana’, ‘numen’, ‘prana’, ‘orgon’, ‘chi’ en ‘ki’. Ook al zitten er subtiele betekenisverschillen tussen deze woorden, toch staan zij – voor mij – voor één belangrijk ding: levensenergie. Het was de kunst om de goddelijke kracht, die in de heilige boom was verzameld, te sturen en aan te wenden voor het welzijn van de gemeenschap. Dit probeerden de priesters van vele oude religies. Ik kan hier drie voorbeelden van geven uit de Oudheid. Turner – The golden bough 1834 De gouden tak van Nemi In een eikenwoud te Nemi in de buurt van Rome was ooit het heiligdom van de bosgodin Diana. Daar stond een heilige eik die bewaakt werd door een priester. Hij bewaakte deze met zijn vege lijf, want degene die een gouden tak – waarschijnlijk een maretak – uit de boom wist te snijden, mocht met hem strijden. Wist deze hem te overwinnen en te doden dan werd hij zijn opvolger en daarmee de nieuwe ‘Rex Nemorensis’ oftewel koning van het woud en echtgenoot van Diana. Deze merkwaardige manier van opvolging van het priesterschap moet eeuwenlang hebben bestaan in dienst van het welzijn en de vruchtbaarheid van de gemeenschap. (4) De kosmische eik van Dodona Het heiligdom van Dodona heden ten dage De priesteressen van het heilige en aan Zeus gewijde eikenwoud van Dodona in Griekenland hadden het iets makkelijker: zij gaven orakels aan de mensen. Dit deden zij door middel van een majestueuze, wonderbaarlijke eik midden in het woud. De dichter Aeschylos beschrijft deze boom als volgt: ‘Hij is een niet te geloven wonder, een spijseik met zoete vruchten en altijd groene bladeren’. Met zijn wortels kwam hij tot in de onderwereld en met zijn kruin reikte hij tot in de hemel. Onder de boom borrelde een mysterieuze bron en in de boom woonden zwarte duiven. Als iemand een orakel wilde horen van Zeus waren daar drie methodes voor: De priesteressen keken naar de vlucht van de zwarte duiven in en uit de boom, ze luisterden naar het murmelen van het water in de bron of ze luisterden naar het ritselen van de wind in de bladeren van de eik. Dit zijn in feite drie meditatievormen om in de innerlijke stilte open te staan voor een goddelijke aanwijzing. Op deze drie manieren konden ze de wijze raad van Zeus ontdekken (5). De maretak van de druïden Henri Paul Motte – Druids Cutting The Mistletoe 1900 Het gebruik maken van de levensenergie van de eik komt het duidelijkst naar voren in het Keltische ritueel van het plukken van de maretak uit de eik. In het ‘nemeton’ – een heilige plek in de wouden van de Kelten – kwamen de druïden bijeen voor hun rituelen. De druïden zijn dru-wyd, dat wil zeggen eiken-kenners. Zij wisten hoe je de kracht van de god die in de eik was neergedaald, voor de mensen moest benutten. De Romeinse schrijver Plinius (eerste eeuw n. Chr.) beschrijft in zijn ‘Naturalis historia’ hoe zij dat deden: de druïden vonden alles dat op de eik groeit, een geschenk van de goden. Vooral de maretak – als hij groeide op de eik – werd als zeer heilig beschouwd. (De maretak groeit maar zelden op de eik, meestal groeit hij in een appelboom of een populier.) Hij werd met veel ceremonieel verzameld op de zesde dag na de nieuwe maan. Een priester klom in een wit gewaad in de boom en sneed met een gouden snoeimes de maretak af. De maretak werd in een witte mantel opgevangen. Zij mocht de grond niet raken, want dan zou alle kracht van de god die in de plant was verzameld in de grond weg vloeien. De maretak zou – in een drank verwerkt – vruchtbaarheid schenken en een tegengif zijn voor alle vergif (6). Zo werd de eik en alles dat groeide in de eik gebruikt voor vruchtbaarheid, genezing en voorspelling. De eik en het heilig vuur Waterhouse – A hamadryad 1895 De eik werd gezien als een axis mundi; een plek waar hemel en aarde elkaar ontmoetten. Het was de taak van de druïden en priesters om een dergelijke krachtplek te lokaliseren en te gebruiken om de goddelijke kracht aan te wenden voor de mensen. Dergelijke plekken waren voor de Grieken, Romeinen en Kelten bestemd voor hun heilige rituelen. Een van de manieren waarop die kracht werd aangeboord was door te draaien. Mogelijk duidt het dru in druïden en dry in dryaden (boomgeesten – vooral van de eik – uit de Griekse mythologie) hierop. Associatief zou je zelfs een link vermoeden met het der in de ronddraaiende derwisjen. Deze geestelijken van het mystieke soefi-geloof draaien om hun as om in extase te raken. Dit doen zij met de rechterhandpalm omhoog om de zegen van god te ontvangen en de linkerhandpalm omlaag om die zegen door te geven aan de wereld. Door te draaien om je as vindt je het exacte middelpunt. Niet alleen de as van jezelf, maar ook de wereldas. Deze staat gelijk aan de wereldboom; de kosmische eik. Wie kan draaien rond de eik kan de energieën in elkaar vlechten en de stille plek in de orkaan bereiken. Dit draaien was niet slechts een methode om mystieke eenheid te vinden, maar ook – zeer praktisch – een manier om vuur te maken! De alleroudste manier om aan vuur te komen was door te wachten op het geschenk van de hemelgod: de bliksem die insloeg in de eik, die daarmee vuur veroorzaakte. Ergens in de oeroude tijden kwam er iemand die vooruit kon denken, die niet slechts in het hier en nu leefde, maar door had dat je door continue wrijving een dermate grote hitte kon bereiken dat vuur ontstond. Hij of zij deed dit met behulp van een vuurboor in een vuurkom. Beiden werden traditioneel gemaakt van eikenhout. (7) De stamgenoten aanschouwden dit met groot ontzag en zagen dit als een heilige en magische daad. Degene die vuur kon maken werd de druïde (of dryade); de draaier met de vuurboor. In de Griekse mythologie is Prometheus de eerste die het vuur ontdekt. Hij is de fameuze weldoener van de mensheid die het vuur uit de godenwereld stal. Zijn naam betekent ‘de vooruit denkende’ en/of de vuurboor. (8) Het vuur van de eik, gemaakt met de vuurboor van eikenhout, gaf de mensen een eerste aanzet tot beschaving. De betekenis van de naam Prometheus laat dit prachtig zien. Bonifatius kapt de heilige eik van Geismar om Eik en kerk De heilige eiken werden vanaf de vroege middeleeuwen gekapt door christelijke missionarissen. Bonifatius zag bijvoorbeeld te Geismar (Duitsland) hoe mensen een grote eik vereerden die gewijd was aan Donar (Jupiter). Hij hakte – volgens zijn hagiografie – de boom in één slag om en de boom viel in vier stukken uiteen. Van het eikenhout bouwde hij een kerk. Dit incident kan je zien als een voorbeeld van het overgaan van de functie van middelaar tussen hemel en aarde van de boom naar een kerkgebouw. Vaak werden de eerste kerken gebouwd van eikenhout. Je vindt dit terug in het Ierse woord voor kerk; dur-thech oftewel eikenwoning. (9) Groene man in Dordrecht Nog steeds vind je die oude oorsprong terug in sommige kerken. Pilaren lijken op boomstammen en zijn met ornamenten van eikenloof omkranst. Op onverwachte plekken – onder een kapiteel, onder een leuning van een kerkbank of vanuit een nis – kijkt plots een ‘groene man’ je aan. Het ornament van de ‘groene man’ is een stenen gezicht gemaakt van bladeren, of anders een gezicht waar bladeren uit de mond, neus en ogen stroomt. (10) Het blad bestaat regelmatig uit eikenloof. Is de ‘groene man’ een elf, een vegetatiedemon of de god van de natuur zelf? Niemand weet het zeker. Toch is het verleidelijk om in de ‘groene man’ de geest van de groene vegetatie te zien die zo onverwoestbaar als onkruid altijd weer zijn kop omhoog steekt. De heilige eik in Nederland Is er van die oude eikenverering nog iets terug te vinden in het huidige Nederland? Verbazingwekkend genoeg wel! Ik zal hiervan drie voorbeelden geven: Lapjesboom van Overasselt In Overasselt, bij  Nijmegen in de buurt, staat een bijzondere eik. Hij is niet heel oud of dik, maar hij kan genezen! Het is de lapjes- of koortsboom. Iedere koortslijder die hier een – in zijn eigen koortszweet gedrenkte – lap in hangt, zal genezen van zijn kwaal. De ziekte wordt via de lap overgenomen door de boom. De koorts wordt geneutraliseerd en afgevoerd. Volgens de legende woonde er in die streken zo’n duizend jaar geleden een roverhoofdman genaamd Walderick. De enige waar hij van hield was zijn schone dochter Heribertha, maar zij kreeg de gevreesde hete koorts. Ondanks allerlei gedokter genas zij niet. Walderick was ten einde raad. Een monnik gaf hem toen het advies om een stuk van haar kleed te scheuren en dat in de oude eik naast zijn huis te hangen. Kort daarna werd Heribertha weer gezond. Walderick ging vervolgens een vroom leven leiden en werd Sint Walrick. Vanaf die tijd zou het gebruik zijn ontstaan om lapjes in de boom te hangen tegen de koorts. Het huis van de hoofdman verdween en in plaats daarvan kwam er een kapel. Nog steeds staat er naast de lapjesboom de ruïne van deze kapel; de Sint Walrickruïne (11). De eik die er nu nog staat is natuurlijk niet de eik van duizend jaar geleden, maar zijn opvolger. Hij wordt echter nog steeds vol gehangen met lapjes. Gevoelige mensen weten dat dit een krachtplek is; een plek die hemel en aarde met elkaar verbindt. Wodanseiken – J.J. Cremer 1849 Bij Wolfheze vindt je de Wodanseiken. In de negentiende-eeuwse romantiek was deze naam bedacht voor deze rij met imposante bomen in een schilderachtige omgeving. De eik is traditioneel inderdaad gewijd aan Wodan. De zes tot acht grote eiken, met in de omgeving grafheuvels en ruïnes, vormen een – vooral in de schemering – spookachtig geheel. Vroeger durfde men er ‘s avonds niet voorbij te lopen. Een man die dat toch deed zag de schimmen van werklieden die daar bezig waren huizen te bouwen. Het was het spooksel van iets wat daar honderden jaren eerder had plaatsgevonden. Onder deze eiken werd vroeger recht gesproken. De bladeren van de bomen zouden de aanklagers het recht influisteren. Ook deze plek staat bekend als een krachtplek. Tot slot staat er in de Sint Lambertuskerk te Meerveldhoven (Noord-Brabant) een dode eikenboom volgehangen met ex-voto’s (voorwerpen die als blijk van dank werden opgehangen vanwege een verhoord gebed. Ze waren van was of metaal en moesten vaak een genezen lichaamsdeel voorstellen.) Deze boom staat daar ter herinnering van een waar gebeurd verhaal uit 1264. Er was een boer op pad gegaan en die zag tot zijn verbazing een Mariabeeldje zitten tussen de takken van een eik. Hij haalde het eruit en nam het mee naar huis, maar de volgende dag was het beeldje verdwenen en zat het opnieuw in dezelfde eik! Dit herhaalde zich nog twee keer. Toen was hij overtuigd: Maria wil in de eik vereerd worden. Vele zieke mensen gingen op aanraden van de boer naar het beeldje in de eik, en werden genezen. Het werd een bekend pelgrimsoord. Na verloop van tijd ging de boom dood, maar in zijn nagedachtenis vind je in de kerk op deze plaats nog steeds een eik. (12) Deze drie voorbeelden geven aan hoe ook nu nog de kracht van de eik tot de verbeelding spreekt van de mensen. Zo de heilige eik twee millennia geleden genezing en wijsheid gaf te Nemi, Dodona en in het heilige woud van de druïden, zo kan hij dat nu nog brengen in Wolfheze, Meerveldhoven en Overasselt! Abe van der Veen Dit is een herziene versie van een hoofdstuk uit mijn boek ‘De symboliek van bomen’ over de Keltische bomenkalender. Dit boek is hier  te verkrijgen. Moens, Frank en Roelie de Weerd ed. – Bomen en mensen. Een oeroude relatie 2001 p. 232 Cleene, Marel de en Marie Claire Lejeune – Compendium van rituele planten in Europa 2003 p. 325 Vergilius – Georgica vs. 390-397 Frazer, James – The golden bough 1993 8, 140, 163 Blöte-Obbes, M. C. – Boom en struik in bos en veld 1963 p. 117 Beekman, Willem en Frank Olofsen – Goud in groen 1998 p. 11 Cleene en Lejeune 325 Graves, Robert – Griekse mythen 146 Walker, Barbara – The encyclopedia of myths and secrets 257 Basford, Kathleen – The green man 2004 Moens 64 Moens 61 en Schuyf, Judith – Heidens Nederland 1995 p. 99

Het geheim van de alruinwortel of mandragora

donderdag 26 april 2018 19:21

De alruinwortel, wie kent hem niet van Harry Potter of anders van een scène uit Pan’s labyrinth? (n) Deze ‘mandragora officinalis’, is – samen met de maretak – de meest magische plant die we in Europa kennen. De hoeveelheid folklore rondom deze plant is enorm. Het uiterlijk van de plant is vrij onopvallend, hij heeft donkergroene bladeren, groene bessen en paarse bloemen. Zijn meest beruchte en opvallende deel zit echter onder de grond: dat is zijn sterk behaarde wortel die zich nogal eens vertakt en dan verdacht veel lijkt op het lichaam van een mens. De Egyptenaren zagen er een mannelijk geslachtsdeel in en noemden hem ‘de fallus van het veld’. De Arabieren kennen hem juist als ‘de eieren (testikels) van de djinn’, daar is de plant vernoemd naar zijn bessen. In de Bijbel worden de bessen van de alruin ‘dudaim’ oftewel ‘liefdesappelen’ genoemd. In al deze streken stond de plant bekend als een afrodisiacum. Mandragora is ook één van de bijnamen van de Romeinse liefdesgodin. Zij heet dan Venus Mandragoritis. Mandragora komt wellicht van het Perzische ‘mardum giâ’ wat mensenkruid betekent. (1) Heksen en priesteressen Vroege afbeelding van heks ca. 1280 – 1450 dom van Schleswig Meestal werd de meer duistere kant van de plant benadrukt. Als ‘atropa mandragora’ wordt hij genoemd naar Atropos, de schikgodin die de levensdraad doorsnijdt. Hij zou toebehoren aan de heksen- en doodsgodin Hecate en groeien in het magische kruidentuintje van de tovenaressen Medea en Circe. Een Griekse benaming van de plant is ‘kirkaion’: kruid van Circe. Alruinwortel wordt ook genoemd als bestanddeel van de vliegzalf van de heksen. Bij het vliegen naar de sabbat door een heks, ging de geest reizen en bleef het lichaam achter in bed. Alruin bevat scopolamine en hyoscamine en heeft daardoor een hallucinogene werking. Dit zal inderdaad helpen om uit het lichaam te treden. (2) Ook bij de oude Germanen was er een heksenassociatie. De plant zou de naam alruin te danken hebben aan Albruna een Germaanse waarzeggende priesteres die door Tacitus in zijn ‘de Germania’ (1e eeuw nC) wordt genoemd. Al(b)runa zou de titel zijn voor deze orakelende vrouwen en ‘zij die de geheimen van de elfen kent’ betekenen. Alb is elf en runa betekent geheim en is verwant aan de runen. Zonder de b in alb wordt het ‘zij die alle geheimen kent’. Ook van de alruinswortel werd gezegd dat hij alle geheimen kan onthullen. (3) De galgenheuvel De verblijfplaats van de ‘alruna’ als wortel en als priesteres is mogelijk dezelfde, namelijk de grafheuvel. Deze werd later vaak gebruikt als galgenheuvel. Het is niet toevallig dat de alruin juist zou groeien op galgenheuvels. De graf/galgenheuvel was een plaats van inwijding, die mogelijk gebruikt werd om een semi-dood ervaring of een ervaring van uit het lichaam treden mee te maken. Een van de inwijdingsrituelen bij de Germanen was de hangritus, waarbij de in te wijden persoon opgehangen werd aan een galg of boom en dan stierf als slachtoffer of na een wurgende bijna doodervaring weer van de galg werd gehaald. Daarna was hij gewijd aan Odin. (4) Hekserij onder de galg (de alruinman vindt je onder de heks met de toorts) – Teniers II (1610-1690) Van de alruin werd in de Middeleeuwen gezegd dat hij ontstond uit de urine of het zaad van een gehangene (vandaar de volksnamen pisdiefje en galgenmannetje). (5) Deze gehangene moest dan wel een onschuldige of een dief zijn. Die onschuld verwijst naar het hangen als inwijding in plaats van straf, maar ook de dieven zijn aan Odin gewijd. Op het moment dat alles wordt losgelaten en de banden met het lichaam worden doorbroken, komt de ziel vrij en schreeuwt hij het uit van extase. Dit is een orgastische schreeuw. Zowel Jezus als Odin schreeuwen op dat moment tijdens hun hangoffer. Op dat zelfde moment verliest de gehangene zijn zaad. Juist hieruit groeit een op een man lijkend plantje. Een plant met een bijna menselijk bewustzijn. Het lijkt op een mens en gedraagt zich ook als een mens. Je zou kunnen zeggen dat de ziel van de gehangene is overgegaan in de plant. Hoofd van Adam, hoofd van Mimir In Rusland heeft de alruin een interessante naam: hier noemen ze de plant ‘hoofd van Adam’. (6) Dit hoofd zou – volgens de legende – in de heuvel Golgotha begraven liggen. Dit is de galgenheuvel waar Jezus Christus gekruisigd is. Golgotha betekent ‘plaats van de schedel’. Hiermee wordt de schedel van Adam bedoeld! Onder de galg van Jezus vinden we dus Adams hoofd, oftewel de mandragora? Tegelijkertijd is er ook een merkwaardige correspondentie tussen het kruis van Christus, de boom van kennis van goed en kwaad en de mandragora. Volgens de ‘fysiologus’ (2e eeuw nC) was de boom van kennis van goed en kwaad uit het paradijs een mandragora. In diverse middeleeuwse legenden over de herkomst van het kruis wordt weer beweerd dat het gemaakt is van het hout van een zaadje uit de boom van kennis van goed en kwaad. Deze boom groeide dan weer op Golgotha. (7) De middeleeuwse mystica en kruidkundige Hildegard von Bingen (1098-1179) beweerde dat de alruin uit dezelfde plaats gegroeid was, waar God de aarde vandaan haalde om Adam mee te scheppen. Daarom was hij koning van de planten. (8) Adam betekent rode aarde, want de eerste mensen zouden door God gemaakt zijn uit klei. Het eerste probeersel echter was een misbaksel en God gooide het weg. In één versie van dit verhaal werd dit de alruinswortel! De Joodse magiër Eliphas Levi maakt er zelfs van dat de eerste mensen als alruinen waren, die zichzelf uit eigen beweging uit de grond lostrokken.. Salvator Rosa 1646 (In de hand van de linkerheks de alruinman) Het is interessant om dit verhaal te vergelijken met Odin’s hangoffer: Onder het kruis van Jezus is het hoofd van Adam – wellicht de alruinwortel – te vinden en onder de boom van Odin vindt de god de runen. Dit is geheime kennis, niet in de vorm van een plant, maar door middel van letters. Toch in een ander verhaal over de zoektocht van Odin naar wijsheid vindt hij wel degelijk een hoofd. Dit is het hoofd van Mimir, de meest wijze Ase, wiens hoofd afgehouwen was. Odin wreef het hoofd echter in met kruiden en sprak er toverformules over uit zodat het in leven bleef. Odin had dit hoofd altijd bij zich en sprak ermee, het onthulde hem verborgene zaken. Het waren de zaken die geassocieerd zijn met de geheime wijsheid van de gehangenen. (9) Ik stel mij zo voor dat de ingewijde die de hangritus overleefde – en dus uit de dood herrezen was – als beloning daarvoor het poppetje van de alruin mee kreeg. Dit was zijn ego, waarmee hij zich nu niet meer vereenzelvigde, waardoor het een hulpmiddel werd om zijn betere ik, zijn geest te raadplegen. Hiermee kon hij geheime beraadslagingen doen door te ‘raunen’ (fluisteren) met de runen of de alruin en te mijmeren met Mimir. De homunculus Doordat de ingewijde een semi-dood onderging was zijn ego symbolisch overgegaan in de alruin. Hij was zijn zelf of zijn ziel geworden en had het inzicht verworven dat hij niet zijn lichaam, noch zijn gedachten was. Hij kon nu vrijelijk beschikken over dat construct van lichaam en gedachten – die door het ego samen wordt gehouden. De alruin kan je zien als het symbool voor dit kleine ik. Het heeft de vorm van een klein mensje: de ‘homunculus’. Dit maakt de alruin tot een krachtige, maar ook gevaarlijke plant. Op het moment dat hij uit de aarde werd getrokken zou hij een schreeuw geven die zo afgrijselijk was dat je ter plekke van schrik zou sterven! Het is alsof de schreeuw van de gehangene weer vrijkomt en daarmee ook al zijn pijn en lijden dat hem vasthield aan de materie. Niet iedereen kan deze smart doorstaan, velen zullen falen bij de poging om kracht van de alruin – en daarmee zijn verborgen kennis – te beheersen. Een enkele wijze kan het wel en wordt heerser over de geestenwereld, zoals koning Salomo die een stukje van de wortel in zijn magische zegelring had, of zoals Odin, die naar vrije wil uit zijn lichaam kon treden. Ook Paracelsus beweerde dat hij de homunculus kon maken. In de alchemie noemt men de kunstmatig met leven begiftigde dode materie de homunculus. De alchemist en kruidkundige Paracelsus zou dit hebben geprobeerd en hij gebruikte daar de alruin bij, die hij tot leven wekte door middel van menstruatiebloed en (opnieuw) sperma. (10) Het plukken en verzorgen van de alruin Wij gewone stervelingen hebben trucjes nodig om toch iets van die wijsheid te bemachtigen. Een vroeg voorbeeld van het oogsten van de alruinwortel stamt uit de eerste eeuw nC uit Galilea en staat in de Bellum Judaicum van Josephus:  ‘In de vallei die noordwaarts de stad omringt, is er een plaats genaamd Baaras, waar een wortel groeit van de zelfde naam, die een kleur als vuur heeft en ’s avonds glinstert als de stralen van de zon. Men komt er moeilijk bij en rukt hem even moeilijk uit; want hij vlucht verder en blijft enkel staan, indien men vrouwenpis of menstruatiebloed er op gegoten heeft.  Als iemand hem aanraakt, moet hij zeker sterven, zo hij hem niet, aan de hand hangende, draagt. Men neemt hem zonder gevaar als volgt: Men doet er rond de aarde weg, zodat maar een klein deel van de plant nog in de de grond blijft; men bindt aan de wortel een hond die, omdat hij zijn meester wil volgen, de wortel uit trekt. Onmiddellijk sterft de hond in plaats van zijn meester. Van dit ogenblik af kan men de wortel zonder gevaar in de hand nemen. Men trotseert al die gevaren om deze wortel te bezitten, vanwege één enkele kracht die hij heeft: deze wortel op het lichaam gelegd, verjaagt de boze geesten, die de levende lichamen proberen te bezitten en doen sterven, als men er niets tegen doet’. (11) In latere versies van dit plukritueel moest de hond zwart zijn. Dit is passend want zwarte honden zijn gewijd aan de godin Hecate en worden gezien als boodschappers van de dood. In het – vroeger jaarlijks in het Atlasgebergte gehouden – Rookfeest werd een mengsel van hallucinogene kruiden gebrand met als hoofdbestanddeel de alruin. De bedwelmde monniken zagen de geestvorm van de verschillende planten en ten laatste de geest van de alruin in de vorm van een zwarte hond! (12) Het plukken van de alruin volgens de ‘Tacuinum sanitatis’ uit  de  15e eeuw In middeleeuwse versies van het plukritueel moest het alruinmannetje – nadat hij uit de grond was getrokken – gebaad worden in rode wijn, gekleed in een wit zijden hemdje en op een kussen in een doosje worden geplaatst. Hij moest zelfs iets te eten krijgen! Als je dit allemaal deed en dit enkele keren herhaalde dan zou hij je wensen vervullen, antwoord geven op al je vragen, je de toekomst voorspellen en je rijk maken! (13) Dit soort gelukspopjes van alruin werden mogelijk al door de Grieken en Romeinen als amulet gedragen en het gebruik bleef tot in de negentiende eeuw bestaan. (14) Mogelijk was dit de ziel van de gehangene die men dan met zich meedroeg. Deze was dan met zijn laatste extatische schreeuw in de alruin overgegaan. Door hem zo te verwennen en te voeden met aandacht, zorgde men ervoor dat hij niet weg vluchtte. Zelfs Jeanne d’Arc, de roemruchte maagd van Orléans, werd er van beschuldigd dat zij stiekem een alruinwortel bij zich had. Dit zou de oorsprong zijn van de stemmen die zij hoorde! Zijzelf beweerde bij hoog en bij laag dat het de stemmen van heiligen waren. (15) De levenskracht van de alruin Dioscorides ontvangt een alruin van de godin Euresis (5e eeuw nC) In het beroemde Russische sprookje ‘Wasalisa de wijze en de heks Baba Jaga’ krijgt het meisje Wasalisa een popje van haar stervende moeder. Zij draagt deze altijd stiekem bij zich, praat met haar en geeft het eten. Het popje brengt haar geluk en geeft haar wijze raad. Uiteindelijk vindt ze met behulp van de pop een vlammende schedel, waarmee ze het vuur in de haard opnieuw aansteken kan. Dit alles doet verdacht veel denken aan een pop van alruinwortel. Dit geldt ook voor de schedel, want van de alruin wordt gezegd dat de bloem vlammen voortbrengt. Hij wordt daarom in het Hebreeuws ‘dudaim’ of vlammenkruid genoemd. (16) In dit verband is het opmerkelijk dat ook Prometheus – die het vuur steelt van de goden – met de alruin werd geassocieerd. Hij werd gestraft door middel van een adelaar die elke dag zijn lever uit zijn borst pikte. Uit de etter die uit die verse wond stroomde zou de alruinwortel zijn ontstaan. (17) Arabische afbeelding van de mandragora uit 1229 De vlammen van de alruin komen ook voor in een versterkingsritueel dat uitgevoerd werd op het Indonesische eiland Madoera. Daar werd door de deelnemers in een tempel voor elke maand een zaadje geplant en hiervoor gezongen. Zij zagen het zaad voor hun ogen ontkiemen en daarna stengel, blad en bloem vormen. Het laatste zaad was dat van de alruin. Bij het openen van de alruinbloemen kwamen er vlammen uit de kelken. Sommige deelnemers leken verzengd te worden door de vlammen en bezweken. Anderen leken de vlammen in zich op te nemen. Na afloop gingen de eersten bleek en afgemat naar huis en de laatsten vol kracht en geestdrift. (18) Wie sterk genoeg is die neemt de levenskracht van de alruin op, wie dat niet is verliest juist zijn energie aan de mensplant! Conclusie Je zou kunnen stellen dat de alruin voor het ego staat, maar ook voor je intuïtie! Na je inwijding ontvang je van de wijze vrouw, (de alruin) de wortel als talisman. Je behandelt het als een minimensje, een homunculus en het is daarom je kleine ik, tegenover je grote zelf. Het is je ego, waardoor je in jezelf kan praten, zoals een klein kind praat met haar pop. Maar dit keer laat je je niet overheersen door dit ego. Je herkent zijn kracht, maar identificeert je er niet volkomen mee. Je hebt geleerd dat je grotere zelf die energetische boom is, die galg waar het ego aan hangt. Zodra je dit parasitaire ego los kan rukken en je – zoals Odin – van de boom valt, weet je dat je niet ego bent, dat je niet lichaam-in-gedachten bent, maar iets oneindig groters. Zo transformeer je het ego tot je intuïtie! De ‘tuition’ het onderwijs dat je krijgt als je naar je innerlijk, je centrum luistert. Dit is de innerlijke vlam in de schedel die verwijst naar jouw overwinning op de dood. Je consulteert je diepste innerlijke weten door middel van je contact met de alruin, de allesweter. Als je zelf niet ingewijd bent en je vangt de ziel van een gehangene in de alruin, dan ben je een necromanciër en pleeg je zwarte magie. Dit is misbruik maken van iets buiten jezelf. Dit is een duivelspact dat je uiteindelijk op zal breken. Buiten het ritueel van het hangen om kan de geest van de alruin zelf je ook beschermen en van wijze raad voorzien. Hij helpt je bij je inwijding. Tegelijk kan hier sprake zijn van bescherming door de geest van de inwijdster, de wijze albruna, de priesteres die je lijfelijk of in geestvorm bijstaat. Abe van der Veen Dit artikel is onderdeel van mijn boek ‘De wijsheid van bomen en kruiden’. Dit boek is via deze link verkrijgbaar en hier kan je meer info lezen over het boek. n) Zie hier de scène met de alruin in Pan’s labyrinth: https://www.youtube.com/watch?v=Tvq4Yp7XaRg 1) L. Gordon – Green magic p. 97 Emboden – Bizarre plants p.149-150 Decleene en Lejeune – Compendium van rituele planten p. 108 G. Buchner – Heksenkruiden p.33 Genesis 30 vs 14-16: ‘En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen. Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar.’ 2) Emboden – Bizarre plants p.149 R.K. Harrison, “The Mandrake And The Ancient World,” The Evangelical Quarterly 28.2 (1956): 87-92. Compendium p. 110 3) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/alruin https://en.wikipedia.org/wiki/Albruna 4) Farwerck – Noordeuropese mysterieën p. 45, 156, 405 Gehangen mannen zouden bij hun laatste stuiptrekkingen ejaculeren. Tegelijk is het ook een feit dat mensen die bepaalde hallucinogene drugs gebruiken zoals Ayahuasca in hun staat van totaal loslaten ook hun urine, feces en mogelijk ook sperma soms loslaten. 5) Teirlinck – Flora magica p.142 6) Compendium p. 106 7) Hatsis – The witches ointment 79 https://en.wikipedia.org/wiki/Legend_of_the_Rood 8) Emboden p. 149 Compendium p. 107, 114 9) Snorri Sturluson – Ynglinga saga 4 en 7 10) Grafton, Anthony (1999). Natural Particulars: Nature and the Disciplines in Renaissance Europe. MIT Press. pp. 328–329 11) Josephus, Bellum Judaicum, vii. 6. 3. Compendium p. 108 12) M. Uyldert – De taal der kruiden p. 228 Er is een interessante gelijkenis te trekken met een ervaring die Carlos Castaneda in een van zijn boeken beschrijft. Onder invloed van de hallucinogene cactus Peyote gaat Carlos spelen met de geest van de plant in de vorm van een hond. 13) Blöte-Obbes – De geurende kruidhof p. 245 Compendium p. 110 14) Compendium p. 110 Deze waren meestal op kunstmatige wijze van menselijke trekken voorzien en waren ook vaak niet van alruinwortel gemaakt, maar van een heggerank. 15) Blöte-Obbes p. 247 16) Uyldert p. 223 17) Compendium p. 105 Appolonius van Rhodos boek III, 828 18) Uyldert p. 226 Leuk om te weten: De main-de-gloire of ‘dead man’s hand’ is een verbastering van de mandragora. De magische werking van de plant ging dus over op die van een ander luguber iets dat je moest opgraven onder de galg: de hand van een gehangene.. – Ook goed om te lezen: Anne Van Arsdall, Helmut W. Klug, Paul Blanz –  The mandrake plant and it’s legend a new perspective https://www.whitedragon.org.uk/articles/mandrake.htm

Heks en drugs: de vliegzalf van de heksen

maandag 02 april 2018 16:13

Gebruikten heksen drugs om te kunnen vliegen? Of anders gezegd: Waren er mannen en vrouwen in de middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd die hallucinogene middelen (met name kruiden) gebruikten om in extase of trance te kunnen komen? Het lijkt er op van wel: er zijn een aantal zestiende-eeuwse recepten voor vliegzalf waarin kruiden worden genoemd die een hallucinogene werking hebben. Dit wordt het ‘unguentum Lamiarum’ genoemd. Hiernaast zijn er ook recepten bekend met voornamelijk walgelijke ingrediënten en met als belangrijkste bestanddeel de lijkjes van kinderen. En dan zijn er nog twee uiterst opmerkelijke recepten uit de vijftiende eeuw waarin de zalf het ‘unguentum Pharelis’ wordt genoemd. Volgens sommige historici waren er duizenden recepten van vliegzalf in omloop. (1) Dit is schromelijk overdreven. Ik kom er op zeven waarvan ik schat dat ze te gebruiken zijn. Maar voordat we op zoek gaan naar de ware vliegzalf van de heksen, wil ik eerst iets vertellen over de achtergronden van dit ‘vliegen’. De theorie en praktijk van het vliegen Het vermogen te kunnen ‘vliegen’ was een definiërend kenmerk voor de heks. Vele van haar namen refereren hier aan zoals: haghetisse (heggerijdster), kolrijdster, ziftrijdster, hagazussa, túnrida (zij die de heg berijdt). (2) Maar wat wordt bedoeld met vliegen? In de bronnen wordt niet alleen gesproken over vliegen als het gaat om de bovennatuurlijke reis van de heks, maar ook over varen, rijden en reizen. Dit gaat in ieder geval niet om een letterlijk vliegen of een fysieke levitatie. (Ook al dachten de demonologen en vele rechters uit de tijd van de vervolgingen dat wel.) Het gaat eerder om een verschuiving van bewustzijn.  De heks trad uit haar lichaam om in de geestelijke wereld te kunnen reizen, om zo bovennatuurlijke ervaringen op te doen. Dit kan je extase of trance noemen. Er vindt een bewustzijnsverschuiving plaats waarbij de aandacht zich van het lichaam en de gedachten verplaatst naar de geest en de energie. Er zijn meerdere voorbeelden uit de Europese middeleeuwen te noemen van mensen die uit hun lichaam konden treden zonder hulp van een vliegzalf. (3) Voor een groot gedeelte waren dit magisch specialisten: vrouwen en mannen die in hun dorp of buurt geraadpleegd konden worden voor o.a. waarzeggerij, genezing, het terugvinden van verloren en gestolen goed en het aanwijzen van toverij en de invloed van boze geesten. Zij verkregen hun geheime kennis door hun vaardigheid om in de geest te kunnen reizen. In de heksenprocessen en in de demonologieën waren de zalf smerende heksen duivelaanbidders en kindermoordenaars geworden. Bij deze – deels door marteling verkregen – teksten is niet meer duidelijk te krijgen wat er werkelijk gebeurd was. Strijdende heksen in een prent van Bruegel 1565 Er waren meerdere redenen om in de nacht te gaan ‘vliegen’. Het kon een extatisch genot en plezier veroorzaken, vooral als het doel van de nachtvlucht een feest of samenkomst was. Het kon gebeuren om zegen, voorspoed en vruchtbaarheid te brengen aan de gemeenschap. (Soms ging dit gepaard met een strijd of gevecht in de lucht om de vruchtbaarheid.) Ook kon men door de ontmoetingen met geesten of godinnen bovennatuurlijke kennis en wijsheid over de geestelijke wereld opdoen. Dit werd vaak vertaald als het leren van zwarte magie door de duivel. Mogelijk was de nachtvlucht ook een geheime manier om een godin te aanbidden. (4) En dan bestaat er nog de kans dat de nachtvlucht gebruikt werd voor diverse vormen van maleficia (kwade toverij), waarbij ziek maken van mens en vee en dood maken van kindertjes het meeste worden genoemd. Dit laatste kan je zien als een vorm van energetisch vampirisme. Om te kunnen vliegen is een staat van bewustzijn nodig die je extase of trance noemt. Het is bij deze bewustzijnstoestand vooral zaak om de gedachten te stillen, de hechting met het fysieke lichaam los te koppelen en de aandacht vanuit het centrum te verplaatsen naar geest en energie. Alles wat er in deze wereld van belang wordt geacht doet er dan even niet toe. Dan kan je in de geest zijn, je ook in de geest verplaatsen en in de geest andere geestwezens ontmoeten (andere extatici, doden, elfen, godinnen). De procedure voor het gebruiken van zalf was kort samengevat het volgende: Een zalf met rituele of hallucinogene bestanddelen werd op het lichaam gesmeerd. Ook kon die zalf gesmeerd worden op het voorwerp dat men van plan was te bestijgen om te dienen als rijtuig. Tijdens of na het zalven werd er een magische spreuk opgezegd en de stok, trog, stoel of wat dan ook, kon beklommen worden. De ‘heks’ viel vervolgens in een diepe slaap of katalepsie, die zo intens was dat zij meestal niet op een normale manier wakker te krijgen was. Haar lichaam bleef thuis achter en ondertussen ging haar geest op reis. Die ging door de schoorsteen of door een kier het huis uit de lucht in, op weg naar de samenkomst. Dit kon absoluut ook zonder hulp van hallucinogene middelen, maar wellicht waren de drugs voor beginnende extatici nodig om ze over de drempel te helpen. Een Romeinse proloog De eerste vermelding van een soort van vliegzalf is te vinden bij de Romeinse schrijver Apuleius’. In zijn roman ‘De gouden ezel’ (160AD) begluurt Lucius de heks Pamphile en ziet hoe zij haar kleren uitdoet en wat zalf uit een doosje haalt. Zij smeert zich daarmee van top tot teen in. Zij bewoog haar ledematen en er groeide dons en vervolgens veren aan haar lichaam. Zij veranderde ter plekke in een uil en vloog weg naar buiten de nacht in. Als Lucius dit ook wil en zijn geliefde smeekt om hem wat van die zalf te brengen vergist zij zich in het doosje en Lucius verandert juist in een ezel. Deze zalf helpt dus om van gedaante te veranderen en pas in tweede instantie om te vliegen. Vervolgens wordt er in geen eeuwen over een vliegzalf gerept. (5) Een duivels smeerseltje Mogelijk zien we in een afbeelding uit circa 1300 op de deur van de kathedraal van Saint Jean Baptiste te Lyon (Frankrijk) een heks die gebruik maakt van een hallucinogeen middel: we zien een naakte vrouw rijdend op een bok en met in haar ene hand een knook en in de andere een gigantische paddenstoel. Dit lijkt wel op een vliegenzwam. Voor de rest komen wij deze hallucinogene paddenstoel echter niet tegen als onderdeel van de vliegzalf. (5) Pas in 1324-25 in het geïsoleerde geval van de Ierse Lady Alice Kyteler vinden we weer een schriftelijke bron over een mogelijke vliegzalf. Lady Kyteler werd verdacht van zwarte magie en het oproepen van demonen. Haar huis werd doorzocht en daar vonden zij een doos met zalf. Uit haar bekentenis bleek dat zij met de zalf een stuk hout besmeerde waarmee zij vervolgens – samen met haar medeplichtigen – ‘kon rijden en galopperen waar zij maar heen wou, de hele wereld over, door dik en dun, zonder pijn of belemmering’. Dat werd althans door haar beweerd. Dit ‘galopperen’ doet denken aan bepaalde vruchtbaarheidsrituelen waarin er met een stokpaard over de velden wordt gegaloppeerd en gesprongen om zo voor een grotere oogst te zorgen. Dit wordt verder in geen enkele andere tekst genoemd. Toch moet er meer aan de hand zijn geweest, want Alice kon er de hele wereld mee over vliegen. Wat er in de zalf zit komen wij niet te weten. (6) Tussen 1395 en 1405 worden er in Simmenthal in Zwitserland enkele heksen verbrand. Dit is een zeer vroeg heksenproces. Zij bekenden o.a. dat zij kinderen hadden gestolen en vermoord. Dit deden ze om ze vervolgens op te eten of om hun lichaamssappen te gebruiken voor zalven. Met deze zalf konden zij zich in dieren veranderen, onzichtbaar worden of door de lucht vliegen. Dat heksen onschuldige kindertjes verwerkten in hun magische zalven – en dus ook in hun vliegzalf – zal keer op keer genoemd worden in de demonologische geschriften en in de verslagen van heksenprocessen. (7) In 1428 werd Matteuccia di Francesso verbrand als heks in Todi (midden-Italië). Zij zou zich schuldig hebben gemaakt aan kwaadaardige tovenarij. Zij had onder andere liefdesdrankjes en abortusmiddelen verkocht. Nog erger was haar bekentenis dat zij ’s nachts het bloed van zuigelingen zou opzuigen en een pact met de duivel had gesloten. Daarnaast maakte zij een zalf en smeerde zichzelf er mee in terwijl ze de spreuk reciteerde: ‘Zalf, zalf breng mij naar de nachtdaden in Benevento, over water, over wind, over al het slechte weer’. Na deze en nog een spreuk waarin zij Lucifer (of Lucibello) aanriep, veranderde zij in een vlieg of een muis. Lucifer stuurde vervolgens een demon in de vorm van een geit en die droeg haar bliksemsnel naar de notenboom te Benevento voor de vergadering van de heksen en duivels. Deze zalf werd gemaakt van het vet van gieren, het bloed van vleermuizen en het bloed van zuigelingen, naast nog andere onbekende ingrediënten. Zij kon ook zonder hulp van de duivel naar Benevento gaan. Zij ging drie dagen in de week naar de zogenoemde ‘nachtdaden’ terwijl zij sliep. (8) De Zuid-Nederlandse componist en advocaat Johannes Tinctoris beweert in 1460 dat de sekte der Waldenzen – in dit geval gebruikt als naam voor heksen – gebruik maakte van een vliegzalf om ’s nachts naar hun vergaderingen te gaan. Deze zalf werd – volgens hem – gemaakt van ‘padden, gepulveriseerde beenderen van een lijk, het bloed van onschuldige kinderen en menstruatiebloed’. Hier werd een zalf van gemaakt waarmee ze snel door de lucht konden vliegen. In die zelfde periode noemde de Duitse historicus Matthias von Kemnat ook de ingrediënten van de zalf: padden, slangen, hagedissen, spinnen en het vet van kinderen. (9) Heinrich Kramer in de beruchte Malleus Maleficarum van 1485 houdt het simpel: heksen koken vermoorde kinderen en eten ze op of ze gebruiken het vlees en de botten om er een vliegzalf van te maken. Ze smeren deze op een stoel of een bezemsteel waarop zij onmiddellijk de lucht in worden gedragen. Dit gebeurt met behulp van de duivel. Deze zalf is volgens hem niet werkzaam, maar hoort meer bij het bedrog van de duivel om de heksen tot nog meer wandaden aan te zetten. (10) De pad als heksendier of ‘familiar’ van de heks Ook in Nederland komen we een paar keer het beeld van de zalf smerende duivelse heks tegen: In 1595 werd Lys Cuypers uit Mierlo ondervraagd en bekende dat zij de ‘smeerpot’ beheerde. In deze pot zat een halve liter wit en zwart smeersel. Dit was gemaakt van – op het kerkhof weggehaalde – mensenbotten en mensenvet. Voor zij en haar medeplichtigen naar de ‘dans’ gingen smeerden zij het spul onder de oksels, voor op de borst en nog hier en daar op het lichaam. Ook in 1595 vertelde Elbert Dirx uit Hoogland dat hij samen met zijn vader en zijn broer hadden gedanst  op de bleek bij Amersfoort, allen in de gedaante van katten. Om katten te worden had de ‘bezemrijder’ (ws. de duivel) hen ontkleed en zijn voorhoofd ingesmeerd met oude reuzel. Ook dit kan je zien als heksenzalf. (11) Veel demonologen verzwegen het gebruik van de vliegzalf, omdat het dan de vraag werd of het de macht van de duivel, of de kracht van de ingrediënten/kruiden was die de heks liet vliegen. In de praktijk zullen de bestanddelen – mogelijk op één na – geen werkzaamheid hebben gehad. De kans is groot dat zij genoemd zijn om walging op te wekken en om te overtuigen dat de heks in alles het omgekeerde wilde en antimaatschappelijk bezig was. Die uitzondering is de pad. Bepaalde padden hebben een gif in hun huid zitten, die – als het er af wordt geschraapt en gerookt – hallucinaties kan veroorzaken door de werkzame stof bufotenine. Ook in poeder van de gedroogde huid zou het werkzame bestanddeel zitten. Er is echter geen bewijs van het bewuste gebruik van het gif van de pad op een dergelijke manier in die tijd. (12) Unguentum Pharelis: de zalf van Pharaildis/Herodias Herodias en Diana te zien op een gravure van Jacques de Gheyn II 1609 Naast het duivelse recept uit de koker van de demonologen is er nog een ander vijftiende-eeuws recept. Deze wordt ‘unguentum Pharelis’ genoemd. Zij past meer in het vertoog over de nachtvlucht van vrouwen in het gevolg van Diana en Herodias zo die al in de tiende eeuw wordt genoemd in de ‘Canon episcopi’. [Hier kan je er meer over lezen] De eerste middeleeuwse bron voor het gebruik van heksenzalf die het aanbidden van de duivel en het gebruiken van kinderlijkjes niet noemt is het boek van Abramelin de Magus (ook bekend als Abraham van Worms) uit ongeveer 1415. Deze Joodse mysticus beschrijft daarin dat hij in het Duitse plaatsje Linz een jonge vrouw – hij noemt haar geen heks –  ontmoette die hem garandeerde dat zij hem zonder risico zou kunnen brengen naar elke plek die hij wenste. Zij gaf hem daarop een zalf die hij op de aderen van zijn handen en voeten wreef en zalfde daarna zichzelf in. Hij viel in een diepe slaap en vervolgens leek het hem toe dat hij door de lucht vloog naar de plaats die hij had gewenst. Hij werd wakker met hoofdpijn en een sterk gevoel van melancholie. Het voelde sterk alsof hij werkelijk en lichamelijk op die andere plek was geweest. Zij vertelde dat zij mee was gereisd, maar ze beschreef de reis compleet anders. Abramelin zag het spul als een fantastische slaapzalf die er voor zorgde dat iets wat in de verbeelding plaats vond sterk op de realiteit leek. (13) meester van het monogram HF – Heksen in extase 1515 In 1435 vertelt de Dominicaanse theoloog Nider  in zijn boek ‘Formicarius’ (de mierenhoop) een verhaal over een vrouw die beweerde dat zij naar verre plaatsen kon reizen met behulp van een vliegzalf. Ergens in Zuid-Duitsland komt een monnik een oude vrouw (‘vetula’) tegen die claimde dat zij samen met Diana en haar gevolg door de lucht kon vliegen. Hij – en andere getuigen – mochten op een avond daarbij in haar kamer aanwezig zijn. Zij plaatste een baktrog op een stoel en ging daarin zitten. Zij kleedde zichzelf uit en smeerde zich in met een zalf terwijl ze ondertussen een onverstaanbare spreuk prevelde. Vrij vlot daarna begon ze te trillen en met haar armen te slaan om vervolgens in slaap te vallen. Zij viel uit haar trog op de grond en stootte haar hoofd, maar toch werd zij niet wakker. Toen ze eindelijk weer bij kennis was vertelde de monnik haar dat zij niet met Diana weg was gevlogen, maar in de kamer was gebleven. In ‘Predigten’ (ook uit de jaren dertig) vertelt hij nog over hetzelfde incident dat zij een ‘unholda’ is en dat ze naar de ‘heuberg’ wou vliegen. De unholda kan je zien als de geest van de heks en de ‘heuberg’ werd later de Venusberg genoemd. In deze berg vinden volgens het volksgeloof losbandige feesten plaats onder leiding van de godin Venus. In zijn Preceptorium uit 1438 noemt hij dat de ‘vetula’ claimde te kunnen reizen met Venus of Herodias. (14) De baktrog kan bedoeld zijn als reismiddel om mee te vliegen. In de sagen en in enkele processen worden ook onwaarschijnlijke voorwerpen genoemd zoals zeven, mosselschelpen, eierschalen en boterbakken. Rond 1435-1440 schreef de Spaanse theoloog Alfonso Tostado over deze heksenzalf. Hij vertelt dat dergelijke zalven sensaties zoals pijn zullen verminderen en dat het zorgt voor mentale dissociatie. Men voelt zich van zichzelf afgescheiden raken. ‘Er zijn zekere vrouwen – die wij heksen noemen – die bepaalde zalven gebruiken tezamen met rituele woorden om getransporteerd te worden naar waar zij maar willen om andere mannen en vrouwen te ontmoeten om daar te genieten van allerhande voedsel en pleziertjes’. Dit is volgens Tostado niet echt waar. De vrouwen vallen in een diepe slaap en gaan nergens heen. (15) Eindelijk wordt er in het ‘boek van verboden kunsten’ uit 1456 van de Duitse dokter Johannes Hartlieb een recept van een vliegzalf genoemd die geloofwaardige ingrediënten bevat. Hier volgt het volledige citaat: Voor zulke reizen gebruiken mannen en vrouwen, namelijk de ‘unhulden’ een zalf genaamd ‘unguentum pharelis’ Zij maken deze van zeven planten en plukken elke plant op de dag die behoort bij deze plant. Zo plukken zij op een zondag goudsbloem (of chichorei), op maandag koningsvaren, op dinsdag ijzerhard, op woensdag bingelkruid, op donderdag huislook, op vrijdag venushaar. Hiervan maken zij zalf door er vogelbloed en vet van dieren doorheen te mengen wiens namen ik niet zal noemen om niemand kwaad te maken. Dan wanneer zij willen, smeren ze het op  banken of stoelen, hooivorken of kachelpoken en vliegen erop. Dit is ware Nigromantie en strikt verboden. (16) De unhulden komen we al tegen in het biechtboek van Burchard van Worms uit de elfde eeuw. Daarin zijn het vrouwelijke nachtgeesten in het gevolg van Holda, die ook wel Diana of Herodias wordt genoemd. Later worden zij gezien als kwade heksen. Pharel is waarschijnlijk Pharaildis wat weer een andere naam is voor Herodias. Zij is een van de leiders (en mogelijk een godin) van de geesten en extatische vrouwen die volgens het middeleeuwse volksgeloof ’s nachts door de lucht vliegen. (17) Het Nederlandse recept voor vliegzalf Baldung Grien – Heksensabbat 1515 In het vijftiende-eeuwse manuscript MS 517 (mogelijk geschreven door Joannes Alphensis /Johannes van Alphen) wordt een – in het Middelnederlands geschreven – recept genoemd dat op vele punten overeenkomt met het unguentum Pharelis uit het vorige citaat: ‘Om snel te reizen waar je maar naar toe wilt. Maan: ijzerhard, Mars: vuurwerkplant, Mercurius: bingelkruid, Jupiter: huislook, Venus: valeriaan, Saturnus betonie, Zon: goudsbloem (of cichorei). Idem weet dat gij al deze kruiden verzamelen zal in de naam van Pharel en als de maan wassende is. En verzamel geen kruiden als de maan in het teken Ram staat. En dan als de maan vol is, na zonsondergang, zo maakt gij zalf op de manier van Pharel. Meng het sap van de voorgenoemde kruiden met het vet van een geit en het bloed van een vleermuis, de hele tijd zeggende de naam Pharel. Als dit gedaan is doet u de zalf in een zilveren bus en leg het de hele nacht daar zeggende: ‘O waardige Pharel, ik offer u deze zalf’. Als gij het proberen wilt zult u een klein beetje van deze zalf op uw aangezicht, handen en borst bestrijken terwijl u zegt: ‘Othinel, Pharel, Clemosiel, Pharel, Adromaniel, Pharel’ en noem de plek waar u wilt zijn.’ (18) [lees hier meer over dit recept] Deze beide recepten bevatten geen werkzame hallucinogene bestanddelen. Alleen het bingelkruid (mercurialis) is licht giftig. De genoemde planten worden wel geassocieerd met de bijpassende dagen van de week èn een aantal horen bij een toepasselijke godheid/hemellichaam zoals IJzerhard (Dinskraut in het Duits) bij Tiwaz/Mars, bingelkruid bij Wodan/Mercurius, Huislook (barba jovis) bij Donar/Jupiter, Venushaar bij Venus. Van het kruid betonie – dat op zaterdag moet worden geplukt – wordt door de plantkundige Lobelius het volgende beweerd: ‘Het bewaart de zielen en lichamen van de mensen en bevrijd en beschermt de nachtwandelingen van toverijen en gevaar. Ook beschermt het de gewijde plaatsen en kerkhoven van verschrikkelijke visioenen, zij is goed en heilig.’ Dit heeft hij weer van de Romein Anthonius Musa. (19) Deze opmerking van Lobelius en Musa maakt van betonie een perfecte plant om te gebruiken in een vliegzalf. Juist als de ziel uit het lichaam is getreden is deze kwetsbaar. Als met ‘nachtwandelingen’ de nachtelijke reizen van extatici bedoeld worden dan kan betonie de zielen van wandelaars/reizigers tijdens hun geestreis beschermen tegen toverij en ander gevaar. Dit verwijst waarschijnlijk allemaal naar een ritueel en associatief gebruik van de planten die moeten beschermen en begeleiden in de nachtvlucht langs de zeven verschillende planeten die bij de respectievelijke dagen behoren. Hans Weiditz – Von dem Unholden 1514 Deze zalf is dus te zien als een hulpmiddel om te kunnen reizen in het gevolg van Pharaildis/Diana/Herodias/Holda. Deze tochten door de nacht in het gevolg van de heidense godin werden al genoemd in de ‘Canon Episcopi’ uit de negende eeuw, maar ook in de veertiende en de vijftiende eeuw komen dergelijke getuigenissen nog voor. De ‘unholda’ van Nider en de ‘unholden’ van Hartlieb zijn heksen in de oude betekenis van het woord. Zij zijn geen kwade, duivels vererende vrouwen, maar heggerijdsters. Zij zijn vrouwen die over de heg – die onze wereld scheid van de geestenwereld – kunnen reizen. Zij rijden dan verder in het gevolg van Diana of Herodias. (20) De hallucinogene heksenzalf: Lamiarum Unguentum Vreemd genoeg komen we pas in de zestiende eeuw recepten tegen waarin hallucinogene kruiden worden genoemd zoals monnikskap, nachtschade en papaver. De als ‘tovenaar’ bekend staande Duitse arts Paracelsus (1493-1541) noemt ook twee maal een aantal van de bestanddelen van de vliegzalf. In een citaat noemt hij ‘kaasvet, wolfsvet, ezelinnenmelk en dergelijke. In een ander citaat is hij iets uitgebreider en noemt hij een aantal psychotrope planten: ‘Zalf van het vlees van jonge kinderen als een brei zacht gekookt en met slaap brengende kruiden zoals daar zijn papaver, nachtschade, scheerling, ‘mütterrlich’ (?) etc. bereiden, met welke wanneer u zich gezalfd hebt en deze spreuk hebt opgezegd: Boven, uit en nergens aan, zo vliegt u snel uit de schoorsteen of door een gat in het venster of de wand eruit, met de hulp van de duivel.’ (21) De datering van dit tweede recept is niet duidelijk, maar in ieder geval voor 1541 en is daarmee het oudste recept dat duidt op het gebruik van hallucinogene kruiden. Goya – Linda maestra In 1545 werkte de Spaanse dokter Andrès Laguna als medisch officier in de buurt van Nancy. Daar werden twee oude kluizenaars gearresteerd op verdenking van tovenarij. In hun hut werd een kleine pot met groene zalf gevonden. Laguna bekeek en rook deze zalf en het deed hem denken aan ‘unguentum populeum’. Hij meende dat er o.a. scheerling, bilzekruid, alruinswortel en nachtschade (doornappel?) in zat. Hij kon wat van de zalf bemachtigen en probeerde deze uit op een patiënt van hem die leed aan slapeloosheid. Hij smeerde haar in van top tot teen en zij viel in een diepe, lethargische slaap van wel zesendertig uur en moest uiteindelijk wakker worden geslagen. Zij was boos en vroeg: waarom maak je me wakker? Ik was te midden van alle genot en vreugde van de wereld en daar heb ik mijn man bedrogen met een jongere en knappere man! Zij geloofde sterk in de realiteit van haar avontuur. Unguentum populeum is een zalf die al vanaf de dertiende eeuw gebruikt werd als pijnstiller en om iemand te kunnen laten slapen. Deze zalf bevat o.a. populier, slaapbol, mandragora, bilzekruid en nachtschade. Deze kruiden worden ook genoemd in de heksenzalf. Dit doet de vraag rijzen wat de precieze connectie is tussen beide zalven. Het lijkt erop dat Laguna de gevonden zalf wou uittesten als slaapmiddel (net als de unguentum populeum), maar de uitwerking ervan doet veel meer denken aan vliegzalf. Hij wordt echter niet zo genoemd. (22) In een ander citaat zegt Laguna dat hij gelooft dat de doornappel (Datura Stramonium) het actieve bestanddeel is in de zalven die met heksen (bruxas) worden geassocieerd. Hij vertelt dat de plant een prettige zinsbegoocheling geeft, maar in een te grote hoeveelheid waanzin kan veroorzaken.  De doornappel is een plant uit de nachtschadefamilie (Solanaceae). Het is een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat. Een prent van de Duitse schilder Dürer uit ca. 1500 lijkt de bewering van Laguna te staven. We zien een naakte oude vrouw/heks die achterstevoren op een bok rijdt. Een engeltje houdt vlak voor haar been een plant vast. Het gaat hier waarschijnlijk om een doornappel (Datura stramonium). (23) De Italiaanse geleerde Girolamo Cardano noemt in zijn boek ‘De Subtilitate’ uit 1550 als eerste het woord ‘heksenzalf’. ‘Wij spreken nu over de heksenzalf (Lamiarum unguentum) die maakt dat men prachtige dingen ziet die onwaar zijn, maar waar lijken te zijn. Het bestaat uit – zo ze zeggen – het vet van kinderen die uit hun graf zijn gehaald, het sap van selderij, van monnikskap, van vijfvingerkruid (potentilla reptans), van nachtschade en roet. Maar ondanks dat zij geacht zijn te slapen zien zij allerhande dingen zoals: theaters, tuinen, banketten, versieringen, kleding, mooie, jonge mannen, koningen, bestuurders en ook demonen, raven, gevangenissen, eenzaamheid en martelingen.’ In een ander deel van het boek noemt hij geen zalf maar meent hij dat het geloof van heksen – dat zij in hun slaap naar verre landen kunnen reizen – komt door de invloed van het eten van selderij, kastanjes, fava-bonen, ui, kool en bonen. Dit voedsel geeft hen vreemde dromen. (24) Baldung Grien – Vertrek voor de sabbat 1514 De populierenzalf van Della Porta Het beroemdste en meest geciteerde recept voor heksenzalf stamt uit 1558 en is van Giovanni Battista Della Porta. Op zijn reizen ontmoette deze Italiaanse geleerde een oude vrouw die de naam had hekserij te bedrijven. Zij vertelde hem van haar vliegzalf en bood hem aan te bewijzen dat deze echt werkte. Hij zag hoe zij deze zalf maakte en beschreef nauwgezet de ingrediënten. Zij ontkleedde zich en smeerde het mengsel over haar lichaam terwijl hij en een paar vrienden toekeken vanuit de duisternis. De vrouw viel in een diepe slaap, waaruit zij zelfs met slagen niet wakker gemaakt kon worden. Toen ze eindelijk wakker werd zei ze dat ze over zeeën en bergen had gereisd en mooie, jonge mannen had gezien. Dit verslag doet natuurlijk sterk denken aan de hierboven al genoemde gebeurtenissen bij Nider, Abramelin en Laguna. Vervolgens noemt hij de receptuur van de vliegzalf: ‘Ook al wordt er een heleboel bijgeloof in vermengd, toch is het duidelijk dat deze dingen kunnen resulteren van een natuurlijke kracht. Ik zal herhalen wat ze mij hebben gezegd. Door een zeker vet te koken in een koperen ketel, raken zij het water kwijt en bewaren het verdikte restant. Zij mengen dit met selderij, monnikskap, bladeren van de populier en roet. Of als alternatief: suikerwortel of grote watereppe (sium), kalmoes (acorus), vijfvingerkruid, het bloed van een vleermuis, nachtschade (solanum) en olie. Als zij andere substanties hierin vermengen dan verschillen deze weinig van de hiervoor genoemde. Dan wrijven zij de huid tot die rood en warm is en smeren zij alle delen van het lichaam in. Als het vlees ontspannen is en de poriën geopend wordt het vet of de olie toegevoegd, zodat de sappen dieper kunnen doordringen en sterker en actiever worden. Zo denken zij dat zij door de lucht vliegen op maanbeschenen nachten naar banketten, muziek, dansfeesten en de omhelzing van jonge mannen naar hun keuze.’ (25) De ingrediënten zijn bijna dezelfde als die van Cardano, maar zijn voldoende verschillend om er zeker van te zijn dat Della Porta niet slechts het recept van Cardano heeft overgenomen. Baldung Grien – Heksensabbat 1514 De Nederlandse arts Johan Wier herhaalt in zijn boek ‘over de begoocheling der demonen’ uit 1563 de recepten van Cardanus en Della Porta, maar voegt er dan nog een derde originele aan toe. Deze gaat als volgt: ‘Neem de zaden van dolik, bilzekruid, scheerling, rode en zwarte papaver, sla en postelein – vier delen elk – en één deel van de bessen van de wolfskers, maak hiervan een olie.’ (26) Na het recept van Wier (ook bekend als Weyer) is er geen nieuw recept meer te vinden in de bronnen, alleen herhalingen van hetzelfde recept (meestal die van Porta). Het gebruik van een zalf om te kunnen ‘vliegen’ zal echter in de heksenprocessen van de zestiende en zeventiende eeuw nog vele malen worden herhaald. Hallucinogene werking In de bovenstaande verslagen en recepten voert de demonologie niet de boventoon. De recepten van Cardano en Paracelsus bevatten nog wel het kindervet, maar de anderen slaan dit over en alleen Paracelsus noemt de duivel. Het lijkt erop dat deze geleerden er van uit gaan dat het de bestanddelen van de zalf zijn die er voor zorgen dat de heks een vliegsensatie heeft. Kruiden zoals bilzekruid, wolfskers en monnikskap bevatten hallucinogene bestanddelen zoals atropine, scopolamine en hyoscamine. Een recept met dergelijke kruiden maakt de kans op een vliegsensatie natuurlijk een stuk hoger. Dat wil niet zeggen dat hallucinogenen onmisbaar waren om te kunnen ‘vliegen’. Ik stel mij voor dat ervaren heksen door hun regelmatige oefeningen in bewustzijn en trance deze zalf niet nodig hadden. Onervaren heksen kregen met deze extra bestanddelen een duwtje in de rug. (27) Dit bleef echter altijd gevaarlijk. Er zijn vele anekdotes over heksen die halverwege van de bezem vielen of in de wijnkelder of op de sabbat de juiste spreuk om terug te gaan niet meer wisten. Anders gezegd: ze wisten de weg naar hun lichaam niet meer en werden gek of gingen zelfs dood. Hans Weiditz – Hexe im ihren Garten 1518 Mogelijk hadden de kruiden in de zalf niet alleen maar een hallucinogene werking, maar ook een magisch beschermende werking. Dit zien we o.a. in de naam van de kruiden uit de nachtschadefamilie. Nachtschade betekent nachtschaduw en wordt gezien als de belichaming van een toverkracht bezittende figuur, die de macht bezat boze geesten en nachtmerries te lijf te gaan. (28) De schaduw wordt vaak gebruikt als een synoniem voor de ‘dubbel’ of het alter ego. Dit kan je zien als je beschermende geestwezen dat opgeroepen wordt door de nachtschadeplanten te gebruiken. Dit is jouw alter ego dat je in je droom en slaap beschermt tegen kwade invloeden. Ook de selderij beschermt tijdens nachtelijke tochten en wel tegen de geesten van de Wilde Jacht. Het vijfvingerkruid zou weer – samen met brandnetel – ervoor zorgen dat je niet bang bent voor geesten. Zo heeft bijna elk kruid uit het ‘unguentum Lamiarum wel een werking die kan helpen om een trancereis heelhuids te doorstaan. (29) Laguna, Cardano en Della Porta benadrukken dat de vliegervaring slechts een droom is. De grote gelijkenis met de slaapverwekkende ‘unguentum populeum’ maakt dit een logische gevolgtrekking. De zalf zorgt ervoor dat de heks in een diepe slaap komt, waarbij haar droom dusdanig intensief wordt beleefd dat zij voor haar reëel is. Toch kan het hier ook gaan om een lucide droom of een bewust opgewekte extatische ervaring. Conclusie Ulrich Molitor 1489 Het lijkt er sterk op dat de ingrediënten van de demonologische zalf (lijkjes, beenderen, slangen, padden) voornamelijk gekozen waren om afschuw te wekken bij de mensen. De kans dat een dergelijke zalf werkelijk gebruikt is, is uiterst klein. Er is een veel grotere kans dat het unguentum Lamiarum door heksen gebruikt is. De hallucinogene kruiden in de zalf konden dat extra zetje geven voor de heks om uit haar lichaam te gaan en in de geest te kunnen reizen. Tegelijkertijd gaven de kruiden ook nog enige bescherming. Toch is voor mij het unguentum Pharelis de ware en meest oorspronkelijke heksenzalf. Bij deze zalf is de functie van de kruiden puur magisch-sympathetisch en beschermend. Geen van de kruiden zijn hallucinogeen. De heks zal op eigen kracht in extase moeten komen! Pharel kan bijna niemand anders zijn dan Pharaildis/Herodias. Zij is de leidster van het geestenleger dat – volgens de middeleeuwse bronnen – rondreist in de nacht. Door haar aan te roepen en de zeven kruiden van de zeven planeten/dagen te gebruiken is er bescherming en begeleiding voor het alter ego van de heks op haar pad door de lucht naar het einddoel. Dat doel kan de Venusberg of de heksensabbat zijn geweest, of anders puur het gezelschap van de godin en haar gevolg zelf. Zo vond de heks een bron van innerlijke wijsheid en een – zij het tijdelijke – staat van paradijselijke gelukzaligheid. De heksen namen zelfs het risico van vervolging voor lief om die ervaring bewust te mogen meemaken. Abe van der Veen Noten: lees ook mijn andere artikel over heksenzalf waarin het Nederlandse recept uitvoerig wordt behandeld: http://www.abedeverteller.nl/heksenzalf/ 1) Lecouteux – Witches, werewolves and fairies  84 2) Lecouteux 86 3) Lecouteux 87ev, zie ook mijn andere artikel http://www.abedeverteller.nl/heidense-godinnen-in-middeleeuws-europa/ 4) Vooral in het boek Ecstasies van Carlo Ginzburg zijn hiervan vele voorbeelden te vinden. Ik hoop hier edd een artikel over te schrijven. Zie ook mijn artikel: http://www.abedeverteller.nl/heidense-godinnen-in-middeleeuws-europa/ 5) Apuleius – The golden ass (Metamorphosen) in Daniel Ogden – Magic, witchcraft and ghosts in the Greek and Roman worlds 143 Het wordt vaak gesuggereerd dat vliegenzwam in de zalf is verwerkt, maar daar zijn nooit concrete aanwijzingen voor gevonden. Lemaire – Godenspijs of duivelsbrood 97 6) ‘there was found also a boxe, and within it an ointment, wherewith she used to besmear or grease a certain piece of wood called coultree, which, being thus anointed, the said Alice, with her complices, could ride and gallop upon the said coultree whithersoever they would, all the world over, through thick and thin, without either hurt or hindrance.” Crofton Croker – Research in the south of Ireland 92 uit Camden – Britannia 7) Andere vroege voorbeelden van een zalf om te vliegen of te transformeren, maar zonder ingrediënten zijn de volgende: In het vroeg vijftiende-eeuwse boek ‘Errores Valdensium’ wordt gezegd dat de Waldenzen (toen ook gebruikt als naam voor heksen) naar hun vergaderingen vlogen op een staf die ingesmeerd was met een magische zalf.  (Russell, J.B. – Witchcraft in the middle ages 216, 219) In 1426 wordt de genezeres Finicella in Rome opgepakt o.a. op verdenking van kindermoord. Zij kon zich met behulp van een zalf veranderen in een kat. Helaas horen we niets over de bestanddelen van de zalf. 8) Hatsis, Thomas – The witches ointment 21-23 Ginzburg – Ecstasies 299 9) Hatsis 172-173 Russell noemt in zijn ‘Witchcraft in the middle ages’ nog een gruwelrecept op p. 240 10) Krämer en Sprenger – Malleus Maleficarum ed. Montague Summers 239-240 11) Otten, Johan – Duivelskwartier 129 Veen, Abe van der – Dansen als katten, bijten als wolven 12) De enige pad met een hallucinogene werking indien gerookt is de Bufo Alvarius. Deze komt niet voor in Europa. Het heeft ervan dat Europese padden wel giftig kunnen zijn, maar niet genoeg bufotenine bevatten om een effect te bewerkstelligen. https://erowid.org/animals/toads/ Hatsis 110 https://www.thenakedscientists.com/articles/features/tripping-over-psychoactive-toads 13)  The Book of the Sacred Magic of Abramelin The Mage The First Book of Holy Magic, Chapter VI http://www.sacred-texts.com/grim/abr/abr012.ht Matsis 137-138 14) Nider, Formicarius bk.2 cap.4 in: Matsis 144-147 15) Matsis 150-151 Ginzburg – Benandanti p. 42 http://tanadellupo.altervista.org/alterpages/files/SchulkeDanielA.-Veneficium.pdf There are women who we call maleficae in Spain who say that with an ointment and certain conjurations they are carried to distant places where there are assemblies and enjoy all kinds of pleasure. But this is an error, and has been found by their falling into a stupor, insensible to blows and fire, and on awaking in a few hours relating where they have been and what they have seen and done. 16) Das puch aller verpoten kunst, ungelaubens und der zaubrey –  Johannes Hartlieb 1456 http://occultcenter.com/2009/06/download_15_century_manuscript_of_book_of_all_forbidden_arts/ 17) Bächtold – Staubli – Händworterbuch des Deutschen Aberglaubens op het lemma ‘Pharaildis’ Lecouteux, C. – Phantom armies of the night 10 Ginzburg, C. – Ecstasies 90 Het valt in de tekst van Hartlieb op dat de zaterdag wordt overgeslagen. In het vroeg negentiende-eeuwse boek ‘Aberglaube des mittelalters’ van Heinrich Schindler is hetzelfde recept te vinden. Daar wordt het expliciet heksenzalf genoemd. Hij noemt voor zaterdag als plant de heliotropum europaeum oftewel ‘zonnewende’ de zondag heeft niet de goudsbloem maar het bilzekruid en als extra kruiden noemt hij wolfskers en monnikskap. Deze laatste drie zijn direct ook de meest hallucinogene en giftige planten in het rijtje. 18) Braekman, W. – Witte en zwarte magie http://www.dbnl.org/tekst/brae003midd01_01/brae003midd01_01_0006.php 19) Lobelius – Cruydtboeck  631 20) Holda betekent vriendelijk en welwillend. De holden zijn te zien als de welwillende, vriendelijke geesten van extatici. Dezen werden gedemoniseerd tot unholden en later tot heksen waardoor alle mogelijkheid tot goed doen verdwenen was. (Te vergelijken met de benandanti vs de malandanti) https://en.wikipedia.org/wiki/Holda 21) „Kazenschmalz, wolfsschmalz, eselsmilch und dergleichen.” “Salben auß Fleisch junger Kindlein/ gleich einem Brey weich gekocht/ vnnd mit Schlaffbringenden Kräutern/ als da sind Mohn oder Ole [Papaver]/ Nachtschaden oder Jüdenkirschen [Solanum]/ Schirling oder Wützscherling vnd Mütterrlich etc. zurichten/ mit welcher/ wann sie sich gesalbet/ vnd gesprochen haben diese Wort. Oben auß vnnd nirgendt an/ so flichen sie so bald zum Schornstein/ oder durch ente Löcher der Fenster oder Wände hinauß/ durch hülffe deß Teuffels.“ https://core.ac.uk/download/pdf/16427155.pdf Elena Priess – Das traummotiv im hexenflug p.95 22) Dit is de fameuze ‘Onguentum Populeum’ van Nicolas de Myrepse, een Byzantijnse farmacoloog uit de 13de eeuw. Deze populierzalf is van toen af tot ver in de 20ste eeuw een gereputeerd middel geweest, dat in alle apothekersboeken uitvoerig besproken werd. Het originele recept van de Myrepse uit zijn werk ‘Onguents’ zag er als volgt uit: ‘Neem de ‘ogen’, de knoppen, die verschijnen op het moment van de bloei uit de toppen van de populier, de bladeren van de Slaapbol, de Mandragora, de braam, het bilzekruid, solanum, sla, sedum, viooltjes en nombril de Venus, van elk 3 onces en meng alles door 3 livres (pond) varkensvet (reuzel). Mix alles fijn in een vijzel tot een pâte. Laat 8 dagen staan, kook het samen met 1 liter wijn op een zacht vuur totdat de wijn verdampt is. Sidky – Witchcraft, lycanthropy 193 23) Hatsis 188-189 https://www.amazon.com/Albrecht-Durer-Riding-Backwards-Giclee/dp/B00IT1B092 Ook van een andere gravure van Dürer: ‘Vier heksen’ uit 1497 wordt beweerd dat er een psychotrope plant op staat afgebeeld. Hier zou in het midden helemaal bovenin een vrucht van de alruinswortel zijn afgebeeld. http://collections.vam.ac.uk/item/O728545/the-four-witches-engraving-durer-albrecht/ 24) Hatsis 189 Piomelli en Pollio – A Study in Renaissance Psychotropic Plant Ointments 249 ‘We speak now of the witches’ ointment (Lamiarum unguentum) , which makes one see wonderful things, which are not real but appear to be so. It is composed, they say, of the fat of children seized from their tombs, of the juice of celery, of aconite, of cinquefoil, of nightshade and soot. But although they are thought to be asleep, they see these things: theatres, gardens, banquets, decorations, clothes, beautiful young men, kings, magistrates, and also demons, ravens, prisons, solitudes, tortures’. 25) Deze is erg bekend geworden omdat de pseudo-historica Margaret Murray deze zalf noemde in de appendix van haar boek ‘the God of the witches’. Giovan Battista Della Porta. From De Miraculis Rerum Naturalium, Book II, Chapter XXVI (1558 AD) Lamiarum Unguenta (Witches Unguent): “Although they mix in a great deal of superstition, it is apparent nonetheless to the observer that these things can result from a natural force. I shall repeat what I have been told by them. By boiling (a certain fat) in a copper vessel, they get rid of its water, thickening what is left after boiling and remains last. Then they store it, and afterwards boil it again before use: with this, they mix celery, aconite, poplar leaves and soot. Or, in alternative: sium, acorus, cinquefoil, the blood of a bat, nightshade (Solanum) and oil; and if they mix in other substances they don’t differ from these very much. Then they smear all the parts of the body, first rubbing them to make them ruddy and warm and to rarify whatever had been condensed because of cold. When the flesh is relaxed and the pores opened up, they add the fat (or the oil that is substituted for it) – so that the power of the juices can penetrate further and become stronger and more active, no doubt. And so they think that they are borne through the air on a moonlit night to banquets, music, dances and the embrace of handsome young men of their choice.” 26) Matsis 190 Weyer – On Witchcraft 115 27) Lecouteux 88 28) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/nachtschade 29)  Nachtschade (Cardano, Laguna, Della Porta, Wier): De naam ‘Nachtschade is reeds zeer oud, want in de middeleeuwen heette zij reeds Nachtschaduwe en in het Oudhoogduits nahtscato, want men meende dat de plant de belichaming van een demon was, die een gevaarlijke duivelse macht bezat. Men hield het kruid voor de belichaming van een toverkracht bezittende figuur, die de macht bezat boze geesten en nachtmerries te lijf te gaan. In het Duits heet deze soort Nachtschatten en deze naam is terug te voeren op een oude aanwending tegen Nachtschatten of nachtmerries. De zeer giftige plant, vooral de solanum-soorten met zwarte bessen wekten de indruk van het angstwekkende zoals die ook de duisternis van de nacht opwekt; ohd. mv. nahtscata betekent de nachtelijke duisternis en werd dan ook gebruikt voor dieren als de nachtzwaluw en de nachtvlinder (vgl. ook nde. natskade ‘geitemelker’ en nzw. nattskata ‘vleermuis’ http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/nachtschade Hoogst interessant hierbij is het dat dit allemaal heksendieren betreft waarvan de mare ging dat de heks haar dubbel kon uitsturen in de vorm van de vlinder, vleermuis of zwaluw. De bijnaam ‘geitenmelker’ kreeg het dier omdat het stiekem in de nacht de melk stal bij de geit van de buren. De kans is groot dat hier de heks in de vorm van een dier werd bedoeld. Het is hier de vraag om welke nachtschade het gaat. Deze familie is erg groot en kent een aantal kruiden met een hallucinogene werking waaronder: Doornappel, wolfskers, bilzekruid en mogelijk zwarte nachtschade (solanum nigrum) Gevlekte scheerling (Paracelsus, Laguna en Wier) Dit kruid heet ook wel dolle kervel en is zeer giftig. De gifbeker van Socrates zou scheerling hebben bevat. In Tirol werden heksen op de vlucht gejaagd met bossen brandende scheerling, rozemarijn en sleedoorn. Blöte-Obbes – Boom en struik in bos en veld 156 Doornappel (Laguna): Volgens een sage uit Brandenburg was het ooit de ‘boom der kennis’. De duivelse slang spoot er haar gif op en de boom kromp in tot de doornappel, sindsdien is de appel uit de boom der kennis een giftige doornappel geworden. Blöte-Obbes 227 Deze sage is des te opmerkelijker als we weten dat de boom der kennis ook soms als een vliegenzwam wordt afgebeeld. Planten die erbij helpen uit het lichaam te treden geven dus kennis van ‘goed en kwaad’. Of beter gezegd kennis van het bestaan van verschillende bewustzijnstoestanden. Bilzenkruid (hyoscamus niger) (Laguna): Dit kruid wordt ook wel dolkruid en slaapkruid genoemd zou gewijd zijn aan Bile of Bel de Keltische dodengod (Blöte-Obbes 222) Men kan demonen aanroepen door een figuur te schilderen met het sap van deze plant. In de elfde eeuw werd er in Hessen weermagie mee bedreven. Een naakt meisje moest het kruid met haar rechterhand uittrekken en aan haar rechtervoet vastbinden. Dit ‘regenmeisje’ werd met water besprenkeld onder het zingen van bezweringen. In 1538 dwong een vrouw uit Pomeren een man om haar na te lopen door aarde uit een graf, bilzenkruid, zout en schaamhaar in zijn schoen te strooien. (De Cleene en Lejeune – Compendium van rituele planten 214) Zo zijn er nog veel meer magische handelingen met bilzenkruid te noemen.. Wolfskers (atropa belladonna) (Wier): Dit kruid wordt ook wel dolkruid genoemd. Zij is genoemd naar de Griekse schikgodin Atropos. Zij is de onafwendbare de donkere godin die de levensdraad doorknipt. Bella donna staat juist voor mooie vrouw en de plant zou deze naam gekregen  hebben omdat met het sap van wolfskers vrouwen zichzelf mooie ogen probeerden te geven. Het verwijd namelijk de pupillen van de ogen. Monnikskap (aconitum napellus) (Cardano en Paracelsus): Dit kruid – in het Engels wolfsbane – is ontstaan uit het spuug uit de mond van de hellehond Cerberos toen dat op de grond drupte toen Hercules hem uit de onderwereld bracht als één van zijn werken. Medea brouwde er haar gifdranken mee. Bij de Germanen heet hij Thor’s helm en later ‘trollenhoed’. De extreme giftigheid leest men uit de anekdote over de vergiftiging van Claudius. Julia Agripinna wou haar zoon Nero op de troon krijgen. Zij vergiftigde daarom keizer Claudius door zijn ganzenveer in te smeren met monnikskap. Hij gebruikte deze namelijk om zijn huig te kietelen om over te geven (ws. om verder te kunnen zwelgen tijdens een orgie, maar misschien had hij gewoon een gevoelige maag). Papaver/ slaapbol (Wier en Paracelsus) (Papaver somniferum): Gewijd aan Hypnos en Morpheus goden van de slaap en de dromen. Het sap van de zaaddozen (de opium) zag men als de tranen van de godin. Het gaf troost. Ook Ceres/Demeter zou getroost zijn door de slaapbol en hield de papaver samen met het koren op afbeeldingen in haar hand. De papaver was het zinnebeeld van de slaap. Paracelsus gebruikte de papaver ook voor in de Laudanum, het roemruchte verdovende en pijnstillende middel. (Blöte-Obbes 97, De Cleene en Lejeune 863) Selderij (Cardano, Della Porta): was in de antieke tijd gewijd aan Hades/Pluto en heeft een associatie met de dood. Wie de Wilde jacht had aanschouwd zou blind of zelfs dood kunnen gaan, maar als je de mannen van de wilde jacht om selderij vroeg zou dat risico worden opgeheven. (De Cleene en Lejeune 972) Vijfvingerkruid (Cardano, Della Porta): Rembert Dodoens zegt over dit kruid: Degene die brandnetelen over hem draagt met wat bladeren van vijfvingerkruid die zal vrij zijn van alle geesten en verschijnselen die de mensen plegen bang te maken, want zij benemen de mens alle vrees. Het was ontstaan uit de hand van het monster Grendel toen Beowulf die in de grond stak. Verder wijst het kruid de weg. (Blöte-Obbes 116, De Cleene en Lejeune 221) Populier (Della Porta): Zowel de zwarte als de witte populier worden geassocieerd met de dood en de onderwereld. De zwarte populier was gewijd aan Hades de god van de onderwereld en de witte abeel aan Persephone, zijn koningin. De zwarte populier was door Hades bij de ingang van de grot naar de onderwereld geplant. Hij stond voor dood, wanhoop en treurnis. De witte populier stond aan de oevers van de onderwereldrivier, de Acheron.  Deze stond voor hoop, moed en wedergeboorte. Bij spelen ter ere van Hercules droegen de winnaars een krans van populierenblad als teken van hun moed. Toch blijft ook hier de associatie met de dood. Het is een teken van de moed die nodig is om de dood te trotseren, zoals ooit Hercules de dood trotseerde door de onderwereld in te gaan om terug te komen met de hellehond Cerberos. Dolik (Wier) is een raaigras met een narcotisch werkende stof die tot vergiftiging kan leiden. Het wordt ook duivelskoren genoemd. Bij de Grote Watereppe, Kalmoes, Sla en Postelein heb ik geen rituele of symbolische werking gevonden. https://escholarship.org/content/qt5w93d8tm/qt5w93d8tm.pdf https://www.whitedragon.org.uk/articles/ointment.htm http://tanadellupo.altervista.org/alterpages/files/SchulkeDanielA.-Veneficium.pdf    

De heidense Christus

vrijdag 30 maart 2018 14:02

Als christenen vertellen over hun geloof komt al gauw de zin naar voren: Jezus Christus is gestorven aan het kruis voor onze zonden. Of iets specifieker: God liet Jezus geboren worden als een verzoening voor de zonden van de mensheid. Ik heb de betekenis van deze zin nooit begrepen, elke uitleg sloeg bij mij dood, niet toen ik nog christelijk was (tot mijn vijftiende) en later nog steeds niet. Toch bleef dat beeld van een stervende man aan een kruis intrigeren. Hier mijn poging om vanuit mijn huidige heidense en esoterische inslag een beetje inzicht op te doen over het lijdensverhaal van Jezus Christus. (1) Matthias Grünewald – Isenheimer altaar 1512 Jezus in de traditie van vegetatiegoden uit het nabije oosten Voor mij is Jezus net als Osiris, Attis, Adonis, Balder en Odin een mythische figuur die staat voor een energetisch proces dat op microniveau herhaalbaar is. Wat de godheid doet kunnen wij mensen  doen in het klein. Hij geeft het goede voorbeeld. Net als de meeste van voornoemde heidense goden begon Jezus als een gewoon mens die gedoemd was om op een tragische manier dood te gaan. Hij was wel een bijzonder mens met de gave om te genezen, wonderen te doen en prachtige, wijze verhalen te vertellen. (2) Wat ik mij voor kan stellen is dat hij mensen heelde door middel van extreme empathie. Dat deed hij door dusdanig open te staan dat hij een kanaal vormde voor ieder die ziek en zwak was om zijn energetisch systeem te doen zuiveren van vuile, opgehoopte en vastzittende energie. Hij genas de mensen van zonde. Waarbij ik zonde interpreteer als lekkages en blokkades in het energetische systeem, waardoor de energie niet goed kan stromen. (3) Uit mededogen nam Jezus de zonden (lees; vuile of geblokkeerde energie) op van de mensen die niet bewust genoeg waren om te weten wat ze deden. Hij liet het door zich heen stromen en zuiverde het. Hij was een kanaal waardoor die energie terug kon stromen naar de kosmos, hemel of aarde. Mogelijk gaf hij hun er tegelijk ook nieuwe kosmische energie voor terug. Vervolgens duwde hij ze terug in hun centrum. Dit is te vergelijken met datgene wat vele alternatieve genezers nog steeds doen. Zo kleedde hij ze in een nieuw energetisch lichaam, alsof ze herboren waren! Het zal voor hem een grote frustratie zijn geweest om te merken dat de taak om de mensen om hem heen te genezen onbegonnen werk was. Er kwamen er alleen maar meer bij en diegenen die zijn kracht hadden gevoeld of door hem waren genezen bleven rondom hem hangen als bijen rondom de honing. Zij wilden in zijn krachtcentrum blijven verkeren – afhankelijk blijven van zijn energie – in plaats van op zichzelf te staan. Dit was een doodlopende weg, hij werd gek van de massa’s die hem telkens weer nodig hadden. Het zelfoffer van de lente Carlo Crivelli 15e E Aan de voet van het kruis ligt de schedel van Adam waar Jezus’ bloed op drupt. Toen deed hij – in de traditie van de grote vegetatiegoden – een ultieme poging om toch de mensheid te genezen van zijn of haar “zonden”. Jezus doet het ultieme zelfoffer en geeft zijn leven voor het grotere goed. Hij hangt aan het kruis en is daardoor compleet in zijn centrum. (Het kruis kan je zien als een symbool van het centrum in jezelf.) Dit persoonlijke centrum wordt weer exact geplaatst in het centrum/middelpunt van de wereld. (Jeruzalem wordt in de traditie gezien als het middelpunt van de wereld). De plek van kruisiging heet Golgotha – de schedelplaats – vernoemd naar de schedel van Adam die juist daar zou liggen. (4) Dit maakt de plek van kruisiging naast het middelpunt, ook het beginpunt van alles. Op deze ideale plek en tijd maakte hij zijn centrum open tot een groot gat waar de energie van iedereen doorheen kon gaan. Hij maakte zichzelf tot een vortex, een poort naar de Andere wereld, en breidde dat uit tot iedereen in de verre omtrek zijn krachtveld voelde. Op het moment van zijn dood waren de grenzen tussen de twee werelden – tijdelijk – opgeheven. Het werd donker overdag, doden mengden zich onder de levenden en de voorhang in de tempel – de grens tussen sacraal en profaan – scheurde. (5) Niet slechts individuele pijn, trauma’s en ellende werden hierdoor opgenomen, maar de hele pijn van de mensheid nam hij op en hij stuurde het door naar de andere dimensie. Zijn hangen en sterven betekent het opnemen en doorzenden van alle “zonden”; alle onverwerkte pijn van alle mensen. Een groter lijden is niet mogelijk. Hij schreeuwt en geeft de geest. Hij heeft zijn doel bereikt, ‘het is volbracht’! Natuurlijk is dit een mythisch verhaal, maar er zit ook een historische component aan dit verhaal. De historische Jezus heeft dit mogelijk werkelijk geprobeerd. Zijn poging om de mensheid te verlossen van zijn ‘zonden’ zou gevoeld zijn in heel Palestina en extra gevoelige en verlichte mensen zoals de druïden in Ierland en de yogi’s in India hebben zijn poging wellicht ook gemerkt. Dat wordt in ieder geval beweert in diverse legenden. (6) Een unieke gebeurtenis? Maakt deze poging hem tot onderdeel van de unieke en enige Godheid, die als drie-eenheid aanbeden moet worden? Ja en nee: je kan Jezus zien als een perfect uitgebalanceerd energetisch systeem en daarmee zou je hem goddelijk kunnen noemen. Bidden tot Jezus, als een vorm van focus en concentratie op zijn zelfoffer kan nuttig zijn. Echter het blijft zeer belangrijk om je voor ogen te houden, dat jij op microniveau kan doen wat Jezus tweeduizend jaar geleden deed en dat de gebeurtenis daarmee niet uniek, maar universeel is. Wij zijn allemaal in staat om in ons centrum te staan, de energie door ons centrum te laten stromen – ook als dat pijnlijk of taboe is – om zo een bemiddelaar te zijn tussen hemel en aarde. Wie open staat en zijn energie laat stromen kan een lentebrenger worden. Iemand die straalt en een krachtplek is, waardoor alles en ieder om hem of haar heen kan opbloeien. Rubens – Ecce homo 17e eeuw Verder is het belangrijk te erkennen dat zijn daad ook op macroniveau niet uniek is, maar voorgangers, navolgers en zelfs tijdgenoten had o.a. in de vorm van de vegetatiegoden Attis, Adonis, Osiris en Balder. Ook zij waren de ‘Christos’, de gezalfden, die daarmee door de priesteres (bij Jezus was dit misschien wel Maria Magdalena die hem zalfde) klaar werden gemaakt voor het ultieme offer. Jezus is zo te zien is als een soort van ‘sacrale koning’ die door middel van een zelfoffer een dood- en wedergeboorte meemaakt. Hij wordt koning van de Joden genoemd en zo wordt hij ook aangekleed. De soldaten deden hem een scharlakenrode mantel om en ze zetten een kroon van doorntakken op zijn hoofd. Verder gaven ze hem een rietstok in zijn rechterhand en vielen voor hem op de knieën. (7) Dit wordt vaak geïnterpreteerd als een spotternij voor zijn wereldse ambities, maar Jezus wou geen werelds heerser of koning van de Joden worden en ontkende dat in alle toonaarden. De vegetatiegod begon in de mythe zijn leven als een sterfelijk mens, maar werd jaarlijks ook door een mens gepersonificeerd om zo het offer op zich te nemen. Deze ‘groene’ man nam de oude, trage energie van het afgelopen jaar op zich om het door zich heen te laten gaan en zich als offer te laten doden. Dat is het verhaal van Narcissus, Hyacinthos, Attis en Adonis die uit hun offerbloed de lente en zijn bloemen deden ontspruiten. Jezus stierf – en werd wedergeboren – niet voor niets juist in het begin van de lente. Jezus hoort bij deze oude, heidense en zeer rijke traditie. Het oorspronkelijke christendom heeft op deze wijze haar wortels in het natuurreligieuze heidendom. 1 Dit is een speculatief en persoonlijk stuk bedoeld voor inspiratie niet als een historisch of wetenschappelijk verhaal. Er is ontzettend veel onzeker over de werkelijke gebeurtenissen rondom de historische Jezus. Al wat mij rest is speculeren om er een voor mezelf bevredigend verhaal uit te halen. Het is een bewerking van een stuk dat ik al iets van acht jaar geleden heb geschreven. 2 De zeitgeist documentaires zijn de bekendste exponenten van deze these. Arthur Drews – The christ myth The Symbolism of Easter According to Joseph Campbell 3 Dit betekent niet dat ziekte iemands eigen schuld is. 4 https://renner.org/golgotha-place-of-the-skull/ 5 Mattheüs 27: 50-53 http://www.online-bijbel.nl/bijbelboek/Mattheus/27/33-56 6 http://www.maryjones.us/ctexts/conchobar3.html https://en.wikipedia.org/wiki/Unknown_years_of_Jesus 7 Mattheüs 27:29 en 37, Johannes 19: 2-5 Frazer – The golden Bough Ook de drie Maria’s die aan het kruis stonden – Maria zijn moeder, Maria van Magdala en Maria de moeder van Jakobus en Jozef (plus Salomé) – kunnen een heidens element zijn. Zij doen sterk denken aan drievoudige godinnen, zoals de Parcen of andere schikgodinnen of anders de Matronen. Overbekend zijn de claims dat Maria van Magdala eigenlijk de geliefde van Jezus is en mogelijk een heidens priesteres. Zij is ook de eerste die de herrezen Jezus ziet, maar zij denkt dat zij met de tuinman van doen heeft.

 

Powered by 1st-movers.com

Vertelagenda

Deze verteller heeft op dit moment geen evenementen in de Vertelagenda staan.