Abe van der Veen
Abe de Verteller
Verhalen vertellen uit de wereld der Kelten en Vikingen.
Lezingen geven over de symboliek van verhalen.
Verhalende bomenwandeling
Verhalende stadswandeling door Amersfoort.
Utrecht
Abe van der Veen

Over mij

Abe de Verteller 

Verhalen vertellen zit me in het bloed! Eerst tijdens de IVN-jongerenkampen, gezellig rond het kampvuur. Sinds 2004 ben ik professioneel verhalenverteller. Ik vertelde de afgelopen jaren op ontelbare plaatsen: De Elf Fantasy Fair, het Eigentijds festival, het Schots festival, Castlefest, het Archeon, de Dag van het Park en op vele particuliere feesten en bijeenkomsten!

Ik vertel mythen en sprookjes uit de Keltische en Noordse traditie, ridderverhalen, Griekse mythen, Grimmige sprookjes, Nederlandse sagen en nog veel meer. In totaal heb ik meer dan 250 verhalen in mijn repertoire. Al deze verhalen riepen mij en wilden verteld worden, misschien ook bij u?!

Naast de wereld van de verhalen spelen natuur en symboliek een grote rol in mijn leven. Dit uit zich o.a. in het geven van lezingen over symboliek en het doen van bomenwandelingen.

Nu vertel ik verhalen waar en wanneer ik dat maar kan, want vertellen is m´n passie. Ik vertel met expressie en emotie, met mijn hart en mijn handen en met vuur en vlam!

Contact

Abe van der Veen
Man
De heer
A.J.
Abe
van der
Veen
...
06-18035303
Amersfoort

Blog

Abe de Verteller

De verhalenverteller

De eik: koning van het woud

maandag 28 mei 2018 21:14

Monumentale eik Hilverbeek De eik is gekoppeld aan de zevende maanmaand in de Keltische bomenkalender. Hij heerst over de periode van tien juni tot en met zeven juli, waarin ook de Midzomer valt. In de natuur heersen de mannelijke krachten van activiteit en extraversie. Zijn latijnse naam Quercus Robur betekent de robuuste eik. Hij is één der mannelijkste bomen: het type ruwe bolster, blanke pit. Met zijn ruige bast, vruchtbare eikels en stevige stam, is het een man onder de bomen. Hij is dan ook gewijd aan de meest mannelijke goden; die van donder en bliksem! De eik is gewijd aan de oppergod van vele volkeren: aan Taranis bij de Kelten, Perkunas bij de Slaven, Donar of Thor bij de Germanen, Jupiter bij de Romeinen en aan Zeus bij de Grieken. (1) Dit zijn allemaal hemelgoden gewapend met bliksemschichten en/of donderhamers. De eik als koning Het is niet zonder reden dat een dergelijke boom verkozen werd tot koning van het woud. Geen rijk kan zonder een heerser en zo verkozen goden en mensen, maar ook dieren en planten hun koning. De landdieren hebben koning leeuw, de vogels hebben koning adelaar en de bomen hebben koning eik! Hij moet deze eer echter wel delen met een prikkelbaar heerschap: koning hulst. Eik en hulst hebben het jaar opgedeeld. Van midzomer tot midwinter regeert de hulst. Dat is de periode van afname waarin de zon telkens verder naar de horizon zakt. De eik volgt hem op van midwinter tot midzomer. Dat is de periode van groei waarin de zon telkens hoger aan de hemel staat. Zo strijden zij elk jaar met elkaar in een gevecht, met een voorspelbare afloop. Dit gevecht wordt in de rituelen uitgebeeld en wordt op vele manieren in verhalen verteld. In het artikel over de hulst vertel ik meer hierover. Eik en bliksem Als je je afvraagt wat een eik toch te maken heeft met die donder- en bliksemgoden dan kan ik je antwoord geven: Zelfs nu is een onweer met blikseminslag en vooraf gegaan door waarschuwende donder, een indrukwekkend schouwspel. Stel je voor hoe angstaanjagend en afschrikwekkend het geweest zal zijn voor onze voorouders! Alle kracht van de Hemelvader balde zich samen. In één gigantische ontlading werd moeder Aarde met de energie van de bliksem bevrucht. De boom die het vaakst diende als overbrenger van die robuuste kracht, was en is de eik. Het spreekwoord zegt: ‘Eiken moet je wijken, boeken (=beuken) moet je zoeken‘. (2) Als je onder een eik gaat staan tijdens een onweer ben je de goden aan het verzoeken, maar onder een beuk stond je volgens het volksgeloof veilig. Vele eiken vertonen dan ook sporen van blikseminslag en kunnen die klappen blijkbaar goed verduren. Dit wordt soms verklaard door te wijzen op de diepe worteling van de eik. Volgens de Romeinse dichter Vergilius (eerste eeuw v. Chr) zou een gezonde eik net zo diep onder de grond wortelen als dat hij boven de grond met zijn kruin naar de hemel reikt! (3) Ook al is dit wellicht iets overdreven; de eik kan wortelen tot in het grondwater en zo de bliksem des te beter geleiden. De priesters van de natuurvolkeren – zeker wanneer ze zagen hoe de eik door de bliksem werd getroffen – wisten goed dat deze boom heilig was. De kracht van de hemelgod was op hem neergedaald en iets van die kracht is nog steeds in de boom en in zijn vruchten aanwezig. Deze kracht heeft bij verschillende volkeren een speciale benaming gekregen. Zij heet onder andere: ‘mana’, ‘numen’, ‘prana’, ‘orgon’, ‘chi’ en ‘ki’. Ook al zitten er subtiele betekenisverschillen tussen deze woorden, toch staan zij – voor mij – voor één belangrijk ding: levensenergie. Het was de kunst om de goddelijke kracht, die in de heilige boom was verzameld, te sturen en aan te wenden voor het welzijn van de gemeenschap. Dit probeerden de priesters van vele oude religies. Ik kan hier drie voorbeelden van geven uit de Oudheid. Turner – The golden bough 1834 De gouden tak van Nemi In een eikenwoud te Nemi in de buurt van Rome was ooit het heiligdom van de bosgodin Diana. Daar stond een heilige eik die bewaakt werd door een priester. Hij bewaakte deze met zijn vege lijf, want degene die een gouden tak – waarschijnlijk een maretak – uit de boom wist te snijden, mocht met hem strijden. Wist deze hem te overwinnen en te doden dan werd hij zijn opvolger en daarmee de nieuwe ‘Rex Nemorensis’ oftewel koning van het woud en echtgenoot van Diana. Deze merkwaardige manier van opvolging van het priesterschap moet eeuwenlang hebben bestaan in dienst van het welzijn en de vruchtbaarheid van de gemeenschap. (4) De kosmische eik van Dodona Het heiligdom van Dodona heden ten dage De priesteressen van het heilige en aan Zeus gewijde eikenwoud van Dodona in Griekenland hadden het iets makkelijker: zij gaven orakels aan de mensen. Dit deden zij door middel van een majestueuze, wonderbaarlijke eik midden in het woud. De dichter Aeschylos beschrijft deze boom als volgt: ‘Hij is een niet te geloven wonder, een spijseik met zoete vruchten en altijd groene bladeren’. Met zijn wortels kwam hij tot in de onderwereld en met zijn kruin reikte hij tot in de hemel. Onder de boom borrelde een mysterieuze bron en in de boom woonden zwarte duiven. Als iemand een orakel wilde horen van Zeus waren daar drie methodes voor: De priesteressen keken naar de vlucht van de zwarte duiven in en uit de boom, ze luisterden naar het murmelen van het water in de bron of ze luisterden naar het ritselen van de wind in de bladeren van de eik. Dit zijn in feite drie meditatievormen om in de innerlijke stilte open te staan voor een goddelijke aanwijzing. Op deze drie manieren konden ze de wijze raad van Zeus ontdekken (5). De maretak van de druïden Henri Paul Motte – Druids Cutting The Mistletoe 1900 Het gebruik maken van de levensenergie van de eik komt het duidelijkst naar voren in het Keltische ritueel van het plukken van de maretak uit de eik. In het ‘nemeton’ – een heilige plek in de wouden van de Kelten – kwamen de druïden bijeen voor hun rituelen. De druïden zijn dru-wyd, dat wil zeggen eiken-kenners. Zij wisten hoe je de kracht van de god die in de eik was neergedaald, voor de mensen moest benutten. De Romeinse schrijver Plinius (eerste eeuw n. Chr.) beschrijft in zijn ‘Naturalis historia’ hoe zij dat deden: de druïden vonden alles dat op de eik groeit, een geschenk van de goden. Vooral de maretak – als hij groeide op de eik – werd als zeer heilig beschouwd. (De maretak groeit maar zelden op de eik, meestal groeit hij in een appelboom of een populier.) Hij werd met veel ceremonieel verzameld op de zesde dag na de nieuwe maan. Een priester klom in een wit gewaad in de boom en sneed met een gouden snoeimes de maretak af. De maretak werd in een witte mantel opgevangen. Zij mocht de grond niet raken, want dan zou alle kracht van de god die in de plant was verzameld in de grond weg vloeien. De maretak zou – in een drank verwerkt – vruchtbaarheid schenken en een tegengif zijn voor alle vergif (6). Zo werd de eik en alles dat groeide in de eik gebruikt voor vruchtbaarheid, genezing en voorspelling. De eik en het heilig vuur Waterhouse – A hamadryad 1895 De eik werd gezien als een axis mundi; een plek waar hemel en aarde elkaar ontmoetten. Het was de taak van de druïden en priesters om een dergelijke krachtplek te lokaliseren en te gebruiken om de goddelijke kracht aan te wenden voor de mensen. Dergelijke plekken waren voor de Grieken, Romeinen en Kelten bestemd voor hun heilige rituelen. Een van de manieren waarop die kracht werd aangeboord was door te draaien. Mogelijk duidt het dru in druïden en dry in dryaden (boomgeesten – vooral van de eik – uit de Griekse mythologie) hierop. Associatief zou je zelfs een link vermoeden met het der in de ronddraaiende derwisjen. Deze geestelijken van het mystieke soefi-geloof draaien om hun as om in extase te raken. Dit doen zij met de rechterhandpalm omhoog om de zegen van god te ontvangen en de linkerhandpalm omlaag om die zegen door te geven aan de wereld. Door te draaien om je as vindt je het exacte middelpunt. Niet alleen de as van jezelf, maar ook de wereldas. Deze staat gelijk aan de wereldboom; de kosmische eik. Wie kan draaien rond de eik kan de energieën in elkaar vlechten en de stille plek in de orkaan bereiken. Dit draaien was niet slechts een methode om mystieke eenheid te vinden, maar ook – zeer praktisch – een manier om vuur te maken! De alleroudste manier om aan vuur te komen was door te wachten op het geschenk van de hemelgod: de bliksem die insloeg in de eik, die daarmee vuur veroorzaakte. Ergens in de oeroude tijden kwam er iemand die vooruit kon denken, die niet slechts in het hier en nu leefde, maar door had dat je door continue wrijving een dermate grote hitte kon bereiken dat vuur ontstond. Hij of zij deed dit met behulp van een vuurboor in een vuurkom. Beiden werden traditioneel gemaakt van eikenhout. (7) De stamgenoten aanschouwden dit met groot ontzag en zagen dit als een heilige en magische daad. Degene die vuur kon maken werd de druïde (of dryade); de draaier met de vuurboor. In de Griekse mythologie is Prometheus de eerste die het vuur ontdekt. Hij is de fameuze weldoener van de mensheid die het vuur uit de godenwereld stal. Zijn naam betekent ‘de vooruit denkende’ en/of de vuurboor. (8) Het vuur van de eik, gemaakt met de vuurboor van eikenhout, gaf de mensen een eerste aanzet tot beschaving. De betekenis van de naam Prometheus laat dit prachtig zien. Bonifatius kapt de heilige eik van Geismar om Eik en kerk De heilige eiken werden vanaf de vroege middeleeuwen gekapt door christelijke missionarissen. Bonifatius zag bijvoorbeeld te Geismar (Duitsland) hoe mensen een grote eik vereerden die gewijd was aan Donar (Jupiter). Hij hakte – volgens zijn hagiografie – de boom in één slag om en de boom viel in vier stukken uiteen. Van het eikenhout bouwde hij een kerk. Dit incident kan je zien als een voorbeeld van het overgaan van de functie van middelaar tussen hemel en aarde van de boom naar een kerkgebouw. Vaak werden de eerste kerken gebouwd van eikenhout. Je vindt dit terug in het Ierse woord voor kerk; dur-thech oftewel eikenwoning. (9) Groene man in Dordrecht Nog steeds vind je die oude oorsprong terug in sommige kerken. Pilaren lijken op boomstammen en zijn met ornamenten van eikenloof omkranst. Op onverwachte plekken – onder een kapiteel, onder een leuning van een kerkbank of vanuit een nis – kijkt plots een ‘groene man’ je aan. Het ornament van de ‘groene man’ is een stenen gezicht gemaakt van bladeren, of anders een gezicht waar bladeren uit de mond, neus en ogen stroomt. (10) Het blad bestaat regelmatig uit eikenloof. Is de ‘groene man’ een elf, een vegetatiedemon of de god van de natuur zelf? Niemand weet het zeker. Toch is het verleidelijk om in de ‘groene man’ de geest van de groene vegetatie te zien die zo onverwoestbaar als onkruid altijd weer zijn kop omhoog steekt. De heilige eik in Nederland Is er van die oude eikenverering nog iets terug te vinden in het huidige Nederland? Verbazingwekkend genoeg wel! Ik zal hiervan drie voorbeelden geven: Lapjesboom van Overasselt In Overasselt, bij  Nijmegen in de buurt, staat een bijzondere eik. Hij is niet heel oud of dik, maar hij kan genezen! Het is de lapjes- of koortsboom. Iedere koortslijder die hier een – in zijn eigen koortszweet gedrenkte – lap in hangt, zal genezen van zijn kwaal. De ziekte wordt via de lap overgenomen door de boom. De koorts wordt geneutraliseerd en afgevoerd. Volgens de legende woonde er in die streken zo’n duizend jaar geleden een roverhoofdman genaamd Walderick. De enige waar hij van hield was zijn schone dochter Heribertha, maar zij kreeg de gevreesde hete koorts. Ondanks allerlei gedokter genas zij niet. Walderick was ten einde raad. Een monnik gaf hem toen het advies om een stuk van haar kleed te scheuren en dat in de oude eik naast zijn huis te hangen. Kort daarna werd Heribertha weer gezond. Walderick ging vervolgens een vroom leven leiden en werd Sint Walrick. Vanaf die tijd zou het gebruik zijn ontstaan om lapjes in de boom te hangen tegen de koorts. Het huis van de hoofdman verdween en in plaats daarvan kwam er een kapel. Nog steeds staat er naast de lapjesboom de ruïne van deze kapel; de Sint Walrickruïne (11). De eik die er nu nog staat is natuurlijk niet de eik van duizend jaar geleden, maar zijn opvolger. Hij wordt echter nog steeds vol gehangen met lapjes. Gevoelige mensen weten dat dit een krachtplek is; een plek die hemel en aarde met elkaar verbindt. Wodanseiken – J.J. Cremer 1849 Bij Wolfheze vindt je de Wodanseiken. In de negentiende-eeuwse romantiek was deze naam bedacht voor deze rij met imposante bomen in een schilderachtige omgeving. De eik is traditioneel inderdaad gewijd aan Wodan. De zes tot acht grote eiken, met in de omgeving grafheuvels en ruïnes, vormen een – vooral in de schemering – spookachtig geheel. Vroeger durfde men er ‘s avonds niet voorbij te lopen. Een man die dat toch deed zag de schimmen van werklieden die daar bezig waren huizen te bouwen. Het was het spooksel van iets wat daar honderden jaren eerder had plaatsgevonden. Onder deze eiken werd vroeger recht gesproken. De bladeren van de bomen zouden de aanklagers het recht influisteren. Ook deze plek staat bekend als een krachtplek. Tot slot staat er in de Sint Lambertuskerk te Meerveldhoven (Noord-Brabant) een dode eikenboom volgehangen met ex-voto’s (voorwerpen die als blijk van dank werden opgehangen vanwege een verhoord gebed. Ze waren van was of metaal en moesten vaak een genezen lichaamsdeel voorstellen.) Deze boom staat daar ter herinnering van een waar gebeurd verhaal uit 1264. Er was een boer op pad gegaan en die zag tot zijn verbazing een Mariabeeldje zitten tussen de takken van een eik. Hij haalde het eruit en nam het mee naar huis, maar de volgende dag was het beeldje verdwenen en zat het opnieuw in dezelfde eik! Dit herhaalde zich nog twee keer. Toen was hij overtuigd: Maria wil in de eik vereerd worden. Vele zieke mensen gingen op aanraden van de boer naar het beeldje in de eik, en werden genezen. Het werd een bekend pelgrimsoord. Na verloop van tijd ging de boom dood, maar in zijn nagedachtenis vind je in de kerk op deze plaats nog steeds een eik. (12) Deze drie voorbeelden geven aan hoe ook nu nog de kracht van de eik tot de verbeelding spreekt van de mensen. Zo de heilige eik twee millennia geleden genezing en wijsheid gaf te Nemi, Dodona en in het heilige woud van de druïden, zo kan hij dat nu nog brengen in Wolfheze, Meerveldhoven en Overasselt! Abe van der Veen Dit is een herziene versie van een hoofdstuk uit mijn boek ‘De symboliek van bomen’ over de Keltische bomenkalender. Dit boek is hier  te verkrijgen. Moens, Frank en Roelie de Weerd ed. – Bomen en mensen. Een oeroude relatie 2001 p. 232 Cleene, Marel de en Marie Claire Lejeune – Compendium van rituele planten in Europa 2003 p. 325 Vergilius – Georgica vs. 390-397 Frazer, James – The golden bough 1993 8, 140, 163 Blöte-Obbes, M. C. – Boom en struik in bos en veld 1963 p. 117 Beekman, Willem en Frank Olofsen – Goud in groen 1998 p. 11 Cleene en Lejeune 325 Graves, Robert – Griekse mythen 146 Walker, Barbara – The encyclopedia of myths and secrets 257 Basford, Kathleen – The green man 2004 Moens 64 Moens 61 en Schuyf, Judith – Heidens Nederland 1995 p. 99

Het geheim van de alruinwortel of mandragora

donderdag 26 april 2018 19:21

De alruinwortel, wie kent hem niet van Harry Potter of anders van een scène uit Pan’s labyrinth? (n) Deze ‘mandragora officinalis’, is – samen met de maretak – de meest magische plant die we in Europa kennen. De hoeveelheid folklore rondom deze plant is enorm. Het uiterlijk van de plant is vrij onopvallend, hij heeft donkergroene bladeren, groene bessen en paarse bloemen. Zijn meest beruchte en opvallende deel zit echter onder de grond: dat is zijn sterk behaarde wortel die zich nogal eens vertakt en dan verdacht veel lijkt op het lichaam van een mens. De Egyptenaren zagen er een mannelijk geslachtsdeel in en noemden hem ‘de fallus van het veld’. De Arabieren kennen hem juist als ‘de eieren (testikels) van de djinn’, daar is de plant vernoemd naar zijn bessen. In de Bijbel worden de bessen van de alruin ‘dudaim’ oftewel ‘liefdesappelen’ genoemd. In al deze streken stond de plant bekend als een afrodisiacum. Mandragora is ook één van de bijnamen van de Romeinse liefdesgodin. Zij heet dan Venus Mandragoritis. Mandragora komt wellicht van het Perzische ‘mardum giâ’ wat mensenkruid betekent. (1) Heksen en priesteressen Vroege afbeelding van heks ca. 1280 – 1450 dom van Schleswig Meestal werd de meer duistere kant van de plant benadrukt. Als ‘atropa mandragora’ wordt hij genoemd naar Atropos, de schikgodin die de levensdraad doorsnijdt. Hij zou toebehoren aan de heksen- en doodsgodin Hecate en groeien in het magische kruidentuintje van de tovenaressen Medea en Circe. Een Griekse benaming van de plant is ‘kirkaion’: kruid van Circe. Alruinwortel wordt ook genoemd als bestanddeel van de vliegzalf van de heksen. Bij het vliegen naar de sabbat door een heks, ging de geest reizen en bleef het lichaam achter in bed. Alruin bevat scopolamine en hyoscamine en heeft daardoor een hallucinogene werking. Dit zal inderdaad helpen om uit het lichaam te treden. (2) Ook bij de oude Germanen was er een heksenassociatie. De plant zou de naam alruin te danken hebben aan Albruna een Germaanse waarzeggende priesteres die door Tacitus in zijn ‘de Germania’ (1e eeuw nC) wordt genoemd. Al(b)runa zou de titel zijn voor deze orakelende vrouwen en ‘zij die de geheimen van de elfen kent’ betekenen. Alb is elf en runa betekent geheim en is verwant aan de runen. Zonder de b in alb wordt het ‘zij die alle geheimen kent’. Ook van de alruinswortel werd gezegd dat hij alle geheimen kan onthullen. (3) De galgenheuvel De verblijfplaats van de ‘alruna’ als wortel en als priesteres is mogelijk dezelfde, namelijk de grafheuvel. Deze werd later vaak gebruikt als galgenheuvel. Het is niet toevallig dat de alruin juist zou groeien op galgenheuvels. De graf/galgenheuvel was een plaats van inwijding, die mogelijk gebruikt werd om een semi-dood ervaring of een ervaring van uit het lichaam treden mee te maken. Een van de inwijdingsrituelen bij de Germanen was de hangritus, waarbij de in te wijden persoon opgehangen werd aan een galg of boom en dan stierf als slachtoffer of na een wurgende bijna doodervaring weer van de galg werd gehaald. Daarna was hij gewijd aan Odin. (4) Hekserij onder de galg (de alruinman vindt je onder de heks met de toorts) – Teniers II (1610-1690) Van de alruin werd in de Middeleeuwen gezegd dat hij ontstond uit de urine of het zaad van een gehangene (vandaar de volksnamen pisdiefje en galgenmannetje). (5) Deze gehangene moest dan wel een onschuldige of een dief zijn. Die onschuld verwijst naar het hangen als inwijding in plaats van straf, maar ook de dieven zijn aan Odin gewijd. Op het moment dat alles wordt losgelaten en de banden met het lichaam worden doorbroken, komt de ziel vrij en schreeuwt hij het uit van extase. Dit is een orgastische schreeuw. Zowel Jezus als Odin schreeuwen op dat moment tijdens hun hangoffer. Op dat zelfde moment verliest de gehangene zijn zaad. Juist hieruit groeit een op een man lijkend plantje. Een plant met een bijna menselijk bewustzijn. Het lijkt op een mens en gedraagt zich ook als een mens. Je zou kunnen zeggen dat de ziel van de gehangene is overgegaan in de plant. Hoofd van Adam, hoofd van Mimir In Rusland heeft de alruin een interessante naam: hier noemen ze de plant ‘hoofd van Adam’. (6) Dit hoofd zou – volgens de legende – in de heuvel Golgotha begraven liggen. Dit is de galgenheuvel waar Jezus Christus gekruisigd is. Golgotha betekent ‘plaats van de schedel’. Hiermee wordt de schedel van Adam bedoeld! Onder de galg van Jezus vinden we dus Adams hoofd, oftewel de mandragora? Tegelijkertijd is er ook een merkwaardige correspondentie tussen het kruis van Christus, de boom van kennis van goed en kwaad en de mandragora. Volgens de ‘fysiologus’ (2e eeuw nC) was de boom van kennis van goed en kwaad uit het paradijs een mandragora. In diverse middeleeuwse legenden over de herkomst van het kruis wordt weer beweerd dat het gemaakt is van het hout van een zaadje uit de boom van kennis van goed en kwaad. Deze boom groeide dan weer op Golgotha. (7) De middeleeuwse mystica en kruidkundige Hildegard von Bingen (1098-1179) beweerde dat de alruin uit dezelfde plaats gegroeid was, waar God de aarde vandaan haalde om Adam mee te scheppen. Daarom was hij koning van de planten. (8) Adam betekent rode aarde, want de eerste mensen zouden door God gemaakt zijn uit klei. Het eerste probeersel echter was een misbaksel en God gooide het weg. In één versie van dit verhaal werd dit de alruinswortel! De Joodse magiër Eliphas Levi maakt er zelfs van dat de eerste mensen als alruinen waren, die zichzelf uit eigen beweging uit de grond lostrokken.. Salvator Rosa 1646 (In de hand van de linkerheks de alruinman) Het is interessant om dit verhaal te vergelijken met Odin’s hangoffer: Onder het kruis van Jezus is het hoofd van Adam – wellicht de alruinwortel – te vinden en onder de boom van Odin vindt de god de runen. Dit is geheime kennis, niet in de vorm van een plant, maar door middel van letters. Toch in een ander verhaal over de zoektocht van Odin naar wijsheid vindt hij wel degelijk een hoofd. Dit is het hoofd van Mimir, de meest wijze Ase, wiens hoofd afgehouwen was. Odin wreef het hoofd echter in met kruiden en sprak er toverformules over uit zodat het in leven bleef. Odin had dit hoofd altijd bij zich en sprak ermee, het onthulde hem verborgene zaken. Het waren de zaken die geassocieerd zijn met de geheime wijsheid van de gehangenen. (9) Ik stel mij zo voor dat de ingewijde die de hangritus overleefde – en dus uit de dood herrezen was – als beloning daarvoor het poppetje van de alruin mee kreeg. Dit was zijn ego, waarmee hij zich nu niet meer vereenzelvigde, waardoor het een hulpmiddel werd om zijn betere ik, zijn geest te raadplegen. Hiermee kon hij geheime beraadslagingen doen door te ‘raunen’ (fluisteren) met de runen of de alruin en te mijmeren met Mimir. De homunculus Doordat de ingewijde een semi-dood onderging was zijn ego symbolisch overgegaan in de alruin. Hij was zijn zelf of zijn ziel geworden en had het inzicht verworven dat hij niet zijn lichaam, noch zijn gedachten was. Hij kon nu vrijelijk beschikken over dat construct van lichaam en gedachten – die door het ego samen wordt gehouden. De alruin kan je zien als het symbool voor dit kleine ik. Het heeft de vorm van een klein mensje: de ‘homunculus’. Dit maakt de alruin tot een krachtige, maar ook gevaarlijke plant. Op het moment dat hij uit de aarde werd getrokken zou hij een schreeuw geven die zo afgrijselijk was dat je ter plekke van schrik zou sterven! Het is alsof de schreeuw van de gehangene weer vrijkomt en daarmee ook al zijn pijn en lijden dat hem vasthield aan de materie. Niet iedereen kan deze smart doorstaan, velen zullen falen bij de poging om kracht van de alruin – en daarmee zijn verborgen kennis – te beheersen. Een enkele wijze kan het wel en wordt heerser over de geestenwereld, zoals koning Salomo die een stukje van de wortel in zijn magische zegelring had, of zoals Odin, die naar vrije wil uit zijn lichaam kon treden. Ook Paracelsus beweerde dat hij de homunculus kon maken. In de alchemie noemt men de kunstmatig met leven begiftigde dode materie de homunculus. De alchemist en kruidkundige Paracelsus zou dit hebben geprobeerd en hij gebruikte daar de alruin bij, die hij tot leven wekte door middel van menstruatiebloed en (opnieuw) sperma. (10) Het plukken en verzorgen van de alruin Wij gewone stervelingen hebben trucjes nodig om toch iets van die wijsheid te bemachtigen. Een vroeg voorbeeld van het oogsten van de alruinwortel stamt uit de eerste eeuw nC uit Galilea en staat in de Bellum Judaicum van Josephus:  ‘In de vallei die noordwaarts de stad omringt, is er een plaats genaamd Baaras, waar een wortel groeit van de zelfde naam, die een kleur als vuur heeft en ’s avonds glinstert als de stralen van de zon. Men komt er moeilijk bij en rukt hem even moeilijk uit; want hij vlucht verder en blijft enkel staan, indien men vrouwenpis of menstruatiebloed er op gegoten heeft.  Als iemand hem aanraakt, moet hij zeker sterven, zo hij hem niet, aan de hand hangende, draagt. Men neemt hem zonder gevaar als volgt: Men doet er rond de aarde weg, zodat maar een klein deel van de plant nog in de de grond blijft; men bindt aan de wortel een hond die, omdat hij zijn meester wil volgen, de wortel uit trekt. Onmiddellijk sterft de hond in plaats van zijn meester. Van dit ogenblik af kan men de wortel zonder gevaar in de hand nemen. Men trotseert al die gevaren om deze wortel te bezitten, vanwege één enkele kracht die hij heeft: deze wortel op het lichaam gelegd, verjaagt de boze geesten, die de levende lichamen proberen te bezitten en doen sterven, als men er niets tegen doet’. (11) In latere versies van dit plukritueel moest de hond zwart zijn. Dit is passend want zwarte honden zijn gewijd aan de godin Hecate en worden gezien als boodschappers van de dood. In het – vroeger jaarlijks in het Atlasgebergte gehouden – Rookfeest werd een mengsel van hallucinogene kruiden gebrand met als hoofdbestanddeel de alruin. De bedwelmde monniken zagen de geestvorm van de verschillende planten en ten laatste de geest van de alruin in de vorm van een zwarte hond! (12) Het plukken van de alruin volgens de ‘Tacuinum sanitatis’ uit  de  15e eeuw In middeleeuwse versies van het plukritueel moest het alruinmannetje – nadat hij uit de grond was getrokken – gebaad worden in rode wijn, gekleed in een wit zijden hemdje en op een kussen in een doosje worden geplaatst. Hij moest zelfs iets te eten krijgen! Als je dit allemaal deed en dit enkele keren herhaalde dan zou hij je wensen vervullen, antwoord geven op al je vragen, je de toekomst voorspellen en je rijk maken! (13) Dit soort gelukspopjes van alruin werden mogelijk al door de Grieken en Romeinen als amulet gedragen en het gebruik bleef tot in de negentiende eeuw bestaan. (14) Mogelijk was dit de ziel van de gehangene die men dan met zich meedroeg. Deze was dan met zijn laatste extatische schreeuw in de alruin overgegaan. Door hem zo te verwennen en te voeden met aandacht, zorgde men ervoor dat hij niet weg vluchtte. Zelfs Jeanne d’Arc, de roemruchte maagd van Orléans, werd er van beschuldigd dat zij stiekem een alruinwortel bij zich had. Dit zou de oorsprong zijn van de stemmen die zij hoorde! Zijzelf beweerde bij hoog en bij laag dat het de stemmen van heiligen waren. (15) De levenskracht van de alruin Dioscorides ontvangt een alruin van de godin Euresis (5e eeuw nC) In het beroemde Russische sprookje ‘Wasalisa de wijze en de heks Baba Jaga’ krijgt het meisje Wasalisa een popje van haar stervende moeder. Zij draagt deze altijd stiekem bij zich, praat met haar en geeft het eten. Het popje brengt haar geluk en geeft haar wijze raad. Uiteindelijk vindt ze met behulp van de pop een vlammende schedel, waarmee ze het vuur in de haard opnieuw aansteken kan. Dit alles doet verdacht veel denken aan een pop van alruinwortel. Dit geldt ook voor de schedel, want van de alruin wordt gezegd dat de bloem vlammen voortbrengt. Hij wordt daarom in het Hebreeuws ‘dudaim’ of vlammenkruid genoemd. (16) In dit verband is het opmerkelijk dat ook Prometheus – die het vuur steelt van de goden – met de alruin werd geassocieerd. Hij werd gestraft door middel van een adelaar die elke dag zijn lever uit zijn borst pikte. Uit de etter die uit die verse wond stroomde zou de alruinwortel zijn ontstaan. (17) Arabische afbeelding van de mandragora uit 1229 De vlammen van de alruin komen ook voor in een versterkingsritueel dat uitgevoerd werd op het Indonesische eiland Madoera. Daar werd door de deelnemers in een tempel voor elke maand een zaadje geplant en hiervoor gezongen. Zij zagen het zaad voor hun ogen ontkiemen en daarna stengel, blad en bloem vormen. Het laatste zaad was dat van de alruin. Bij het openen van de alruinbloemen kwamen er vlammen uit de kelken. Sommige deelnemers leken verzengd te worden door de vlammen en bezweken. Anderen leken de vlammen in zich op te nemen. Na afloop gingen de eersten bleek en afgemat naar huis en de laatsten vol kracht en geestdrift. (18) Wie sterk genoeg is die neemt de levenskracht van de alruin op, wie dat niet is verliest juist zijn energie aan de mensplant! Conclusie Je zou kunnen stellen dat de alruin voor het ego staat, maar ook voor je intuïtie! Na je inwijding ontvang je van de wijze vrouw, (de alruin) de wortel als talisman. Je behandelt het als een minimensje, een homunculus en het is daarom je kleine ik, tegenover je grote zelf. Het is je ego, waardoor je in jezelf kan praten, zoals een klein kind praat met haar pop. Maar dit keer laat je je niet overheersen door dit ego. Je herkent zijn kracht, maar identificeert je er niet volkomen mee. Je hebt geleerd dat je grotere zelf die energetische boom is, die galg waar het ego aan hangt. Zodra je dit parasitaire ego los kan rukken en je – zoals Odin – van de boom valt, weet je dat je niet ego bent, dat je niet lichaam-in-gedachten bent, maar iets oneindig groters. Zo transformeer je het ego tot je intuïtie! De ‘tuition’ het onderwijs dat je krijgt als je naar je innerlijk, je centrum luistert. Dit is de innerlijke vlam in de schedel die verwijst naar jouw overwinning op de dood. Je consulteert je diepste innerlijke weten door middel van je contact met de alruin, de allesweter. Als je zelf niet ingewijd bent en je vangt de ziel van een gehangene in de alruin, dan ben je een necromanciër en pleeg je zwarte magie. Dit is misbruik maken van iets buiten jezelf. Dit is een duivelspact dat je uiteindelijk op zal breken. Buiten het ritueel van het hangen om kan de geest van de alruin zelf je ook beschermen en van wijze raad voorzien. Hij helpt je bij je inwijding. Tegelijk kan hier sprake zijn van bescherming door de geest van de inwijdster, de wijze albruna, de priesteres die je lijfelijk of in geestvorm bijstaat. Abe van der Veen Dit artikel is onderdeel van mijn boek ‘De wijsheid van bomen en kruiden’. Dit boek is via deze link verkrijgbaar en hier kan je meer info lezen over het boek. n) Zie hier de scène met de alruin in Pan’s labyrinth: https://www.youtube.com/watch?v=Tvq4Yp7XaRg 1) L. Gordon – Green magic p. 97 Emboden – Bizarre plants p.149-150 Decleene en Lejeune – Compendium van rituele planten p. 108 G. Buchner – Heksenkruiden p.33 Genesis 30 vs 14-16: ‘En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen. Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar.’ 2) Emboden – Bizarre plants p.149 R.K. Harrison, “The Mandrake And The Ancient World,” The Evangelical Quarterly 28.2 (1956): 87-92. Compendium p. 110 3) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/alruin https://en.wikipedia.org/wiki/Albruna 4) Farwerck – Noordeuropese mysterieën p. 45, 156, 405 Gehangen mannen zouden bij hun laatste stuiptrekkingen ejaculeren. Tegelijk is het ook een feit dat mensen die bepaalde hallucinogene drugs gebruiken zoals Ayahuasca in hun staat van totaal loslaten ook hun urine, feces en mogelijk ook sperma soms loslaten. 5) Teirlinck – Flora magica p.142 6) Compendium p. 106 7) Hatsis – The witches ointment 79 https://en.wikipedia.org/wiki/Legend_of_the_Rood 8) Emboden p. 149 Compendium p. 107, 114 9) Snorri Sturluson – Ynglinga saga 4 en 7 10) Grafton, Anthony (1999). Natural Particulars: Nature and the Disciplines in Renaissance Europe. MIT Press. pp. 328–329 11) Josephus, Bellum Judaicum, vii. 6. 3. Compendium p. 108 12) M. Uyldert – De taal der kruiden p. 228 Er is een interessante gelijkenis te trekken met een ervaring die Carlos Castaneda in een van zijn boeken beschrijft. Onder invloed van de hallucinogene cactus Peyote gaat Carlos spelen met de geest van de plant in de vorm van een hond. 13) Blöte-Obbes – De geurende kruidhof p. 245 Compendium p. 110 14) Compendium p. 110 Deze waren meestal op kunstmatige wijze van menselijke trekken voorzien en waren ook vaak niet van alruinwortel gemaakt, maar van een heggerank. 15) Blöte-Obbes p. 247 16) Uyldert p. 223 17) Compendium p. 105 Appolonius van Rhodos boek III, 828 18) Uyldert p. 226 Leuk om te weten: De main-de-gloire of ‘dead man’s hand’ is een verbastering van de mandragora. De magische werking van de plant ging dus over op die van een ander luguber iets dat je moest opgraven onder de galg: de hand van een gehangene.. – Ook goed om te lezen: Anne Van Arsdall, Helmut W. Klug, Paul Blanz –  The mandrake plant and it’s legend a new perspective https://www.whitedragon.org.uk/articles/mandrake.htm

Heks en drugs: de vliegzalf van de heksen

maandag 02 april 2018 16:12

Gebruikten heksen drugs om te kunnen vliegen? Of anders gezegd: Waren er mannen en vrouwen in de middeleeuwen en in de vroegmoderne tijd die hallucinogene middelen (met name kruiden) gebruikten om in extase of trance te kunnen komen? Het lijkt er op van wel: er zijn een aantal zestiende-eeuwse recepten voor vliegzalf waarin kruiden worden genoemd die een hallucinogene werking hebben. Dit wordt het ‘unguentum Lamiarum’ genoemd. Hiernaast zijn er ook recepten bekend met voornamelijk walgelijke ingrediënten en met als belangrijkste bestanddeel de lijkjes van kinderen. En dan zijn er nog twee uiterst opmerkelijke recepten uit de vijftiende eeuw waarin de zalf het ‘unguentum Pharelis’ wordt genoemd. Volgens sommige historici waren er duizenden recepten van vliegzalf in omloop. (1) Dit is schromelijk overdreven. Ik kom er op zeven waarvan ik schat dat ze te gebruiken zijn. Maar voordat we op zoek gaan naar de ware vliegzalf van de heksen, wil ik eerst iets vertellen over de achtergronden van dit ‘vliegen’. De theorie en praktijk van het vliegen Het vermogen te kunnen ‘vliegen’ was een definiërend kenmerk voor de heks. Vele van haar namen refereren hier aan zoals: haghetisse (heggerijdster), kolrijdster, ziftrijdster, hagazussa, túnrida (zij die de heg berijdt). (2) Maar wat wordt bedoeld met vliegen? In de bronnen wordt niet alleen gesproken over vliegen als het gaat om de bovennatuurlijke reis van de heks, maar ook over varen, rijden en reizen. Dit gaat in ieder geval niet om een letterlijk vliegen of een fysieke levitatie. (Ook al dachten de demonologen en vele rechters uit de tijd van de vervolgingen dat wel.) Het gaat eerder om een verschuiving van bewustzijn.  De heks trad uit haar lichaam om in de geestelijke wereld te kunnen reizen, om zo bovennatuurlijke ervaringen op te doen. Dit kan je extase of trance noemen. Er vindt een bewustzijnsverschuiving plaats waarbij de aandacht zich van het lichaam en de gedachten verplaatst naar de geest en de energie. Er zijn meerdere voorbeelden uit de Europese middeleeuwen te noemen van mensen die uit hun lichaam konden treden zonder hulp van een vliegzalf. (3) Voor een groot gedeelte waren dit magisch specialisten: vrouwen en mannen die in hun dorp of buurt geraadpleegd konden worden voor o.a. waarzeggerij, genezing, het terugvinden van verloren en gestolen goed en het aanwijzen van toverij en de invloed van boze geesten. Zij verkregen hun geheime kennis door hun vaardigheid om in de geest te kunnen reizen. In de heksenprocessen en in de demonologieën waren de zalf smerende heksen duivelaanbidders en kindermoordenaars geworden. Bij deze – deels door marteling verkregen – teksten is niet meer duidelijk te krijgen wat er werkelijk gebeurd was. Strijdende heksen in een prent van Bruegel 1565 Er waren meerdere redenen om in de nacht te gaan ‘vliegen’. Het kon een extatisch genot en plezier veroorzaken, vooral als het doel van de nachtvlucht een feest of samenkomst was. Het kon gebeuren om zegen, voorspoed en vruchtbaarheid te brengen aan de gemeenschap. (Soms ging dit gepaard met een strijd of gevecht in de lucht om de vruchtbaarheid.) Ook kon men door de ontmoetingen met geesten of godinnen bovennatuurlijke kennis en wijsheid over de geestelijke wereld opdoen. Dit werd vaak vertaald als het leren van zwarte magie door de duivel. Mogelijk was de nachtvlucht ook een geheime manier om een godin te aanbidden. (4) En dan bestaat er nog de kans dat de nachtvlucht gebruikt werd voor diverse vormen van maleficia (kwade toverij), waarbij ziek maken van mens en vee en dood maken van kindertjes het meeste worden genoemd. Dit laatste kan je zien als een vorm van energetisch vampirisme. Om te kunnen vliegen is een staat van bewustzijn nodig die je extase of trance noemt. Het is bij deze bewustzijnstoestand vooral zaak om de gedachten te stillen, de hechting met het fysieke lichaam los te koppelen en de aandacht vanuit het centrum te verplaatsen naar geest en energie. Alles wat er in deze wereld van belang wordt geacht doet er dan even niet toe. Dan kan je in de geest zijn, je ook in de geest verplaatsen en in de geest andere geestwezens ontmoeten (andere extatici, doden, elfen, godinnen). De procedure voor het gebruiken van zalf was kort samengevat het volgende: Een zalf met rituele of hallucinogene bestanddelen werd op het lichaam gesmeerd. Ook kon die zalf gesmeerd worden op het voorwerp dat men van plan was te bestijgen om te dienen als rijtuig. Tijdens of na het zalven werd er een magische spreuk opgezegd en de stok, trog, stoel of wat dan ook, kon beklommen worden. De ‘heks’ viel vervolgens in een diepe slaap of katalepsie, die zo intens was dat zij meestal niet op een normale manier wakker te krijgen was. Haar lichaam bleef thuis achter en ondertussen ging haar geest op reis. Die ging door de schoorsteen of door een kier het huis uit de lucht in, op weg naar de samenkomst. Dit kon absoluut ook zonder hulp van hallucinogene middelen, maar wellicht waren de drugs voor beginnende extatici nodig om ze over de drempel te helpen. Een Romeinse proloog De eerste vermelding van een soort van vliegzalf is te vinden bij de Romeinse schrijver Apuleius’. In zijn roman ‘De gouden ezel’ (160AD) begluurt Lucius de heks Pamphile en ziet hoe zij haar kleren uitdoet en wat zalf uit een doosje haalt. Zij smeert zich daarmee van top tot teen in. Zij bewoog haar ledematen en er groeide dons en vervolgens veren aan haar lichaam. Zij veranderde ter plekke in een uil en vloog weg naar buiten de nacht in. Als Lucius dit ook wil en zijn geliefde smeekt om hem wat van die zalf te brengen vergist zij zich in het doosje en Lucius verandert juist in een ezel. Deze zalf helpt dus om van gedaante te veranderen en pas in tweede instantie om te vliegen. Vervolgens wordt er in geen eeuwen over een vliegzalf gerept. (5) Een duivels smeerseltje Mogelijk zien we in een afbeelding uit circa 1300 op de deur van de kathedraal van Saint Jean Baptiste te Lyon (Frankrijk) een heks die gebruik maakt van een hallucinogeen middel: we zien een naakte vrouw rijdend op een bok en met in haar ene hand een knook en in de andere een gigantische paddenstoel. Dit lijkt wel op een vliegenzwam. Voor de rest komen wij deze hallucinogene paddenstoel echter niet tegen als onderdeel van de vliegzalf. (5) Pas in 1324-25 in het geïsoleerde geval van de Ierse Lady Alice Kyteler vinden we weer een schriftelijke bron over een mogelijke vliegzalf. Lady Kyteler werd verdacht van zwarte magie en het oproepen van demonen. Haar huis werd doorzocht en daar vonden zij een doos met zalf. Uit haar bekentenis bleek dat zij met de zalf een stuk hout besmeerde waarmee zij vervolgens – samen met haar medeplichtigen – ‘kon rijden en galopperen waar zij maar heen wou, de hele wereld over, door dik en dun, zonder pijn of belemmering’. Dat werd althans door haar beweerd. Dit ‘galopperen’ doet denken aan bepaalde vruchtbaarheidsrituelen waarin er met een stokpaard over de velden wordt gegaloppeerd en gesprongen om zo voor een grotere oogst te zorgen. Dit wordt verder in geen enkele andere tekst genoemd. Toch moet er meer aan de hand zijn geweest, want Alice kon er de hele wereld mee over vliegen. Wat er in de zalf zit komen wij niet te weten. (6) Tussen 1395 en 1405 worden er in Simmenthal in Zwitserland enkele heksen verbrand. Dit is een zeer vroeg heksenproces. Zij bekenden o.a. dat zij kinderen hadden gestolen en vermoord. Dit deden ze om ze vervolgens op te eten of om hun lichaamssappen te gebruiken voor zalven. Met deze zalf konden zij zich in dieren veranderen, onzichtbaar worden of door de lucht vliegen. Dat heksen onschuldige kindertjes verwerkten in hun magische zalven – en dus ook in hun vliegzalf – zal keer op keer genoemd worden in de demonologische geschriften en in de verslagen van heksenprocessen. (7) In 1428 werd Matteuccia di Francesso verbrand als heks in Todi (midden-Italië). Zij zou zich schuldig hebben gemaakt aan kwaadaardige tovenarij. Zij had onder andere liefdesdrankjes en abortusmiddelen verkocht. Nog erger was haar bekentenis dat zij ’s nachts het bloed van zuigelingen zou opzuigen en een pact met de duivel had gesloten. Daarnaast maakte zij een zalf en smeerde zichzelf er mee in terwijl ze de spreuk reciteerde: ‘Zalf, zalf breng mij naar de nachtdaden in Benevento, over water, over wind, over al het slechte weer’. Na deze en nog een spreuk waarin zij Lucifer (of Lucibello) aanriep, veranderde zij in een vlieg of een muis. Lucifer stuurde vervolgens een demon in de vorm van een geit en die droeg haar bliksemsnel naar de notenboom te Benevento voor de vergadering van de heksen en duivels. Deze zalf werd gemaakt van het vet van gieren, het bloed van vleermuizen en het bloed van zuigelingen, naast nog andere onbekende ingrediënten. Zij kon ook zonder hulp van de duivel naar Benevento gaan. Zij ging drie dagen in de week naar de zogenoemde ‘nachtdaden’ terwijl zij sliep. (8) De Zuid-Nederlandse componist en advocaat Johannes Tinctoris beweert in 1460 dat de sekte der Waldenzen – in dit geval gebruikt als naam voor heksen – gebruik maakte van een vliegzalf om ’s nachts naar hun vergaderingen te gaan. Deze zalf werd – volgens hem – gemaakt van ‘padden, gepulveriseerde beenderen van een lijk, het bloed van onschuldige kinderen en menstruatiebloed’. Hier werd een zalf van gemaakt waarmee ze snel door de lucht konden vliegen. In die zelfde periode noemde de Duitse historicus Matthias von Kemnat ook de ingrediënten van de zalf: padden, slangen, hagedissen, spinnen en het vet van kinderen. (9) Heinrich Kramer in de beruchte Malleus Maleficarum van 1485 houdt het simpel: heksen koken vermoorde kinderen en eten ze op of ze gebruiken het vlees en de botten om er een vliegzalf van te maken. Ze smeren deze op een stoel of een bezemsteel waarop zij onmiddellijk de lucht in worden gedragen. Dit gebeurt met behulp van de duivel. Deze zalf is volgens hem niet werkzaam, maar hoort meer bij het bedrog van de duivel om de heksen tot nog meer wandaden aan te zetten. (10) De pad als heksendier of ‘familiar’ van de heks Ook in Nederland komen we een paar keer het beeld van de zalf smerende duivelse heks tegen: In 1595 werd Lys Cuypers uit Mierlo ondervraagd en bekende dat zij de ‘smeerpot’ beheerde. In deze pot zat een halve liter wit en zwart smeersel. Dit was gemaakt van – op het kerkhof weggehaalde – mensenbotten en mensenvet. Voor zij en haar medeplichtigen naar de ‘dans’ gingen smeerden zij het spul onder de oksels, voor op de borst en nog hier en daar op het lichaam. Ook in 1595 vertelde Elbert Dirx uit Hoogland dat hij samen met zijn vader en zijn broer hadden gedanst  op de bleek bij Amersfoort, allen in de gedaante van katten. Om katten te worden had de ‘bezemrijder’ (ws. de duivel) hen ontkleed en zijn voorhoofd ingesmeerd met oude reuzel. Ook dit kan je zien als heksenzalf. (11) Veel demonologen verzwegen het gebruik van de vliegzalf, omdat het dan de vraag werd of het de macht van de duivel, of de kracht van de ingrediënten/kruiden was die de heks liet vliegen. In de praktijk zullen de bestanddelen – mogelijk op één na – geen werkzaamheid hebben gehad. De kans is groot dat zij genoemd zijn om walging op te wekken en om te overtuigen dat de heks in alles het omgekeerde wilde en antimaatschappelijk bezig was. Die uitzondering is de pad. Bepaalde padden hebben een gif in hun huid zitten, die – als het er af wordt geschraapt en gerookt – hallucinaties kan veroorzaken door de werkzame stof bufotenine. Ook in poeder van de gedroogde huid zou het werkzame bestanddeel zitten. Er is echter geen bewijs van het bewuste gebruik van het gif van de pad op een dergelijke manier in die tijd. (12) Unguentum Pharelis: de zalf van Pharaildis/Herodias Herodias en Diana te zien op een gravure van Jacques de Gheyn II 1609 Naast het duivelse recept uit de koker van de demonologen is er nog een ander vijftiende-eeuws recept. Deze wordt ‘unguentum Pharelis’ genoemd. Zij past meer in het vertoog over de nachtvlucht van vrouwen in het gevolg van Diana en Herodias zo die al in de tiende eeuw wordt genoemd in de ‘Canon episcopi’. [Hier kan je er meer over lezen] De eerste middeleeuwse bron voor het gebruik van heksenzalf die het aanbidden van de duivel en het gebruiken van kinderlijkjes niet noemt is het boek van Abramelin de Magus (ook bekend als Abraham van Worms) uit ongeveer 1415. Deze Joodse mysticus beschrijft daarin dat hij in het Duitse plaatsje Linz een jonge vrouw – hij noemt haar geen heks –  ontmoette die hem garandeerde dat zij hem zonder risico zou kunnen brengen naar elke plek die hij wenste. Zij gaf hem daarop een zalf die hij op de aderen van zijn handen en voeten wreef en zalfde daarna zichzelf in. Hij viel in een diepe slaap en vervolgens leek het hem toe dat hij door de lucht vloog naar de plaats die hij had gewenst. Hij werd wakker met hoofdpijn en een sterk gevoel van melancholie. Het voelde sterk alsof hij werkelijk en lichamelijk op die andere plek was geweest. Zij vertelde dat zij mee was gereisd, maar ze beschreef de reis compleet anders. Abramelin zag het spul als een fantastische slaapzalf die er voor zorgde dat iets wat in de verbeelding plaats vond sterk op de realiteit leek. (13) meester van het monogram HF – Heksen in extase 1515 In 1435 vertelt de Dominicaanse theoloog Nider  in zijn boek ‘Formicarius’ (de mierenhoop) een verhaal over een vrouw die beweerde dat zij naar verre plaatsen kon reizen met behulp van een vliegzalf. Ergens in Zuid-Duitsland komt een monnik een oude vrouw (‘vetula’) tegen die claimde dat zij samen met Diana en haar gevolg door de lucht kon vliegen. Hij – en andere getuigen – mochten op een avond daarbij in haar kamer aanwezig zijn. Zij plaatste een baktrog op een stoel en ging daarin zitten. Zij kleedde zichzelf uit en smeerde zich in met een zalf terwijl ze ondertussen een onverstaanbare spreuk prevelde. Vrij vlot daarna begon ze te trillen en met haar armen te slaan om vervolgens in slaap te vallen. Zij viel uit haar trog op de grond en stootte haar hoofd, maar toch werd zij niet wakker. Toen ze eindelijk weer bij kennis was vertelde de monnik haar dat zij niet met Diana weg was gevlogen, maar in de kamer was gebleven. In ‘Predigten’ (ook uit de jaren dertig) vertelt hij nog over hetzelfde incident dat zij een ‘unholda’ is en dat ze naar de ‘heuberg’ wou vliegen. De unholda kan je zien als de geest van de heks en de ‘heuberg’ werd later de Venusberg genoemd. In deze berg vinden volgens het volksgeloof losbandige feesten plaats onder leiding van de godin Venus. In zijn Preceptorium uit 1438 noemt hij dat de ‘vetula’ claimde te kunnen reizen met Venus of Herodias. (14) De baktrog kan bedoeld zijn als reismiddel om mee te vliegen. In de sagen en in enkele processen worden ook onwaarschijnlijke voorwerpen genoemd zoals zeven, mosselschelpen, eierschalen en boterbakken. Rond 1435-1440 schreef de Spaanse theoloog Alfonso Tostado over deze heksenzalf. Hij vertelt dat dergelijke zalven sensaties zoals pijn zullen verminderen en dat het zorgt voor mentale dissociatie. Men voelt zich van zichzelf afgescheiden raken. ‘Er zijn zekere vrouwen – die wij heksen noemen – die bepaalde zalven gebruiken tezamen met rituele woorden om getransporteerd te worden naar waar zij maar willen om andere mannen en vrouwen te ontmoeten om daar te genieten van allerhande voedsel en pleziertjes’. Dit is volgens Tostado niet echt waar. De vrouwen vallen in een diepe slaap en gaan nergens heen. (15) Eindelijk wordt er in het ‘boek van verboden kunsten’ uit 1456 van de Duitse dokter Johannes Hartlieb een recept van een vliegzalf genoemd die geloofwaardige ingrediënten bevat. Hier volgt het volledige citaat: Voor zulke reizen gebruiken mannen en vrouwen, namelijk de ‘unhulden’ een zalf genaamd ‘unguentum pharelis’ Zij maken deze van zeven planten en plukken elke plant op de dag die behoort bij deze plant. Zo plukken zij op een zondag goudsbloem (of chichorei), op maandag koningsvaren, op dinsdag ijzerhard, op woensdag bingelkruid, op donderdag huislook, op vrijdag venushaar. Hiervan maken zij zalf door er vogelbloed en vet van dieren doorheen te mengen wiens namen ik niet zal noemen om niemand kwaad te maken. Dan wanneer zij willen, smeren ze het op  banken of stoelen, hooivorken of kachelpoken en vliegen erop. Dit is ware Nigromantie en strikt verboden. (16) De unhulden komen we al tegen in het biechtboek van Burchard van Worms uit de elfde eeuw. Daarin zijn het vrouwelijke nachtgeesten in het gevolg van Holda, die ook wel Diana of Herodias wordt genoemd. Later worden zij gezien als kwade heksen. Pharel is waarschijnlijk Pharaildis wat weer een andere naam is voor Herodias. Zij is een van de leiders (en mogelijk een godin) van de geesten en extatische vrouwen die volgens het middeleeuwse volksgeloof ’s nachts door de lucht vliegen. (17) Het Nederlandse recept voor vliegzalf Baldung Grien – Heksensabbat 1515 In het vijftiende-eeuwse manuscript MS 517 (mogelijk geschreven door Joannes Alphensis /Johannes van Alphen) wordt een – in het Middelnederlands geschreven – recept genoemd dat op vele punten overeenkomt met het unguentum Pharelis uit het vorige citaat: ‘Om snel te reizen waar je maar naar toe wilt. Maan: ijzerhard, Mars: vuurwerkplant, Mercurius: bingelkruid, Jupiter: huislook, Venus: valeriaan, Saturnus betonie, Zon: goudsbloem (of cichorei). Idem weet dat gij al deze kruiden verzamelen zal in de naam van Pharel en als de maan wassende is. En verzamel geen kruiden als de maan in het teken Ram staat. En dan als de maan vol is, na zonsondergang, zo maakt gij zalf op de manier van Pharel. Meng het sap van de voorgenoemde kruiden met het vet van een geit en het bloed van een vleermuis, de hele tijd zeggende de naam Pharel. Als dit gedaan is doet u de zalf in een zilveren bus en leg het de hele nacht daar zeggende: ‘O waardige Pharel, ik offer u deze zalf’. Als gij het proberen wilt zult u een klein beetje van deze zalf op uw aangezicht, handen en borst bestrijken terwijl u zegt: ‘Othinel, Pharel, Clemosiel, Pharel, Adromaniel, Pharel’ en noem de plek waar u wilt zijn.’ (18) [lees hier meer over dit recept] Deze beide recepten bevatten geen werkzame hallucinogene bestanddelen. Alleen het bingelkruid (mercurialis) is licht giftig. De genoemde planten worden wel geassocieerd met de bijpassende dagen van de week èn een aantal horen bij een toepasselijke godheid/hemellichaam zoals IJzerhard (Dinskraut in het Duits) bij Tiwaz/Mars, bingelkruid bij Wodan/Mercurius, Huislook (barba jovis) bij Donar/Jupiter, Venushaar bij Venus. Van het kruid betonie – dat op zaterdag moet worden geplukt – wordt door de plantkundige Lobelius het volgende beweerd: ‘Het bewaart de zielen en lichamen van de mensen en bevrijd en beschermt de nachtwandelingen van toverijen en gevaar. Ook beschermt het de gewijde plaatsen en kerkhoven van verschrikkelijke visioenen, zij is goed en heilig.’ Dit heeft hij weer van de Romein Anthonius Musa. (19) Deze opmerking van Lobelius en Musa maakt van betonie een perfecte plant om te gebruiken in een vliegzalf. Juist als de ziel uit het lichaam is getreden is deze kwetsbaar. Als met ‘nachtwandelingen’ de nachtelijke reizen van extatici bedoeld worden dan kan betonie de zielen van wandelaars/reizigers tijdens hun geestreis beschermen tegen toverij en ander gevaar. Dit verwijst waarschijnlijk allemaal naar een ritueel en associatief gebruik van de planten die moeten beschermen en begeleiden in de nachtvlucht langs de zeven verschillende planeten die bij de respectievelijke dagen behoren. Hans Weiditz – Von dem Unholden 1514 Deze zalf is dus te zien als een hulpmiddel om te kunnen reizen in het gevolg van Pharaildis/Diana/Herodias/Holda. Deze tochten door de nacht in het gevolg van de heidense godin werden al genoemd in de ‘Canon Episcopi’ uit de negende eeuw, maar ook in de veertiende en de vijftiende eeuw komen dergelijke getuigenissen nog voor. De ‘unholda’ van Nider en de ‘unholden’ van Hartlieb zijn heksen in de oude betekenis van het woord. Zij zijn geen kwade, duivels vererende vrouwen, maar heggerijdsters. Zij zijn vrouwen die over de heg – die onze wereld scheid van de geestenwereld – kunnen reizen. Zij rijden dan verder in het gevolg van Diana of Herodias. (20) De hallucinogene heksenzalf: Lamiarum Unguentum Vreemd genoeg komen we pas in de zestiende eeuw recepten tegen waarin hallucinogene kruiden worden genoemd zoals monnikskap, nachtschade en papaver. De als ‘tovenaar’ bekend staande Duitse arts Paracelsus (1493-1541) noemt ook twee maal een aantal van de bestanddelen van de vliegzalf. In een citaat noemt hij ‘kaasvet, wolfsvet, ezelinnenmelk en dergelijke. In een ander citaat is hij iets uitgebreider en noemt hij een aantal psychotrope planten: ‘Zalf van het vlees van jonge kinderen als een brei zacht gekookt en met slaap brengende kruiden zoals daar zijn papaver, nachtschade, scheerling, ‘mütterrlich’ (?) etc. bereiden, met welke wanneer u zich gezalfd hebt en deze spreuk hebt opgezegd: Boven, uit en nergens aan, zo vliegt u snel uit de schoorsteen of door een gat in het venster of de wand eruit, met de hulp van de duivel.’ (21) De datering van dit tweede recept is niet duidelijk, maar in ieder geval voor 1541 en is daarmee het oudste recept dat duidt op het gebruik van hallucinogene kruiden. Goya – Linda maestra In 1545 werkte de Spaanse dokter Andrès Laguna als medisch officier in de buurt van Nancy. Daar werden twee oude kluizenaars gearresteerd op verdenking van tovenarij. In hun hut werd een kleine pot met groene zalf gevonden. Laguna bekeek en rook deze zalf en het deed hem denken aan ‘unguentum populeum’. Hij meende dat er o.a. scheerling, bilzekruid, alruinswortel en nachtschade (doornappel?) in zat. Hij kon wat van de zalf bemachtigen en probeerde deze uit op een patiënt van hem die leed aan slapeloosheid. Hij smeerde haar in van top tot teen en zij viel in een diepe, lethargische slaap van wel zesendertig uur en moest uiteindelijk wakker worden geslagen. Zij was boos en vroeg: waarom maak je me wakker? Ik was te midden van alle genot en vreugde van de wereld en daar heb ik mijn man bedrogen met een jongere en knappere man! Zij geloofde sterk in de realiteit van haar avontuur. Unguentum populeum is een zalf die al vanaf de dertiende eeuw gebruikt werd als pijnstiller en om iemand te kunnen laten slapen. Deze zalf bevat o.a. populier, slaapbol, mandragora, bilzekruid en nachtschade. Deze kruiden worden ook genoemd in de heksenzalf. Dit doet de vraag rijzen wat de precieze connectie is tussen beide zalven. Het lijkt erop dat Laguna de gevonden zalf wou uittesten als slaapmiddel (net als de unguentum populeum), maar de uitwerking ervan doet veel meer denken aan vliegzalf. Hij wordt echter niet zo genoemd. (22) In een ander citaat zegt Laguna dat hij gelooft dat de doornappel (Datura Stramonium) het actieve bestanddeel is in de zalven die met heksen (bruxas) worden geassocieerd. Hij vertelt dat de plant een prettige zinsbegoocheling geeft, maar in een te grote hoeveelheid waanzin kan veroorzaken.  De doornappel is een plant uit de nachtschadefamilie (Solanaceae). Het is een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat. Een prent van de Duitse schilder Dürer uit ca. 1500 lijkt de bewering van Laguna te staven. We zien een naakte oude vrouw/heks die achterstevoren op een bok rijdt. Een engeltje houdt vlak voor haar been een plant vast. Het gaat hier waarschijnlijk om een doornappel (Datura stramonium). (23) De Italiaanse geleerde Girolamo Cardano noemt in zijn boek ‘De Subtilitate’ uit 1550 als eerste het woord ‘heksenzalf’. ‘Wij spreken nu over de heksenzalf (Lamiarum unguentum) die maakt dat men prachtige dingen ziet die onwaar zijn, maar waar lijken te zijn. Het bestaat uit – zo ze zeggen – het vet van kinderen die uit hun graf zijn gehaald, het sap van selderij, van monnikskap, van vijfvingerkruid (potentilla reptans), van nachtschade en roet. Maar ondanks dat zij geacht zijn te slapen zien zij allerhande dingen zoals: theaters, tuinen, banketten, versieringen, kleding, mooie, jonge mannen, koningen, bestuurders en ook demonen, raven, gevangenissen, eenzaamheid en martelingen.’ In een ander deel van het boek noemt hij geen zalf maar meent hij dat het geloof van heksen – dat zij in hun slaap naar verre landen kunnen reizen – komt door de invloed van het eten van selderij, kastanjes, fava-bonen, ui, kool en bonen. Dit voedsel geeft hen vreemde dromen. (24) Baldung Grien – Vertrek voor de sabbat 1514 De populierenzalf van Della Porta Het beroemdste en meest geciteerde recept voor heksenzalf stamt uit 1558 en is van Giovanni Battista Della Porta. Op zijn reizen ontmoette deze Italiaanse geleerde een oude vrouw die de naam had hekserij te bedrijven. Zij vertelde hem van haar vliegzalf en bood hem aan te bewijzen dat deze echt werkte. Hij zag hoe zij deze zalf maakte en beschreef nauwgezet de ingrediënten. Zij ontkleedde zich en smeerde het mengsel over haar lichaam terwijl hij en een paar vrienden toekeken vanuit de duisternis. De vrouw viel in een diepe slaap, waaruit zij zelfs met slagen niet wakker gemaakt kon worden. Toen ze eindelijk wakker werd zei ze dat ze over zeeën en bergen had gereisd en mooie, jonge mannen had gezien. Dit verslag doet natuurlijk sterk denken aan de hierboven al genoemde gebeurtenissen bij Nider, Abramelin en Laguna. Vervolgens noemt hij de receptuur van de vliegzalf: ‘Ook al wordt er een heleboel bijgeloof in vermengd, toch is het duidelijk dat deze dingen kunnen resulteren van een natuurlijke kracht. Ik zal herhalen wat ze mij hebben gezegd. Door een zeker vet te koken in een koperen ketel, raken zij het water kwijt en bewaren het verdikte restant. Zij mengen dit met selderij, monnikskap, bladeren van de populier en roet. Of als alternatief: suikerwortel of grote watereppe (sium), kalmoes (acorus), vijfvingerkruid, het bloed van een vleermuis, nachtschade (solanum) en olie. Als zij andere substanties hierin vermengen dan verschillen deze weinig van de hiervoor genoemde. Dan wrijven zij de huid tot die rood en warm is en smeren zij alle delen van het lichaam in. Als het vlees ontspannen is en de poriën geopend wordt het vet of de olie toegevoegd, zodat de sappen dieper kunnen doordringen en sterker en actiever worden. Zo denken zij dat zij door de lucht vliegen op maanbeschenen nachten naar banketten, muziek, dansfeesten en de omhelzing van jonge mannen naar hun keuze.’ (25) De ingrediënten zijn bijna dezelfde als die van Cardano, maar zijn voldoende verschillend om er zeker van te zijn dat Della Porta niet slechts het recept van Cardano heeft overgenomen. Baldung Grien – Heksensabbat 1514 De Nederlandse arts Johan Wier herhaalt in zijn boek ‘over de begoocheling der demonen’ uit 1563 de recepten van Cardanus en Della Porta, maar voegt er dan nog een derde originele aan toe. Deze gaat als volgt: ‘Neem de zaden van dolik, bilzekruid, scheerling, rode en zwarte papaver, sla en postelein – vier delen elk – en één deel van de bessen van de wolfskers, maak hiervan een olie.’ (26) Na het recept van Wier (ook bekend als Weyer) is er geen nieuw recept meer te vinden in de bronnen, alleen herhalingen van hetzelfde recept (meestal die van Porta). Het gebruik van een zalf om te kunnen ‘vliegen’ zal echter in de heksenprocessen van de zestiende en zeventiende eeuw nog vele malen worden herhaald. Hallucinogene werking In de bovenstaande verslagen en recepten voert de demonologie niet de boventoon. De recepten van Cardano en Paracelsus bevatten nog wel het kindervet, maar de anderen slaan dit over en alleen Paracelsus noemt de duivel. Het lijkt erop dat deze geleerden er van uit gaan dat het de bestanddelen van de zalf zijn die er voor zorgen dat de heks een vliegsensatie heeft. Kruiden zoals bilzekruid, wolfskers en monnikskap bevatten hallucinogene bestanddelen zoals atropine, scopolamine en hyoscamine. Een recept met dergelijke kruiden maakt de kans op een vliegsensatie natuurlijk een stuk hoger. Dat wil niet zeggen dat hallucinogenen onmisbaar waren om te kunnen ‘vliegen’. Ik stel mij voor dat ervaren heksen door hun regelmatige oefeningen in bewustzijn en trance deze zalf niet nodig hadden. Onervaren heksen kregen met deze extra bestanddelen een duwtje in de rug. (27) Dit bleef echter altijd gevaarlijk. Er zijn vele anekdotes over heksen die halverwege van de bezem vielen of in de wijnkelder of op de sabbat de juiste spreuk om terug te gaan niet meer wisten. Anders gezegd: ze wisten de weg naar hun lichaam niet meer en werden gek of gingen zelfs dood. Hans Weiditz – Hexe im ihren Garten 1518 Mogelijk hadden de kruiden in de zalf niet alleen maar een hallucinogene werking, maar ook een magisch beschermende werking. Dit zien we o.a. in de naam van de kruiden uit de nachtschadefamilie. Nachtschade betekent nachtschaduw en wordt gezien als de belichaming van een toverkracht bezittende figuur, die de macht bezat boze geesten en nachtmerries te lijf te gaan. (28) De schaduw wordt vaak gebruikt als een synoniem voor de ‘dubbel’ of het alter ego. Dit kan je zien als je beschermende geestwezen dat opgeroepen wordt door de nachtschadeplanten te gebruiken. Dit is jouw alter ego dat je in je droom en slaap beschermt tegen kwade invloeden. Ook de selderij beschermt tijdens nachtelijke tochten en wel tegen de geesten van de Wilde Jacht. Het vijfvingerkruid zou weer – samen met brandnetel – ervoor zorgen dat je niet bang bent voor geesten. Zo heeft bijna elk kruid uit het ‘unguentum Lamiarum wel een werking die kan helpen om een trancereis heelhuids te doorstaan. (29) Laguna, Cardano en Della Porta benadrukken dat de vliegervaring slechts een droom is. De grote gelijkenis met de slaapverwekkende ‘unguentum populeum’ maakt dit een logische gevolgtrekking. De zalf zorgt ervoor dat de heks in een diepe slaap komt, waarbij haar droom dusdanig intensief wordt beleefd dat zij voor haar reëel is. Toch kan het hier ook gaan om een lucide droom of een bewust opgewekte extatische ervaring. Conclusie Ulrich Molitor 1489 Het lijkt er sterk op dat de ingrediënten van de demonologische zalf (lijkjes, beenderen, slangen, padden) voornamelijk gekozen waren om afschuw te wekken bij de mensen. De kans dat een dergelijke zalf werkelijk gebruikt is, is uiterst klein. Er is een veel grotere kans dat het unguentum Lamiarum door heksen gebruikt is. De hallucinogene kruiden in de zalf konden dat extra zetje geven voor de heks om uit haar lichaam te gaan en in de geest te kunnen reizen. Tegelijkertijd gaven de kruiden ook nog enige bescherming. Toch is voor mij het unguentum Pharelis de ware en meest oorspronkelijke heksenzalf. Bij deze zalf is de functie van de kruiden puur magisch-sympathetisch en beschermend. Geen van de kruiden zijn hallucinogeen. De heks zal op eigen kracht in extase moeten komen! Pharel kan bijna niemand anders zijn dan Pharaildis/Herodias. Zij is de leidster van het geestenleger dat – volgens de middeleeuwse bronnen – rondreist in de nacht. Door haar aan te roepen en de zeven kruiden van de zeven planeten/dagen te gebruiken is er bescherming en begeleiding voor het alter ego van de heks op haar pad door de lucht naar het einddoel. Dat doel kan de Venusberg of de heksensabbat zijn geweest, of anders puur het gezelschap van de godin en haar gevolg zelf. Zo vond de heks een bron van innerlijke wijsheid en een – zij het tijdelijke – staat van paradijselijke gelukzaligheid. De heksen namen zelfs het risico van vervolging voor lief om die ervaring bewust te mogen meemaken. Abe van der Veen Noten: lees ook mijn andere artikel over heksenzalf waarin het Nederlandse recept uitvoerig wordt behandeld: http://www.abedeverteller.nl/heksenzalf/ 1) Lecouteux – Witches, werewolves and fairies  84 2) Lecouteux 86 3) Lecouteux 87ev, zie ook mijn andere artikel http://www.abedeverteller.nl/heidense-godinnen-in-middeleeuws-europa/ 4) Vooral in het boek Ecstasies van Carlo Ginzburg zijn hiervan vele voorbeelden te vinden. Ik hoop hier edd een artikel over te schrijven. Zie ook mijn artikel: http://www.abedeverteller.nl/heidense-godinnen-in-middeleeuws-europa/ 5) Apuleius – The golden ass (Metamorphosen) in Daniel Ogden – Magic, witchcraft and ghosts in the Greek and Roman worlds 143 Het wordt vaak gesuggereerd dat vliegenzwam in de zalf is verwerkt, maar daar zijn nooit concrete aanwijzingen voor gevonden. Lemaire – Godenspijs of duivelsbrood 97 6) ‘there was found also a boxe, and within it an ointment, wherewith she used to besmear or grease a certain piece of wood called coultree, which, being thus anointed, the said Alice, with her complices, could ride and gallop upon the said coultree whithersoever they would, all the world over, through thick and thin, without either hurt or hindrance.” Crofton Croker – Research in the south of Ireland 92 uit Camden – Britannia 7) Andere vroege voorbeelden van een zalf om te vliegen of te transformeren, maar zonder ingrediënten zijn de volgende: In het vroeg vijftiende-eeuwse boek ‘Errores Valdensium’ wordt gezegd dat de Waldenzen (toen ook gebruikt als naam voor heksen) naar hun vergaderingen vlogen op een staf die ingesmeerd was met een magische zalf.  (Russell, J.B. – Witchcraft in the middle ages 216, 219) In 1426 wordt de genezeres Finicella in Rome opgepakt o.a. op verdenking van kindermoord. Zij kon zich met behulp van een zalf veranderen in een kat. Helaas horen we niets over de bestanddelen van de zalf. 8) Hatsis, Thomas – The witches ointment 21-23 Ginzburg – Ecstasies 299 9) Hatsis 172-173 Russell noemt in zijn ‘Witchcraft in the middle ages’ nog een gruwelrecept op p. 240 10) Krämer en Sprenger – Malleus Maleficarum ed. Montague Summers 239-240 11) Otten, Johan – Duivelskwartier 129 Veen, Abe van der – Dansen als katten, bijten als wolven 12) De enige pad met een hallucinogene werking indien gerookt is de Bufo Alvarius. Deze komt niet voor in Europa. Het heeft ervan dat Europese padden wel giftig kunnen zijn, maar niet genoeg bufotenine bevatten om een effect te bewerkstelligen. https://erowid.org/animals/toads/ Hatsis 110 https://www.thenakedscientists.com/articles/features/tripping-over-psychoactive-toads 13)  The Book of the Sacred Magic of Abramelin The Mage The First Book of Holy Magic, Chapter VI http://www.sacred-texts.com/grim/abr/abr012.ht Matsis 137-138 14) Nider, Formicarius bk.2 cap.4 in: Matsis 144-147 15) Matsis 150-151 Ginzburg – Benandanti p. 42 http://tanadellupo.altervista.org/alterpages/files/SchulkeDanielA.-Veneficium.pdf There are women who we call maleficae in Spain who say that with an ointment and certain conjurations they are carried to distant places where there are assemblies and enjoy all kinds of pleasure. But this is an error, and has been found by their falling into a stupor, insensible to blows and fire, and on awaking in a few hours relating where they have been and what they have seen and done. 16) Das puch aller verpoten kunst, ungelaubens und der zaubrey –  Johannes Hartlieb 1456 http://occultcenter.com/2009/06/download_15_century_manuscript_of_book_of_all_forbidden_arts/ 17) Bächtold – Staubli – Händworterbuch des Deutschen Aberglaubens op het lemma ‘Pharaildis’ Lecouteux, C. – Phantom armies of the night 10 Ginzburg, C. – Ecstasies 90 Het valt in de tekst van Hartlieb op dat de zaterdag wordt overgeslagen. In het vroeg negentiende-eeuwse boek ‘Aberglaube des mittelalters’ van Heinrich Schindler is hetzelfde recept te vinden. Daar wordt het expliciet heksenzalf genoemd. Hij noemt voor zaterdag als plant de heliotropum europaeum oftewel ‘zonnewende’ de zondag heeft niet de goudsbloem maar het bilzekruid en als extra kruiden noemt hij wolfskers en monnikskap. Deze laatste drie zijn direct ook de meest hallucinogene en giftige planten in het rijtje. 18) Braekman, W. – Witte en zwarte magie http://www.dbnl.org/tekst/brae003midd01_01/brae003midd01_01_0006.php 19) Lobelius – Cruydtboeck  631 20) Holda betekent vriendelijk en welwillend. De holden zijn te zien als de welwillende, vriendelijke geesten van extatici. Dezen werden gedemoniseerd tot unholden en later tot heksen waardoor alle mogelijkheid tot goed doen verdwenen was. (Te vergelijken met de benandanti vs de malandanti) https://en.wikipedia.org/wiki/Holda 21) „Kazenschmalz, wolfsschmalz, eselsmilch und dergleichen.” “Salben auß Fleisch junger Kindlein/ gleich einem Brey weich gekocht/ vnnd mit Schlaffbringenden Kräutern/ als da sind Mohn oder Ole [Papaver]/ Nachtschaden oder Jüdenkirschen [Solanum]/ Schirling oder Wützscherling vnd Mütterrlich etc. zurichten/ mit welcher/ wann sie sich gesalbet/ vnd gesprochen haben diese Wort. Oben auß vnnd nirgendt an/ so flichen sie so bald zum Schornstein/ oder durch ente Löcher der Fenster oder Wände hinauß/ durch hülffe deß Teuffels.“ https://core.ac.uk/download/pdf/16427155.pdf Elena Priess – Das traummotiv im hexenflug p.95 22) Dit is de fameuze ‘Onguentum Populeum’ van Nicolas de Myrepse, een Byzantijnse farmacoloog uit de 13de eeuw. Deze populierzalf is van toen af tot ver in de 20ste eeuw een gereputeerd middel geweest, dat in alle apothekersboeken uitvoerig besproken werd. Het originele recept van de Myrepse uit zijn werk ‘Onguents’ zag er als volgt uit: ‘Neem de ‘ogen’, de knoppen, die verschijnen op het moment van de bloei uit de toppen van de populier, de bladeren van de Slaapbol, de Mandragora, de braam, het bilzekruid, solanum, sla, sedum, viooltjes en nombril de Venus, van elk 3 onces en meng alles door 3 livres (pond) varkensvet (reuzel). Mix alles fijn in een vijzel tot een pâte. Laat 8 dagen staan, kook het samen met 1 liter wijn op een zacht vuur totdat de wijn verdampt is. Sidky – Witchcraft, lycanthropy 193 23) Hatsis 188-189 https://www.amazon.com/Albrecht-Durer-Riding-Backwards-Giclee/dp/B00IT1B092 Ook van een andere gravure van Dürer: ‘Vier heksen’ uit 1497 wordt beweerd dat er een psychotrope plant op staat afgebeeld. Hier zou in het midden helemaal bovenin een vrucht van de alruinswortel zijn afgebeeld. http://collections.vam.ac.uk/item/O728545/the-four-witches-engraving-durer-albrecht/ 24) Hatsis 189 Piomelli en Pollio – A Study in Renaissance Psychotropic Plant Ointments 249 ‘We speak now of the witches’ ointment (Lamiarum unguentum) , which makes one see wonderful things, which are not real but appear to be so. It is composed, they say, of the fat of children seized from their tombs, of the juice of celery, of aconite, of cinquefoil, of nightshade and soot. But although they are thought to be asleep, they see these things: theatres, gardens, banquets, decorations, clothes, beautiful young men, kings, magistrates, and also demons, ravens, prisons, solitudes, tortures’. 25) Deze is erg bekend geworden omdat de pseudo-historica Margaret Murray deze zalf noemde in de appendix van haar boek ‘the God of the witches’. Giovan Battista Della Porta. From De Miraculis Rerum Naturalium, Book II, Chapter XXVI (1558 AD) Lamiarum Unguenta (Witches Unguent): “Although they mix in a great deal of superstition, it is apparent nonetheless to the observer that these things can result from a natural force. I shall repeat what I have been told by them. By boiling (a certain fat) in a copper vessel, they get rid of its water, thickening what is left after boiling and remains last. Then they store it, and afterwards boil it again before use: with this, they mix celery, aconite, poplar leaves and soot. Or, in alternative: sium, acorus, cinquefoil, the blood of a bat, nightshade (Solanum) and oil; and if they mix in other substances they don’t differ from these very much. Then they smear all the parts of the body, first rubbing them to make them ruddy and warm and to rarify whatever had been condensed because of cold. When the flesh is relaxed and the pores opened up, they add the fat (or the oil that is substituted for it) – so that the power of the juices can penetrate further and become stronger and more active, no doubt. And so they think that they are borne through the air on a moonlit night to banquets, music, dances and the embrace of handsome young men of their choice.” 26) Matsis 190 Weyer – On Witchcraft 115 27) Lecouteux 88 28) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/nachtschade 29)  Nachtschade (Cardano, Laguna, Della Porta, Wier): De naam ‘Nachtschade is reeds zeer oud, want in de middeleeuwen heette zij reeds Nachtschaduwe en in het Oudhoogduits nahtscato, want men meende dat de plant de belichaming van een demon was, die een gevaarlijke duivelse macht bezat. Men hield het kruid voor de belichaming van een toverkracht bezittende figuur, die de macht bezat boze geesten en nachtmerries te lijf te gaan. In het Duits heet deze soort Nachtschatten en deze naam is terug te voeren op een oude aanwending tegen Nachtschatten of nachtmerries. De zeer giftige plant, vooral de solanum-soorten met zwarte bessen wekten de indruk van het angstwekkende zoals die ook de duisternis van de nacht opwekt; ohd. mv. nahtscata betekent de nachtelijke duisternis en werd dan ook gebruikt voor dieren als de nachtzwaluw en de nachtvlinder (vgl. ook nde. natskade ‘geitemelker’ en nzw. nattskata ‘vleermuis’ http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/nachtschade Hoogst interessant hierbij is het dat dit allemaal heksendieren betreft waarvan de mare ging dat de heks haar dubbel kon uitsturen in de vorm van de vlinder, vleermuis of zwaluw. De bijnaam ‘geitenmelker’ kreeg het dier omdat het stiekem in de nacht de melk stal bij de geit van de buren. De kans is groot dat hier de heks in de vorm van een dier werd bedoeld. Het is hier de vraag om welke nachtschade het gaat. Deze familie is erg groot en kent een aantal kruiden met een hallucinogene werking waaronder: Doornappel, wolfskers, bilzekruid en mogelijk zwarte nachtschade (solanum nigrum) Gevlekte scheerling (Paracelsus, Laguna en Wier) Dit kruid heet ook wel dolle kervel en is zeer giftig. De gifbeker van Socrates zou scheerling hebben bevat. In Tirol werden heksen op de vlucht gejaagd met bossen brandende scheerling, rozemarijn en sleedoorn. Blöte-Obbes – Boom en struik in bos en veld 156 Doornappel (Laguna): Volgens een sage uit Brandenburg was het ooit de ‘boom der kennis’. De duivelse slang spoot er haar gif op en de boom kromp in tot de doornappel, sindsdien is de appel uit de boom der kennis een giftige doornappel geworden. Blöte-Obbes 227 Deze sage is des te opmerkelijker als we weten dat de boom der kennis ook soms als een vliegenzwam wordt afgebeeld. Planten die erbij helpen uit het lichaam te treden geven dus kennis van ‘goed en kwaad’. Of beter gezegd kennis van het bestaan van verschillende bewustzijnstoestanden. Bilzenkruid (hyoscamus niger) (Laguna): Dit kruid wordt ook wel dolkruid en slaapkruid genoemd zou gewijd zijn aan Bile of Bel de Keltische dodengod (Blöte-Obbes 222) Men kan demonen aanroepen door een figuur te schilderen met het sap van deze plant. In de elfde eeuw werd er in Hessen weermagie mee bedreven. Een naakt meisje moest het kruid met haar rechterhand uittrekken en aan haar rechtervoet vastbinden. Dit ‘regenmeisje’ werd met water besprenkeld onder het zingen van bezweringen. In 1538 dwong een vrouw uit Pomeren een man om haar na te lopen door aarde uit een graf, bilzenkruid, zout en schaamhaar in zijn schoen te strooien. (De Cleene en Lejeune – Compendium van rituele planten 214) Zo zijn er nog veel meer magische handelingen met bilzenkruid te noemen.. Wolfskers (atropa belladonna) (Wier): Dit kruid wordt ook wel dolkruid genoemd. Zij is genoemd naar de Griekse schikgodin Atropos. Zij is de onafwendbare de donkere godin die de levensdraad doorknipt. Bella donna staat juist voor mooie vrouw en de plant zou deze naam gekregen  hebben omdat met het sap van wolfskers vrouwen zichzelf mooie ogen probeerden te geven. Het verwijd namelijk de pupillen van de ogen. Monnikskap (aconitum napellus) (Cardano en Paracelsus): Dit kruid – in het Engels wolfsbane – is ontstaan uit het spuug uit de mond van de hellehond Cerberos toen dat op de grond drupte toen Hercules hem uit de onderwereld bracht als één van zijn werken. Medea brouwde er haar gifdranken mee. Bij de Germanen heet hij Thor’s helm en later ‘trollenhoed’. De extreme giftigheid leest men uit de anekdote over de vergiftiging van Claudius. Julia Agripinna wou haar zoon Nero op de troon krijgen. Zij vergiftigde daarom keizer Claudius door zijn ganzenveer in te smeren met monnikskap. Hij gebruikte deze namelijk om zijn huig te kietelen om over te geven (ws. om verder te kunnen zwelgen tijdens een orgie, maar misschien had hij gewoon een gevoelige maag). Papaver/ slaapbol (Wier en Paracelsus) (Papaver somniferum): Gewijd aan Hypnos en Morpheus goden van de slaap en de dromen. Het sap van de zaaddozen (de opium) zag men als de tranen van de godin. Het gaf troost. Ook Ceres/Demeter zou getroost zijn door de slaapbol en hield de papaver samen met het koren op afbeeldingen in haar hand. De papaver was het zinnebeeld van de slaap. Paracelsus gebruikte de papaver ook voor in de Laudanum, het roemruchte verdovende en pijnstillende middel. (Blöte-Obbes 97, De Cleene en Lejeune 863) Selderij (Cardano, Della Porta): was in de antieke tijd gewijd aan Hades/Pluto en heeft een associatie met de dood. Wie de Wilde jacht had aanschouwd zou blind of zelfs dood kunnen gaan, maar als je de mannen van de wilde jacht om selderij vroeg zou dat risico worden opgeheven. (De Cleene en Lejeune 972) Vijfvingerkruid (Cardano, Della Porta): Rembert Dodoens zegt over dit kruid: Degene die brandnetelen over hem draagt met wat bladeren van vijfvingerkruid die zal vrij zijn van alle geesten en verschijnselen die de mensen plegen bang te maken, want zij benemen de mens alle vrees. Het was ontstaan uit de hand van het monster Grendel toen Beowulf die in de grond stak. Verder wijst het kruid de weg. (Blöte-Obbes 116, De Cleene en Lejeune 221) Populier (Della Porta): Zowel de zwarte als de witte populier worden geassocieerd met de dood en de onderwereld. De zwarte populier was gewijd aan Hades de god van de onderwereld en de witte abeel aan Persephone, zijn koningin. De zwarte populier was door Hades bij de ingang van de grot naar de onderwereld geplant. Hij stond voor dood, wanhoop en treurnis. De witte populier stond aan de oevers van de onderwereldrivier, de Acheron.  Deze stond voor hoop, moed en wedergeboorte. Bij spelen ter ere van Hercules droegen de winnaars een krans van populierenblad als teken van hun moed. Toch blijft ook hier de associatie met de dood. Het is een teken van de moed die nodig is om de dood te trotseren, zoals ooit Hercules de dood trotseerde door de onderwereld in te gaan om terug te komen met de hellehond Cerberos. Dolik (Wier) is een raaigras met een narcotisch werkende stof die tot vergiftiging kan leiden. Het wordt ook duivelskoren genoemd. Bij de Grote Watereppe, Kalmoes, Sla en Postelein heb ik geen rituele of symbolische werking gevonden. https://escholarship.org/content/qt5w93d8tm/qt5w93d8tm.pdf https://www.whitedragon.org.uk/articles/ointment.htm http://tanadellupo.altervista.org/alterpages/files/SchulkeDanielA.-Veneficium.pdf    

De heidense Christus

vrijdag 30 maart 2018 14:01

Als christenen vertellen over hun geloof komt al gauw de zin naar voren: Jezus Christus is gestorven aan het kruis voor onze zonden. Of iets specifieker: God liet Jezus geboren worden als een verzoening voor de zonden van de mensheid. Ik heb de betekenis van deze zin nooit begrepen, elke uitleg sloeg bij mij dood, niet toen ik nog christelijk was (tot mijn vijftiende) en later nog steeds niet. Toch bleef dat beeld van een stervende man aan een kruis intrigeren. Hier mijn poging om vanuit mijn huidige heidense en esoterische inslag een beetje inzicht op te doen over het lijdensverhaal van Jezus Christus. (1) Matthias Grünewald – Isenheimer altaar 1512 Jezus in de traditie van vegetatiegoden uit het nabije oosten Voor mij is Jezus net als Osiris, Attis, Adonis, Balder en Odin een mythische figuur die staat voor een energetisch proces dat op microniveau herhaalbaar is. Wat de godheid doet kunnen wij mensen  doen in het klein. Hij geeft het goede voorbeeld. Net als de meeste van voornoemde heidense goden begon Jezus als een gewoon mens die gedoemd was om op een tragische manier dood te gaan. Hij was wel een bijzonder mens met de gave om te genezen, wonderen te doen en prachtige, wijze verhalen te vertellen. (2) Wat ik mij voor kan stellen is dat hij mensen heelde door middel van extreme empathie. Dat deed hij door dusdanig open te staan dat hij een kanaal vormde voor ieder die ziek en zwak was om zijn energetisch systeem te doen zuiveren van vuile, opgehoopte en vastzittende energie. Hij genas de mensen van zonde. Waarbij ik zonde interpreteer als lekkages en blokkades in het energetische systeem, waardoor de energie niet goed kan stromen. (3) Uit mededogen nam Jezus de zonden (lees; vuile of geblokkeerde energie) op van de mensen die niet bewust genoeg waren om te weten wat ze deden. Hij liet het door zich heen stromen en zuiverde het. Hij was een kanaal waardoor die energie terug kon stromen naar de kosmos, hemel of aarde. Mogelijk gaf hij hun er tegelijk ook nieuwe kosmische energie voor terug. Vervolgens duwde hij ze terug in hun centrum. Dit is te vergelijken met datgene wat vele alternatieve genezers nog steeds doen. Zo kleedde hij ze in een nieuw energetisch lichaam, alsof ze herboren waren! Het zal voor hem een grote frustratie zijn geweest om te merken dat de taak om de mensen om hem heen te genezen onbegonnen werk was. Er kwamen er alleen maar meer bij en diegenen die zijn kracht hadden gevoeld of door hem waren genezen bleven rondom hem hangen als bijen rondom de honing. Zij wilden in zijn krachtcentrum blijven verkeren – afhankelijk blijven van zijn energie – in plaats van op zichzelf te staan. Dit was een doodlopende weg, hij werd gek van de massa’s die hem telkens weer nodig hadden. Het zelfoffer van de lente Carlo Crivelli 15e E Aan de voet van het kruis ligt de schedel van Adam waar Jezus’ bloed op drupt. Toen deed hij – in de traditie van de grote vegetatiegoden – een ultieme poging om toch de mensheid te genezen van zijn of haar “zonden”. Jezus doet het ultieme zelfoffer en geeft zijn leven voor het grotere goed. Hij hangt aan het kruis en is daardoor compleet in zijn centrum. (Het kruis kan je zien als een symbool van het centrum in jezelf.) Dit persoonlijke centrum wordt weer exact geplaatst in het centrum/middelpunt van de wereld. (Jeruzalem wordt in de traditie gezien als het middelpunt van de wereld). De plek van kruisiging heet Golgotha – de schedelplaats – vernoemd naar de schedel van Adam die juist daar zou liggen. (4) Dit maakt de plek van kruisiging naast het middelpunt, ook het beginpunt van alles. Op deze ideale plek en tijd maakte hij zijn centrum open tot een groot gat waar de energie van iedereen doorheen kon gaan. Hij maakte zichzelf tot een vortex, een poort naar de Andere wereld, en breidde dat uit tot iedereen in de verre omtrek zijn krachtveld voelde. Op het moment van zijn dood waren de grenzen tussen de twee werelden – tijdelijk – opgeheven. Het werd donker overdag, doden mengden zich onder de levenden en de voorhang in de tempel – de grens tussen sacraal en profaan – scheurde. (5) Niet slechts individuele pijn, trauma’s en ellende werden hierdoor opgenomen, maar de hele pijn van de mensheid nam hij op en hij stuurde het door naar de andere dimensie. Zijn hangen en sterven betekent het opnemen en doorzenden van alle “zonden”; alle onverwerkte pijn van alle mensen. Een groter lijden is niet mogelijk. Hij schreeuwt en geeft de geest. Hij heeft zijn doel bereikt, ‘het is volbracht’! Natuurlijk is dit een mythisch verhaal, maar er zit ook een historische component aan dit verhaal. De historische Jezus heeft dit mogelijk werkelijk geprobeerd. Zijn poging om de mensheid te verlossen van zijn ‘zonden’ zou gevoeld zijn in heel Palestina en extra gevoelige en verlichte mensen zoals de druïden in Ierland en de yogi’s in India hebben zijn poging wellicht ook gemerkt. Dat wordt in ieder geval beweert in diverse legenden. (6) Een unieke gebeurtenis? Maakt deze poging hem tot onderdeel van de unieke en enige Godheid, die als drie-eenheid aanbeden moet worden? Ja en nee: je kan Jezus zien als een perfect uitgebalanceerd energetisch systeem en daarmee zou je hem goddelijk kunnen noemen. Bidden tot Jezus, als een vorm van focus en concentratie op zijn zelfoffer kan nuttig zijn. Echter het blijft zeer belangrijk om je voor ogen te houden, dat jij op microniveau kan doen wat Jezus tweeduizend jaar geleden deed en dat de gebeurtenis daarmee niet uniek, maar universeel is. Wij zijn allemaal in staat om in ons centrum te staan, de energie door ons centrum te laten stromen – ook als dat pijnlijk of taboe is – om zo een bemiddelaar te zijn tussen hemel en aarde. Wie open staat en zijn energie laat stromen kan een lentebrenger worden. Iemand die straalt en een krachtplek is, waardoor alles en ieder om hem of haar heen kan opbloeien. Rubens – Ecce homo 17e eeuw Verder is het belangrijk te erkennen dat zijn daad ook op macroniveau niet uniek is, maar voorgangers, navolgers en zelfs tijdgenoten had o.a. in de vorm van de vegetatiegoden Attis, Adonis, Osiris en Balder. Ook zij waren de ‘Christos’, de gezalfden, die daarmee door de priesteres (bij Jezus was dit misschien wel Maria Magdalena die hem zalfde) klaar werden gemaakt voor het ultieme offer. Jezus is zo te zien is als een soort van ‘sacrale koning’ die door middel van een zelfoffer een dood- en wedergeboorte meemaakt. Hij wordt koning van de Joden genoemd en zo wordt hij ook aangekleed. De soldaten deden hem een scharlakenrode mantel om en ze zetten een kroon van doorntakken op zijn hoofd. Verder gaven ze hem een rietstok in zijn rechterhand en vielen voor hem op de knieën. (7) Dit wordt vaak geïnterpreteerd als een spotternij voor zijn wereldse ambities, maar Jezus wou geen werelds heerser of koning van de Joden worden en ontkende dat in alle toonaarden. De vegetatiegod begon in de mythe zijn leven als een sterfelijk mens, maar werd jaarlijks ook door een mens gepersonificeerd om zo het offer op zich te nemen. Deze ‘groene’ man nam de oude, trage energie van het afgelopen jaar op zich om het door zich heen te laten gaan en zich als offer te laten doden. Dat is het verhaal van Narcissus, Hyacinthos, Attis en Adonis die uit hun offerbloed de lente en zijn bloemen deden ontspruiten. Jezus stierf – en werd wedergeboren – niet voor niets juist in het begin van de lente. Jezus hoort bij deze oude, heidense en zeer rijke traditie. Het oorspronkelijke christendom heeft op deze wijze haar wortels in het natuurreligieuze heidendom. 1 Dit is een speculatief en persoonlijk stuk bedoeld voor inspiratie niet als een historisch of wetenschappelijk verhaal. Er is ontzettend veel onzeker over de werkelijke gebeurtenissen rondom de historische Jezus. Al wat mij rest is speculeren om er een voor mezelf bevredigend verhaal uit te halen. Het is een bewerking van een stuk dat ik al iets van acht jaar geleden heb geschreven. 2 De zeitgeist documentaires zijn de bekendste exponenten van deze these. Arthur Drews – The christ myth The Symbolism of Easter According to Joseph Campbell 3 Dit betekent niet dat ziekte iemands eigen schuld is. 4 https://renner.org/golgotha-place-of-the-skull/ 5 Mattheüs 27: 50-53 http://www.online-bijbel.nl/bijbelboek/Mattheus/27/33-56 6 http://www.maryjones.us/ctexts/conchobar3.html https://en.wikipedia.org/wiki/Unknown_years_of_Jesus 7 Mattheüs 27:29 en 37, Johannes 19: 2-5 Frazer – The golden Bough Ook de drie Maria’s die aan het kruis stonden – Maria zijn moeder, Maria van Magdala en Maria de moeder van Jakobus en Jozef (plus Salomé) – kunnen een heidens element zijn. Zij doen sterk denken aan drievoudige godinnen, zoals de Parcen of andere schikgodinnen of anders de Matronen. Overbekend zijn de claims dat Maria van Magdala eigenlijk de geliefde van Jezus is en mogelijk een heidens priesteres. Zij is ook de eerste die de herrezen Jezus ziet, maar zij denkt dat zij met de tuinman van doen heeft.

Heidense godinnen in middeleeuws Europa

vrijdag 16 februari 2018 14:52

Vanaf de instelling van het christendom als enige geautoriseerde godsdienst van de Romeinse staat door keizer Theodosius in 380 AD, verdween het geloof in de heidense goden langzaam, maar zeker uit de Europese samenleving. (1) In de landen die het christendom hadden aangenomen werden andere goden niet getolereerd. Het is daarom erg opmerkelijk om getuigenissen te vinden van het voortbestaan van het geloof in godinnen in Italië, Duitsland, Frankrijk en Engeland gedurende de hele middeleeuwen en later. We vinden ze vooral in boeteboeken, exempels en in bepaalde heksenprocessen. Het wordt in deze bronnen dan wel veroordeeld, maar het is er wel degelijk! Terwijl de grote meerderheid van het gewone volk zich al heeft aangepast aan de wil van de machthebbers en gehoorzaam geloofd aan de drie-eenheid van God de vader, God de zoon en God de heilige geest blijven er tot in de zeventiende eeuw aan toe berichten verschijnen van mensen die niet alleen in een Godin geloven, maar ook met haar mee reizen of in haar gezelschap verkeren! Deze mensen (meestal vrouwen) hoorden dan bij de ‘bonae res’ (de goede dingen), of de ‘(un)hulden’ of de nachtvrouwen, later werden zij vaak heksen genoemd. Een moderne benaming zou extatici zijn, omdat zij de gave bezaten om uit het lichaam te treden en in de geest te reizen. Vaak waren dergelijke mensen in het dagelijkse leven bezig met magische kunsten: zoals onder andere: voorspellen, genezen en verloren en gestolen goed terugvinden. Hieronder geef ik een kort verslag van de belangrijkste bronnen over dit soort mensen en hun godinnen. Daarna geef ik een interpretatie van enkele aspecten van hun geloof en hun gebruiken. Canon Episcopi: rijden met Diana Lyon 1300 Vrouw rijdt op een geit met in haar hand een paddenstoel Zij worden het eerst genoemd in een beroemde Latijnse tekst; de Canon Episcopi. Deze vinden we het eerst in 872 maar kan ook vele jaren ouder zijn. In de versie van Regino van Prüm uit 899 gaat hij – ingekort en vertaald – als volgt: ‘Zekere kwade vrouwen geloven dat zij in de nacht op zekere beesten rijden samen met Diana, godin van de heidenen, en een grote menigte van vrouwen, dat zij grote afstanden afleggen in het holst van de nacht, dat zij de geboden van de godin gehoorzamen alsof zij hun meesteres was, dat zij op bepaalde nachten worden geroepen om haar te bedienen.’ (2) In bekeringsverhalen uit de vijfde tot de achtste eeuw wordt Diana meerdere malen genoemd als de godin van de heidenen. Deze naam zou goed een latinisering kunnen zijn van een godin met een andere, inheemse naam. Dit werd wel vaker door de schrijvende elite gedaan. Wellicht werd gekozen voor Diana omdat zij de enige godin is die in de bijbel in het nieuwe testament wordt genoemd. In ieder geval worden in latere – op de Canon Episcopi gebaseerde – teksten nog veel meer godinnen genoemd, zowel Romeinse als inheemse. De namen die dan – naast Diana – opduiken zijn: Hera, Herodias/Herodiana, Pharaildis/Pharel, Noctiluca, Venus, Fortuna en de Parcen, Dame (H)abonde, Bensozia, Satia, Richella, Dame (H)oriente, Holda/Helt, Bertha/Percht, Selga/Selden/Selige Frauen en Sibilla. (3) Burchard van Worms: rijden met Herodias Pieter Brueghel 1565 Jacobus bij de Tovenaar (detail) Rond het jaar 1000 vertelt Burchard van Worms in zijn ‘Decretum’ vele bijzonderheden over deze vrouwen in het gevolg van Diana: De godin wordt ook Herodias genoemd en haar volk kent men als ‘Holda’. (In latere teksten is dit de naam van de Godin zelf en heet haar volk de ‘(un)holden’.) Deze vrouwen verlieten in de nacht hun huis door gesloten deuren en lieten hun slapende mannen achter. Dit deden zij door middel van ‘andere ledematen’ die door de duivel werden geleverd. Zij doodden, kookten en aten gedoopte mannen op, waarna zij hen weer schijnbaar tot leven lieten komen door ze te vullen met hout en stro. Zij zouden ook ’s nachts in de lucht gevechten houden waarbij zij wonden opdeden en ook wonden toebrachten. Burchard vertelt er niet bij waarom zij dit zo deden. (4) Jacques de Gheyn II 1608 Heksenkeuken (detail met rechts Diana en Herodias – die een schotel met hoofd draagt – aanwezig op een heksenvergadering) John van Salisbury lijkt hierop een aanvulling te geven wanneer hij in 1080 schrijft dat bepaalde vrouwen claimen dat er een Noctiluca (= schijnt bij nacht) of Herodias of een heksenmeester nachtelijke vergaderingen belegt. Zij vieren dan feest en voeren er andere riten op. Sommigen worden er gestraft en anderen beloont naar hun waarde. Verder worden er kinderen aan ‘lamia’s’ gepresenteerd, zij worden dan in stukken gesneden en opgegeten. Vervolgens – door de genade van de heksenmeester – worden zij levend en wel terug gebracht naar hun wiegen. Dit zou het vervolg kunnen zijn van de nachtelijke ronddolingen waarvan al sprake was in de ‘Canon Episcopi’. In deze vroege bron vinden we de kiem voor de beschrijving van de heksensabbat zo die gemeengoed wordt in de zestiende eeuw. (5) Urs Graf 1520 – Das wilde Heir Tegelijk heeft deze nachtelijke tocht veel overeenkomsten met de sage van de ‘Wilde Jacht’: Johannes Herolt uit Neurenberg noemt in 1418 het gevolg van Diana een ‘leger’. Dit woord betekent hier ‘menigte’ Dit maakt het een van de vroegste identificaties met de Wilde jacht of het wilde heir. Deze groep van dolende geesten wordt gezien tijdens de twaalf heilige nachten van de kersttijd. Herolt noemt Diana ook Berthe of Helt (Holda). Deze twee figuren komen ook in latere sagen voor als aanvoerders van de Wilde Jacht. (6)         Het dekken van de tafel voor de Godin Rubens – Abundia Hiernaast is er nog een ander gegeven wat steevast in verband wordt gebracht met de Godin: dit gaat om het geloof in een bezoek van de Godin en haar gevolg in de huizen op speciale tijden en vooral in de midwinterdagen. Op deze dagen dekt de familie ’s nachts opnieuw de tafel voor haar. Een eerste vermelding – in combinatie met een godin – vinden we bij Caesarius van Arles in 543 waarin hij verbiedt om op de eerste dag van januari een gedekte tafel klaar te zetten voor Fortuna of de ‘drie zusters’. Hij vertelt erbij dat men geloofde dat de Godin hen dit honderdvoudig zou belonen. Ook Burchard van Worms noemt dit gebruik om eten samen met drie messen achter te laten en zegt dat het voor de Parcen (de drie schikgodinnen) is. (7) In 1249 zegt de Fransman Willem van Auvergne dat Satia (dit betekent verzadiging) met haar gezelschap naar de huizen komt in de nacht. Zij wordt ook Dame Abonde genoemd vanwege de overvloed die zij geeft. Deze dames eten van het voedsel en de drank die zij vinden zonder hun kwantiteit te verminderen, vooral als de borden en bekers onbedekt gelaten zijn. Zij brengen dan overvloed en voorspoed aan het huis. Als zij ze bedekt vinden dan zullen de ‘dames’ juist ongeluk brengen. De Roman de la Rose uit ca. 1270 vertelt dat er mensen zijn die geloven dat zij een soort van heksen zijn (estries) die dwalen door de nacht met dame Abonde. Zij zeggen dat één op de drie kinderen deze conditie heeft en drie nachten in de week voortgaan, zij kunnen door elk gaatje gaan, hun ziel verlaat hun lichaam en zij vergezellen dan de ‘goede vrouwen’ naar andere plaatsen en huizen, terwijl hun lichaam in bed blijft. (8) Nog in de tweede helft van de zestiende eeuw wordt iets vergelijkbaars gezegd door Renward Cysat uit Lucerne (Zwitserland): ‘Het wordt gezegd dat de ‘salige lütt’ (zalige luiden) en de ‘guottisheer’ (ws. het wilde heir), bestaan uit zielen van mensen die voortijdig dood zijn gegaan en daarom moeten rond dolen tot de tijd die het lot eigenlijk voor hun dood had bepaald. Zij zijn vriendelijk en betreden de huizen om daar te koken en eten, maar de hoeveelheid voedsel vermindert niet. Sommigen denken dat levende mannen en vrouwen hen vergezellen en hun maaltijden delen om zo tot groter geluk te komen.’ Hij noemt in zijn relaas echter de godin niet meer. (9) De Godin Oriente Hans Weiditz 1518 – Hexe im ihren garten In een proces uit 1390 in Milaan bekennen twee vrouwen dat ze met Diana meegaan en dat ook zij bepaalde huizen binnen gaan, waar zij eten en drinken. Als het een proper huis is wordt het gezegend. De godin wordt door de ondervrager Diana of Herodias genoemd, maar uit hun getuigenissen blijkt dat ze Dame Oriente of Horiente heet. Als leden van het gezelschap leren zij van Oriente te genezen met kruiden en andere geneeswijzen, hoe gestolen dingen terug te vinden en hoe betoveringen ongedaan te maken. Ook kunnen ze met behulp van Oriente de toekomst en verborgen dingen voorspellen. Er behoorden ook dode mensen tot haar gezelschap; er waren gehangenen en onthoofden die mee gingen. Het is ook interessant te noemen dat het gezelschap van Dame Oriente dieren kon slachten en opeten om ze vervolgens weer tot leven te wekken. Dit deden ze door de beenderen te verzamelen in de huid van het geslachte dier. (10) Nog in 1525 vertelt een vrouw uit Tirol genaamd Wyprat Musin, dat ze tijdens de quatertemperdagen – bezinningsdagen die samenvallen met het begin van de vier seizoenen – een grote menigte zag met aan het hoofd vrouw Selga de zus van vrouw Venus.  Musin werd verplicht om mee te doen aan de processies van vrouw Selga. In die optocht liepen ook de zielen uit het vagevuur mee en zelfs de verdoemden uit de hel. Deze vrouw kon in een kom de mensen zien die dat jaar zouden sterven en vrouw Selga vertelde haar waar verborgen schatten lagen. Ook hier leert een vrouw de magische kunsten van een godin. (11) De Venusberg Vaak werden ontmoetingen met een dodenleger of een dodenoptocht door de clerici geassocieerd met het vagevuur. In de late middeleeuwen wordt het vagevuur een specifieke plaats. Een op aarde ronddolende ziel kon dus niet meer tegelijkertijd in het vagevuur zijn. (12) In die periode zien we voor het eerst het geloof in een Venusberg in de geschriften tevoorschijn komen: Nider noemt deze al vòòr 1437 in zijn Formicarius. Tussen 1440 en 1445 geeft Paus Pius II in een brief antwoord op de vraag of hij weet waar de Venusberg ligt. Hij zegt dat deze mogelijk te vinden is in een grot in de buurt van Todi (Italië). Hij had gehoord dat daar de magische kunsten geleerd worden. In 1544 schrijft Crusius Clerici uit Schwaben over vaganten (gesjeesde, rond zwervende studenten) die beweerden in de Venusberg te zijn geweest. Zij claimden dat zij hierdoor verleden en toekomst kenden, verloren voorwerpen terug konden vinden en bescherming konden brengen tegen hekserij en hagel. Ze konden ook de woeste heerschare van extatici, ongedoopte kinderen en mannen gestorven in de oorlog oproepen. Ze konden zelfs de prijzen van bepaalde producten doen stijgen. Dit bleven ze beweren in getuigenissen uit 1576 en 1600. Vervolgens beweerden leden van de Johannesbroederschap nog hetzelfde in 1694. Ze hadden de zielen van de doden gezien op de Venusberg. (13) August von Heck – Tannhäuser im Venusberg Ook de tovenaar Diel Bruell uit Hessen was in de geest op de Venusberg geweest, volgens zijn getuigenis uit 1630. Vrouw Holle had hem in een kom water zielen laten zien. Hij was een ‘nachtfahr’ (nachtrijder) en hij hoorde bij de nachtelijke schare. Als hij tijdens de quatertemper naar de Venusberg ging zou er dat jaar een overvloedige oogst zijn. (14) De Venusberg wordt door de kerk afgedaan als een fabel. Wellicht was het voor het gewone volk een alternatief voor het Vagevuur. Deze bronnen kunnen nog met tientallen andere voorbeelden worden aangevuld, maar om herhaling te voorkomen laat ik het hierbij. De nieuwsgierigen kunnen na de noten vele citaten en uittreksels lezen uit diverse primaire bronnen uit de vierde tot en met de zeventiende eeuw. Extatici Hans Baldung Grien 1514 – Vertrek voor de sabbat Voor degenen die nog geloofden in een Godin stond er veel op het spel. Als hun geloof en mogelijk aanbidding uitkwam dan kon dit de doodstraf wegens duivelaanbidding betekenen. Uit de bronnen kunnen we nu zien dat er één bepaalde categorie hardnekkig door bleef geloven. Dit is de groep die destijds heksen en tovenaars werden genoemd en die we nu extatici of magisch specialisten zouden noemen. Hiernaast moeten we ook de cliëntèle van deze mensen noemen. Deze werden niet snel voor het gerecht gebracht, maar zondigden wel in sterke mate. Dat zij uit hun lichaam konden treden blijkt op diverse manieren uit de teksten. Burchard zegt dat zij met ‘andere ledematen’ konden reizen. Tegenwoordig wordt dit het ‘dubbel’ of het alter ego genoemd. (15) Zo konden zij door gesloten deuren gaan of door kieren en sleutelgaten naar buiten gaan. Fysiek is dit onmogelijk, zij deden dit derhalve in de geest. Deze groep wordt als behoorlijk groot verondersteld: De Roman de la Rose heeft het over één op de drie kinderen die dwalen met Habonde en een twaalfde-eeuwse tekst beweert dat één op de drie mensen dienaren zijn van Herodias. (16) Ook al zou dit schromelijk overdreven zijn dan nog bewijst dit een continuïteit in de beoefening van extasetechnieken door een substantiële groep. De belangrijkste reden voor hun hardnekkigheid zou er in kunnen liggen dat zij meenden dat zij de kunsten – waar zij voor hun bestaan van afhankelijk waren – alleen konden leren van de Godin. En deze konden zij alleen ontmoeten door in extase te gaan. De teksten spreken ervan dat zij van de Godin leerden om de toekomst te voorspellen, zielen in het vagevuur te zien, te genezen met kruiden en konden helpen met het vinden van gestolen en verloren voorwerpen. Dit zijn stuk voor stuk taken die een bepaalde mate van inzicht vereisen in de geestelijke wereld die alleen via extase of trance te bereiken valt. Eten en drinken zonder de voorraad te doen slinken Baldung Grien 1510 – Heksensabbat Mogelijk was er dan nog een verborgen zwart magisch belang. Door mee te gaan konden zij delen in de energetische buit van het ‘opeten’ van eten, drank/ wijn, dieren, mannen en kinderen. Elke keer wordt bij dit gebeuren benadrukt dat dit eten niet betekende dat het voedsel werkelijk verdwenen was of dat het dier of de mens werkelijk dood was. De volgende ochtend was het peil in de wijnvaten niet gezakt en de gedode mensen stonden levend en wel weer op. Dit lijkt een paradox, maar het eten in de geest zal eerder gaan om het opnemen van de ‘essentie’, van de ‘levenskracht’ of de energie van het geofferde of van de levende ziel. Dit lijkt zeker in eerste blik op vampirisme en zwarte magie, maar in het geval van het eten en drinken weten we dat dit om een offer ging en dat dit zegen bracht. Als de Godin het offer in dankbaarheid aanvaarde zou zij honderdvoudig zegen brengen en de aanwezigheid van levende extatici zou die zegen alleen maar verder vergroten! Waarschijnlijk geld dit ook voor het geslachte dier van Dame Oriente dat opnieuw tot leven komt. Dit zou dan mogelijk ook oorspronkelijk de bedoeling kunnen zijn geweest bij het eten van de mannen en de kindertjes. Zij verliezen die nacht hun energie, ze zijn leeg van binnen, maar daardoor verbonden aan de Godin die ze het honderdvoudig zal vergoeden! En wellicht is er ook misbruik gemaakt van de macht om in de geest te kunnen gaan en zich te kunnen verbinden met de energie van anderen. Mogelijk leidde dit zo nu en dan ook tot energetisch vampirisme. In de folklore wordt dit verschijnsel ook de ‘nachtmare’ genoemd. Tijdens de periode van de heksenvervolgingen blijven de beschuldigingen van kannibalisme staan, maar dan worden ze fysiek gemaakt en is van wederopstanding geen sprake. Overvloed en zegen door de Godin Dürer 1497 – Vier heksen In de teksten beweerden de extatici juist dat zij het huis dat zij bezochten zegen en vruchtbaarheid brachten door daar te eten en te drinken. Alleen een ongastvrij huis kon op ongeluk rekenen. Op allerlei wijzen blijkt dat de gewone mensen een bezoek van de godin en haar gevolg zagen als een eer en een geluk. Het bezoek zou zegen aan en overvloed in het huis brengen. Dit is al af te lezen aan de benaming van enkele godinnen: Satia brengt verzadiging, Abundia brengt overvloed en Richella brengt rijkdom. In de vroegste bronnen werd de tafel gedekt voor Fortuna of de Parcen. Hier zijn het de beschikkers van het ‘lot’ die ontvangen worden. De levende extatici die meededen aan dit bezoek hielpen zo de mensen om hun lot een gunstige wending te geven. Je zou kunnen zeggen dat het offer van spijs en drank een opening, een uitreiking is naar de Godin om zich met hen te verbinden. De Godin staat hier dan voor een bewuste krachtbron waar het huishouden onderdeel van uit wil maken. Als de Godin het offer aanvaard door het te nuttigen dan is er voor het komende jaar een zuivere verbinding met deze grote numineuze kracht die voorspoed zal brengen aan het huis. Conclusie We zullen nooit weten hoeveel mensen er in het middeleeuwse en vroegmoderne Europa waren die nog geloofden in heidense goden en godinnen, daarvoor is het bronnenmateriaal te karig en te eenzijdig. Toch is het duidelijk dat zij er waren en aannemelijk dat dit ook ging om een sterke onderstroom die niet makkelijk uit te roeien was. Het ging bij deze godinnenaanbidders voornamelijk om magisch specialisten en extatici. Degenen die men toen destijds tovenaars of heksen zou noemen en daarnaast om degenen die van hun diensten gebruik maakten. Frans Francken 1610 – Heksenkeuken (detail) Langzaam maar zeker nam hun getal en invloed af. In extase gaan werd door de kerk en de machthebbers doodgezwegen, belachelijk gemaakt of verboden en gedemoniseerd. De kerk zorgde er op deze manier voor dat een ander bewustzijnsniveau betreden gelijk stond aan duivelaanbidding of begoocheling (al dan niet door demonen). Hetzelfde gold voor de praktische toepassingen die het ‘in de geest gaan’ had. Ook dit was duivelskunst en dus verboden. Toch bleven mensen eeuwenlang extatische technieken beoefenen in Europa. Zij konden het bij zichzelf niet tegengaan of de verleiding om het te doen was te groot. Dit betekende ook dat het geloof in de Godin heel lang is blijven bestaan in het middeleeuwse en vroegmoderne Europa. Zolang er mensen zijn die het lichaam achter kunnen laten om in de geest te gaan, zullen er ervaringen zijn van een grootse vrouwelijke aanwezigheid die alleen maar te benoemen is als Godin! Scroll vooral ook even naar beneden voor de bloemlezing met 69 verschillende voorbeelden van Godinnenverering in de periode 500-1700! Abe van der Veen https://en.wikipedia.org/wiki/State_church_of_the_Roman_Empire Schmitt – Bijgeloof in de middeleeuwen 61 Handelingen 19:41-44 Russell, J. – Witchcraft in the Middle ages 49 Diana komt van dius en dium en betekent dan ‘de lichtende van de hemel’, net als Noctiluca ‘zij die schijnt bij nacht’ kan je hierbij denken aan de maan, ook al is dit zeker niet haar enige connotatie. http://www.stregheria.com/Herodias.html Ook Bertha/Percht betekent de glanzende mogelijk weer refererend naar de maan. Herodias wordt meestal uitgelegd als de bijbelse vrouw of dochter van Herodes, Ginzburg denkt dat het om een conflatie gaat van Diana en Hera. Venus komt van wensen of verlangen. Dame Oriente is de vrouwe van het Oosten. Dit is de plek van de dageraad en de ochtendster geassocieerd met Aurora en ook Venus. Richella, Satia en Abundia staan allen voor rijkdom en overvloed. Ben Sozia betekent goed gezelschap, Bensozia wordt daarmee de leidster van het goede gezelschap. Selga/ Selden gaat om de godin die zaligheid geeft of zelf zalig/zuiver is. Sibilla als laatste is ook bekend als waarzegster/orakelpriesteres uit de Oudheid, dit is een kunst die zij overdraagt op haar volgelingen. Lecouteux, C. – Phantom armies of the night 10 Ginzburg, C. – Ecstasies 90 Lecouteux 13 Baroja, J. – The world of the witches 62 Ginzburg 101 Janssen, L. – Nicolaas, de duivel en de doden 125 Janssen 120 Ginzburg 105 Lecouteux 12-14 Lecouteux 23 Ginzburg 93 en 246 Het verzamelen van de beenderen van een geslacht dier om dan dmv een ritueel het dier weer tot leven te wekken komen we op diverse plaatsen tegen. We zien het zowel in de Edda, in Sjamaanse praktijk en in een versie van het sprookje van Assepoester. In een 18e eeuws verslag uit Lapland vertelt de priester dat het verzamelen van de beenderen en het offeren aan hun god Horagalles ervoor zorgt dat de dieren erna nog sterker tevoorschijn zullen komen. Ginzburg, C. – De benandanti 85 Schmitt 140 Zika, C. – Exorcising our demons 365-367 Ginzburg – Benandanti 75 Matsis 141 Voordat de naam Venusberg in zwang kwam bestond er in Duitsland al een gelijkaardige plaats: de ‘Heuberg’ (hooiberg). De naam Venusberg is een geleerde vervanging voor deze volkse benaming. (Matsis 144) Ginzburg – Benandanti 92 De extaticus kon meewerken aan de vruchtbaarheid en de voorspoed in zijn gemeenschap. Hij voelde daar mogelijk zelfs een verantwoordelijkheid in. Dit gebeurde enerzijds door mee te gaan met de nachtelijke bezoeken van de Godin en anderzijds mogelijk ook door nachtelijke vechtpartijen in de geest. Van dit laatste hebben we maar een paar aanwijzingen: Burchard van Worms vermeld dat de vrouwen in het gevolg van Diana ’s nachts in de lucht gevechten hielden al vermeld hij niet waarom. De tovenaar Diel Bruell beweert dat men nadat hij in de Venusberg is geweest verzekert zal zijn van een overvloedige oogst. De benandanti uit Friuli (Noord-Italië) beweren dat zij uit hun lichaam treden en dan in de geest vechten met malandanti, kwade tovenaars om de oogst. Als de benandanti winnen zal er een goede oogst zijn. Een benandante uit 1619 – Maria Panzona uit Latisana  – vertelt dat zij in de geest, gezeten op een dier, naar het ‘dal van Josafat’ ging en daar door het hoofd te buigen eerbied betoonde aan een majesteitelijke vrouw genaamd de abdis. Zo zijn er dus een paar aanwijzingen te vinden die het mogelijk maken om te speculeren dat het vechten om een goede oogst een gebruik was wat op verschillende plaatsen en tijden in Europa voorkwam. De historici Lecouteux en Ginzburg zijn de grootste exponenten van deze theorie. Lecouteux 9-10 Lecouteux 12 Dit is het Zuid-Nederlandse fabeldicht Ysengrimus. http://www.dbnl.org/tekst/_yse001ysen02_01/_yse001ysen02_01_0002.php?q=pharaildis#hl6 Bloemlezing van middeleeuwse bronnen met Godinnen: Begin 5e eeuw Maximus van Turijn een boer wil zichzelf mutileren in naam van de Godin (wellicht Cybele)  hij wordt vergeleken met een dianaticus, een waarzegger oftewel iemand die de toekomst kan voorspellen. 103 Voor 543 Ceasarius van Arles verbiedt de naam van Diana aan te roepen. Hij had bij een meisje een demon uitgedreven die de boeren ‘Diana’ noemden.  Janssen 119 Hij verbiedt ook om op de kalenden van Januari een gedekte tafel klaar te zetten voor Fortuna of de ‘drie zusters’. Deze zouden dit dan honderdvoudig vergelden. Janssen 120 2e helft 6e nC Gregorius van Tours spreekt van een standbeeld van Diana aanbeden bij Trier, dat door een monnik wordt neergehaald. 104 Ook spreekt Gregorius van een standbeeld van Berecynthia die met een wagen om de velden heen werd gedragen. De bisschop van Autun zag dit, hij bad ertegen en het beeld brak in stukken. http://www.maryjones.us/jce/berecynthia.html Voor 580 Martinus van Braga hekelt onwetende mensen die in de bossen Diana’s aanroepen.  Dit speelt zich af in in Noordwest Spanje  Mogelijk gaat het hier om de Keltische godin Di Ana. Janssen 119 Baroja 65 Rond 585 vestigde de uit Lombardije afkomstige diaken Walfroy (* ca. 565 – † ca. 600) zich op de aan Arduinna gewijde heuvel bij de Franse plaats Margut en bracht daar, zittend op een pilaar (als enige westerse pilaarheilige), in navolging van de door hem bewonderde Sint-Martinus de christelijke leer in praktijk en deed de streekbewoners de heidense cultus rond Arduinna afzweren. Zij wordt gelijkgesteld met Diana. De verering van de Tria fata/ de drie feeën wordt door Procopius (voor 562) en Isidorus van Sevilla (voor 636) genoemd. Janssen 120 7e E st Cilianus wil Franconia bekeren, maar zij doen hommage aan de ‘grote Diana’. 104 Voor 675 ten tijde van sint Amand waren er in de Ardennen heidenen die een godin Diana of Arduinna vereerden Janssen 120 In de late negende eeuw betreurt bisschop Raterius van Verona de volkse aanbidding van een godin die hij Diana noemt. Hij zegt dat een derde van de wereld aan haar onderdanig is, vooral bijgelovige kleine vrouwtjes. https://www.goddess-pages.co.uk/the-meanings-of-goddess-part-2-2/ 899 Regino van Prüm Dat zij in de nacht op zekere beesten rijden samen met Diana, godin van de heidenen, en een grote menigte van vrouwen, dat zij grote afstanden afleggen in het holst van de nacht, dat zij de geboden van de godin gehoorzamen alsof zij hun meesteres was, dat zij op bepaalde nachten worden geroepen om haar te bedienen. 90 Deze tekst wordt de ‘Canon Episcopi’ genoemd. Staat het eerste in de capitularieën van Karel de kale uit 872 ca. 950 Ratherius van Verona schrijft in zijn Praeloquia over zondaren die Herodiade aanbidden als hun Godin. Een derde van de wereld zou haar als soeverein erkennen. Hatsis 30 Rond 1000 herhaald Burchard, de bisschop van Worms deze canon. Hij voegt aan de naam van Diana die van Herodias/Herodiade toe. 90 Burchard voegt er in zijn ‘Decretum’ en vooral in het negentiende deel daarvan; de ‘Corrector’(1008-1012) nog aan toe: sommige vrouwen beweerden dat zij op zekere nachten gedwongen waren om een zwerm demonen in de vorm van vrouwen te volgen die het volk ‘holda’ noemt. Zij gingen door gesloten deuren en lieten hun slapende mannen achter. Zij doodden, kookten en aten gedoopte mannen, waarna zij hen weer schijnbaar tot leven lieten komen door ze te vullen met hout en stro.  Zij zouden ook s nachts in de lucht gevechten houden. 90 Burchard Geloof je dat in de stilte van de nacht na naar bed te zijn gegaan je je huis kunt verlaten ofschoon alle deuren gesloten zijn en over grote afstanden kunt reizen en mensen kunt doden zonder zichtbare wapen? Janssen 114 Heb je geloofd, dat door middel van andere ledematen – jou door de duivel geleverd – je in de nacht door gesloten deuren bent gegaan om in de wolken te vliegen en daar strijd hebt geleverd waarbij je wonden hebt opgedaan en wonden hebt toegebracht? Lecouteux 10 Heb je geloofd dat er vrouwen zijn die uit noodzaak of vanwege een bevel van Holda – met een bende duivels getransformeerd in de vorm van vrouwen – in speciale nachten op beesten moeten rijden en daarmee horen bij een gezelschap van demonen? Lecouteux 10 Geloof je er in dat er vrouwen zijn die – zoals het volk genaamd Holda – ’s nachts rijden op dieren in het gezelschap van duivels die in vrouwen zijn veranderd Baroja 61 Volgens Burchard van Worms zijn er volgers van de godin die geloven dat zij onderdeel uitmaken van een imaginaire gemeenschap (degenen die olv Diana vliegen in de nacht) en die daarvoor ook nieuwe volgelingen proberen te vinden. Zij doen dat niet uit vrije wil, maar worden daartoe gedwongen. Ginz 90 Burchard: Verder laat het volk op bepaalde nachten eten achter samen met drie messen voor drie (onbenoemde) godinnen, die Burchard identificeert met de Parcen. Ginz 105 Deze Diana zou mogelijk een latinisering van Epona zijn Ginz104 John van Salisbury voor 1180 Men gelooft dat Noctiluca of Herodias – die optreedt als koningin van de nacht – oproept tot nachtelijke bijeenkomsten waarbij gesmuld wordt en allerlei losbandigheid plaatsvindt. Janssen 114 Baroja 62 Zij claimen dat een Noctiluca (= schijnt bij nacht) of Herodias of een heksenmeester van de nacht nachtelijke vergaderingen belegt. Daarin vieren zij feesten en voeren er andere riten op. Sommigen worden er gestraft en anderen beloont naar hun waarde. Verder worden er kinderen aan ‘lamia’s’ gepresenteerd, zij lijken in stukken te worden gesneden en opgegeten. Vervolgens door de genade van de heksenmeester worden zij terug gebracht naar hun wiegen. Dit is demonische illusie. Alleen oude vrouwen en simpele lieden kunnen hierin geloven. Lecouteux 13 12e e Ysengrimus van Nivardus: Pharaildis of Herodias werd afgewezen door Johannes de Doper. Zijn afgehouwen hoofd blies een wervelwind naar haar, waardoor zij weg werd geblazen door een opening in het dak. Sindsdien zwerft zij door de lucht. Zij wordt door een derde van de wereld gediend, zij rust in de tweede helft van de nacht in eiken en hazelaars. (Dit laatste maakt haar gelijk aan de nachtmare die in eiken en hazelaars de maretak achterlaat..) Lecouteux 12 ‘Ze omhelsde het binnengebrachte hoofd met haar zachte armen, overgoot het met tranen en wilde het met kussen overdekken. Op het moment dat ze het probeerde te kussen, deinsde het hoofd terug en blies naar haar en in de wervelwind die zijn blazen had veroorzaakt, verdween ze door de dakopening van het paleis. Sindsdien drijft de al te wraakzuchtige, blazende toorn van Johannes haar voort door de lege ruimte van de hemel. Dood vervolgt hij het ongelukkige meisje dat hij tijdens zijn leven niet had bemind. Maar het lot liet niet toe dat ze geheel en al stierf. Verering verlicht haar verdriet en eerbied vermindert haar straf, want een derde deel van de mensheid dient deze bedroefde vrouwe. Vanaf de tweede helft van de nacht tot het eerste gekraai van de zwarte haan zit ze in eiken en hazelaars. Nu is haar naam Pharaïldis, vroeger was dat Herodias, een danseres die voor noch na haar leven haar gelijke kende.’ http://www.dbnl.org/tekst/_yse001ysen02_01/_yse001ysen02_01_0002.php?q=pharaildis#hl6 Eind 12e eeuw Hartmann von Aue noemt Feimurgân oftewel Morgaine een godin, ze kan reizen door alle vier elementen en heeft zo de hele aarde al doorkruist. Ze kan zichzelf en anderen veranderen in dieren en heeft kennis van alle kruiden. Ook Gerald van Wales (eind 12e e) noemt haar een soort van godin. Ook in de Vulgaat cyclus wordt gezegd dat het gewone volk meende dat ze een godin was en in ‘Gawain and the green knight’ wordt ze een godin genoemd. Ook Merlijn werd door het volk gezien als een god. Larrington – King Arthur’s enchantresses 11-13 William van Auvergne uit Parijs voor 1249: De godin Abundia of Satia zwerft door huizen en kelders samen met haar volgelingen en eet en drinkt wat ze daar vindt.  Dit is daar als offergave achtergelaten. Als ze dit vindt brengt ze bescherming en voorspoed en anders ontzegt ze juist haar bescherming.  At night the dominae enter houses where offerings have been set out for them. They eat and drink from the vessels, but the contents are undiminished.[7] If they are pleased, they bring prosperity and fertility. Willem van Auvergne: De geest Satia (betekent verzadiging) komt in de vorm van een vrouw en in gezelschap naar huizen in de nacht. Zij heet ook Dame Abonde vanwege de overvloed die zij geeft of ‘de dames’ ‘dominae’. Deze dames consumeren het voedsel en de drank die zij vinden zonder hun kwantiteit te verminderen vooral als de borden en bekers niet bedekt, maar open gelaten zijn. Als zij ze bedekt vinden dan zullen de ‘dames’ ongeluk brengen, maar anders juist overvloed. Lecouteux 14 Volgens Lecouteux wordt deze geest in Duitsland Percht of Perchta genoemd. ca. 1230-1260 Stephen van Bourbon vertelt  over oude vrouwen die valselijk geloven dat zij op stokken vliegen met Diana en Herodias. Zij noemen zichzelf de Bonae res en vergaderen ’s nachts om deze godinnen te aanbidden. Vervolgens noemt hij het exemplum van een maskerade bij Besancon (Zuid-Frankrijk) van jongens die zich vermomden als vrouwen om zo de Bonae res voor te stellen (de goede dingen). Zij drongen het huis binnen van een rijke boer en namen daar van alles weg onder het gezang ‘een nemen, honderd geven’. Hij zij tegen zijn vrouw: hou je stil en doe je ogen dicht want het zijn de Bonae res die ons bezit zullen verhonderdvoudigen! In een ander verhaal vertelt hij dat een oude vrouw in een nachtelijke tocht samen met de Bonae res (het gevolg van Diana en Herodias) het huis van een priester binnen was gedrongen. Zij vertelde dat als zij zijn naaktheid niet had bedekt, dat hij dan door Diana en Herodias dood gegeseld zou zijn. Hij nam het haar niet in dank af en noemde haar dwaas en een heks. Hij geloofde niet dat zij door gesloten deuren kon gaan en probeerde dat te bewijzen door haar op te sluiten in een kamer. (Russell 156-157, Janssen 115, baroja 63) De vrouwen die ’s nachts reizen met Diana  worden bonae mulieres, goede vrouwen genoemd of bona societas, goed gezelschap of de nachtvrouwen.. Janssen 114 Ze hebben de door het lot opgelegde verplichting om te zorgen voor voorspoed en overvloed. NB 73 1236-1250 “In nocte nativitatis Christi ponunt regina celi quam dominam Holdam vulgus appelat, ut eas ipsa adiuvet.” ‘In de kerstnacht wordt de tafel gedekt voor de ‘koningin van de hemel’, die het volk Frau Holda noemt, zodat zij hen moge helpen.’ Dit wordt in een tabel met bijgelovigheden gezegd door Rudolph, een Cisterciënzer monnik. https://en.wikipedia.org/wiki/Holda Vincent van Beavais ca 1250 voegde aan Diana en Herodias andere personen toe die de vrouwen ‘goede dingen’ Bonae res, noemen. 1254 Legenda Aurea over st Germain/Germanus van Auxerre, een bisschop uit de eerste helft van de vijfde eeuw. Hij zag hoe er voor een tweede maaltijd werd gedekt. Dit was voor de ‘goede vrouwen’ die ’s nachts rondlopen. St Germain bleef die nacht achter en zag een horde duivels arriveren in de vorm van mannen en vrouwen die na inspectie gewoon in bed bleken te liggen. Het was dus een duivelse illusie. Baroja 64 Ca 1270 Roman de la Rose – Jean de Meun:  Habonde bezoekt met haar gevolg de ‘bonnes dames’ in de nachten de huizen waar men schalen met voedsel voor haar heeft klaargelegd, die nooit leeg raken. Als ze welwillend is, brengt ze voorspoed en vruchtbaarheid. Zij die als derde geboren zijn, gaan drie keer in de week mee met dame Habonde naar het huis van de buren, ze gaan door spleten en sleutelgaten, geen deur houdt hen tegen, want hun ziel verlaat het lichaam. Veel mensen worden door hun zinnen bedrogen en geloven dat zij heksen zijn (estries) die dwalen door de nacht met dame Abonde. En zij zeggen dat een van de drie kinderen deze conditie heeft en drie nachten in de week voortgaan, zij kunnen door elk gaatje gaan, hun ziel verlaat hun lichaam en zij vergezellen de ‘goede vrouwen’ naar andere plaatsen en huizen, terwijl hun lichaam in bed blijft. Lecouteux 12 Berthold van Regensburg voor 1272 De goede vrouwen die ‘saligen fraülein’ worden genoemd. Voor hun worden spijzen op tafel achtergelaten bij het open venster. http://kunstmuseum-hamburg.de/deutsche-mythologie-die-elfischen-geister-waldgeister/ Je moet niet geloven in het volk dat zwerft in de nacht (nahtwarren), nog in de welwillenden (hulden) of de kwaadwillenden (unhulden), niet in elfen (Pilwitzen), in nachtmerries (maren, truten) of in de vrouwen van de nacht (‘nahtvrouwen’). Het zijn allen demonen. Noch moet je de tafel dekken voor de gezegende vrouwen ‘felices dominae’. Lecouteux 15 Adam de la Halle 1276 toneelstuk Jeu de la Feuillée: De drie feeën verschijnen in de nacht van 1 mei. De tafel is voor hen gedekt. Een van hen is boos omdat er een mes ontbreekt, (voor haar is niet gedekt) Twee Morgue en Arsile, spreken goede wensen uit als beloning voor de gastheer, de derde Maglore schenkt een kale kop en domheid. Ook het nachtvolk dwz Herlequin en zijn aanhang spelen een rol in het stuk, het zijn een soort van duivels. Janssen 120 In een canon gemodelleerd naar de Canon Episcopi uit 1280 in de Ariège regio wordt de godin Bensozia genoemd (mogelijk bona socia, goed gezelschap of goede buur)  Ginzburg 100 Eind 13e eeuw Jacobus de Voragine Legenda aurea: verzoenende gaven aan de ‘goede vrouwen’ die ’s nachts voortlopen NB 76 1310 In de vergadering van Trier worden Diana en Herodiana genoemd. Verder komen nog Perchta en Holda als godin voor in Middeleeuwse teksten. Het zou kunnen dat de naam Diana een latinisering is voor godinnen met een lokale benaming. Ginzburg 91 1313 Giovanni de Matociis van Verona in zijn historia Imperiales schrijft dat vele leken geloven in een nachtelijk genootschap met aan het hoofd Diana of Herodias. In 1319 verklaard de Kathaarse ketter Arnaud Gélis dat hij ’s nachts meeging met de ‘bonae res’ oftewel de ‘goede vrouwen’, dit zijn zielen van overledenen, waarbij zij soms huizen binnen gingen en daar de wijn dronken. Het waren voorname vrouwen die in koetsen rondgaan zowel in leven als in dood, alleen na de dood werden de koetsen voortgetrokken door demonen. Schmitt 146 In de inquisiteurshandleiding van Bernard Gui uit 1320 wordt gevraagd: Wat weten zij van of hebben zij gedaan met de feeën (‘fatis mulieribus’) die door het volk de goede daden (‘Bonas res’) worden genoemd en die rondgaan in de nacht. Maxwel-Stuart – Witch beliefs 55 1320 Fasciculus morum uit Engeland:  Personen die zeggen dat zij s nachts koninginnen en andere vrouwen zien rondlopen met Diana en de dans leiden met de godin van de heidenen, die hier bij het volk elfen worden genoemd. Dat ze mensen in andere vormen kunnen veranderen en meenemen naar ‘Elveland’ waar nu kampioenen als Wade en Onewone zouden wonen. Het is allemaal Duivelswerk. Russell 175 Ca. 1350 een tekst ‘Spiegel van de ziel’ Zij zondigen die in de nacht van Epiphanie, voedsel en drank op de tafel laten staan zodat er volgend jaar geluk zal zijn voor hen. Zij zondigen die voedsel geven aan Percht en rode slakken (of schoenen) aan de ‘scrat’ of aan de nachtmerrie. Lecouteux 16 1354 Jacopo de Passavanti (Italië) Er zijn vrouwen die menen dat zij ’s nachts meegaan met de ‘tregenda’. Dit doen zij samen met andere levende mensen, maar ook met demonen. De meesteressen van deze horde zijn Herodias en Diana. Hatsis 72 Raoul de Presles voor 1383 noemt het leger van Herlequin, Dame Abonde en de feeën in één zin. Janssen 127 1390 Milaan een vrouw genaamd Sibillia bekent dat zij naar ‘het spel van Diana’ gaat, die zij Herodias noemen. Ook Pierina de Bugatis bekent hetzelfde. De processtukken van deze vrouwen laten zien dat zij haar alleen maar benoemen als ‘madona Horiente’. Haar inquisiteur maakt er dus Diana of Herodias van. Sibillia ging elke donderdag naar het gezelschap van Oriente. Zij deed hommage aan Oriente. Zij boog haar hoofd en zij ‘het gaat u goed, Madona horiente.  Zij antwoordde: welkom mijn dochters. Alle dieren communiceren ook met het genootschap. Oriente kon voor het gezelschap de toekomst en verborgen dingen voorspellen. Sibillia gebruikte deze informatie weer voor mensen die bij haar kwamen. Pierina voegt nog toe dat dode mensen zoals gehangenen en onthoofden ook bij het gezelschap van Oriente horen. Het genootschap bezoekt de huizen van met name welgestelden, daar eten en drinken zij, als de huizen proper zijn dan worden zij door Oriente gezegend. De leden van het gezelschap leren van Oriente te genezen met kruiden en andere geneeswijzen, hoe gestolen dingen terug te vinden, hoe betoveringen ongedaan te maken. Dit alles is geheim. Zij kan dode beesten weer tot leven brengen. Soms slachten ze een os en aten het vlees, ze bewaarden de botten en deden die in de huid van het beest. Oriente gaf een tik met haar staf en het beest kwam weer tot leven. Pierina gaf zich later aan een geest genaamd ‘Lucifello’ Ginz 93 14e eeuw In het ridderverhaal uit midden-Engeland ‘Gawain en de groene ridder’ wordt Morgaine een godin genoemd. 1418 Johannes Herolt uit Neurenberg noemt nog als synoniemen voor Diana (in de canon) Unholde, die selige frauen,  frau Berthe en frau Helt. Zij gaat door de nacht met haar leger over grote afstanden. Diana als frawen unholdi. Haar gevolg wordt een leger genoemd, wat het een van de vroegste identificaties maakt met de Wilde jacht. Het speelt zich af tijdens de 12 nachten Ginz 101 Janssen 125 [Ginz koppelt dit aan Perchta en Holda als aanvoerders van de wilde jacht en Wotan en Odin noemt hij als aanvoerders.] ca. 1430 Bernardino van Siena vertelt van de ‘tregenda’ die elke donderdag en zondagnacht vergaderen. Zij vereren de godinnen Diana, Herodias en Iobaina. Hatsis 73 1431 Jeanne d’Arc wordt gevraagd of ze iets wist over diegenen die met de elfen door de lucht reisden. Zij wist dat dit op donderdagen gebeurde en slechts toverij was. Zij werd ervan beschuldigd met de feeën te hebben gedanst en ze te hebben aanbeden. Janssen 121 In 1435 beschrijft de dominicaanse theoloog Nider in zijn Formicarius een ervaring met een vrouw die meent dat zij naar verre plaatsen kan reizen door middel van een vliegzalf. Ergens in Zuid-Duitsland komt een monnik een oude vrouw (Vetula) tegen die claimde dat zij samen met Diana en haar gevolg door de lucht kon vliegen. Hij – en andere getuigen – mochten op een avond daarbij in haar kamer aanwezig zijn. Zij plaatste een baktrog op een stoel en ging daarin zitten. Zij kleedde zichzelf uit en smeerde zich in met een zalf terwijl ze ondertussen een onverstaanbare spreuk prevelde. Vrij vlot daarna begon ze te trillen en met haar armen te slaan om vervolgens in slaap te vallen. Zij viel uit haar trog op de grond en stootte haar hoofd, maar toch werd zij niet wakker. Toen ze eindelijk weer bij kennis was vertelde de monnik haar dat zij niet met Diana weg was gevlogen, maar in de kamer was gebleven. In ‘predigten’ (ook uit de jaren dertig) vertelt hij nog over hetzelfde incident dat zij een ‘unholda’ is en dat ze naar de ‘heuberg’ wou vliegen. In zijn Preceptorium uit 1438 noemt hij dat de ‘vetula’ claimde te kunnen reizen met Venus of Herodias. Matsis 144-147 Nider noemt (voor 1437) als bijgelovige daad mensen die geloven dat zij naar de samenkomst van Herodias of Venus mee zijn gegaan. Vervolgens noemt hij: mensen die zeggen dat zij tijdens de quatertemperdagen in trance de zielen van het vagevuur kunnen zien. Zij weten na die flauwte dingen te vertellen over gestolen of verloren voorwerpen. NB 75 Hij vertelt in zijn Formicarius ook over een ridder die meent in de Venusberg beland te zijn in de armen van mooie vrouwen, maar hij wordt wakker in een mesthoop (of in de Nederlandse versie in de armen van een dood dier) Zika 367 Ook vraagt Nider: ‘Is er enige waarheid in wat zij zeggen van de Venusberg, dat daar mannen in luxe leven samen met mooie vrouwen die hen wellustig genot aanbieden?’ Matsis 141 ca. 1440-1445 Paus Pius II geeft in een brief antwoord op de vraag of hij weet waar de Venusberg ligt. Hij zegt dat deze mogelijk te vinden is in een grot in de buurt van Todi (Italië). Hij had gehoord dat daar de magische kunsten geleerd worden. Matsis 142 1456 Hartlieb: ‘Zu sölichem farn nützen auch man und weib, nemlich die unhulden, ain salb die hayst unguentum pharelis. Die machen sy uß siben krewtern und prechen yeglichs krautte an ainem tag, der dann dem selben krautt zugehört. So bestreichen sy penck oder stül, rechen oder ofengabeln und faren dahin.’ De ‘unhulden’ gebruiken een zalf de ‘unguentum Pharelis’ met daarin zeven kruiden die op zeven opeenvolgende dagen geplukt moet worden. Als zij die zalf op een stoel of hooivork smeren dan kunnen zij daarmee ‘reizen’. La dame d’Elche 6e E vCE Spanje Nicolaas van Cusa 1457 vertelt in een sermoen over een  ondervraging van drie oude vrouwen uit Val di Fassa (Italië) dat jaar. Zij vertelden dat zij behoorden bij het gezelschap van Richella, die ze ook ‘de goede meesteres’ noemden. Nicolaas vertaalt dit in Diana en zegt dat Richella slechts een vertaling is van Abundia of Satia. Zij kwam’s nachts bij hen op een kar, als een vrouw in rijke kledij wiens gezicht ze niet konden zien. Zij raakte hen aan en toen gingen ze met haar mee naar een soort van feest. Wel waren er mannen die over hun hele lichaam bedekt waren met haar en die ongedoopte mensen opaten. Hier gingen ze jaren aaneen naar toe op de vier ‘ember’ weken. Ginz 94 Richella verborg haar gezicht door semironde ornamenten in of aan haar oren Ginz 132 (Dit lijkt curieus genoeg op de hoofdversierselen van het antieke beeld genaamd de vrouw van Elche) 1468 Thesaurus Pauperum vertelt over bijgeloof uit Beieren: Men laat eten en drinken staan voor Habundia en Satia of zoals het volk zegt: frau Percht en haar gevolg, dit doen ze in de hoop op overvloed en rijkdom. In 1439 werd hetzelfde al veroordeeld door Thomas Ebendorfer NB 74 Thesaurus Pauperum: ’s nachts kommen met voedsel en drank op tafel laten staan voor Dame Abundia of Satia, die door het volk frau Percht wordt genoemd. Zij is altijd met een gezelschap. Als zij dit vinden zullen ze overvloed en rijkdom schenken. Zij zullen de huizen bezoeken tussen kerst en epiphanie (driekoningen) Lecouteux 16 1489 Proces in Mantova  tegen Giuliano Verdena: hij ziet in een bekken met water de ‘meesteres van het spel’ (Diana of Herodias) gehuld in zwarte kleren met een kin tot op haar buik. Zij wil hem de werkzaamheid van de kruiden en de aard der dieren onthullen. 15e E een exemplum uit Breslau over een oude vrouw die droomde dat ze door Herodiana mee werd gevoerd. In haar vreugde gooide zij haar armen open en stootte een vaas met water om zodat ze weer bij zinnen kwam. 130 ginz 15e e Bewoners van de Palatinaat geloofden in de godin Hera als brenger van overvloed die in de twaalf dagen van kerst en Driekoningen rond doolde/vloog. Ginz 104 Kans dat Herodias, een verkeerde vertaling is van Hera-Diana. Begin 16e eeuw Geiler von Kaisersberg ‘Die Emeis’ heeft het over zij die beweren dat ze ’s nachts naar frau Venus gaan. Hiernaast heeft hij het over vrouwen die tijdens de quatertemperdagen in onmacht vallen en dan beweren in de hemel te zijn geweest en spreken over gestolen of verborgen voorwerpen. De nachtvrouwen van Diana, Holda en Venus komen bijeen in de Venusberg. Janssen 126 Begin 16e eeuw Zuan delle Piatte ging naar de berg van de Sibilla ook bekend als de heuvel van Venus waar Donna Herodias woont om daar geïnitieerd te worden in het genootschap van heksen. Hij ging de berg in – eerst kreeg hij een waarschuwing van de trouwe Ekhart – en zag daar Tonhauser en Donna Venus. Met haar ging hij naar de sabbat, waar hij ook de vrouw ‘van het goede spel’ ontmoette. Hij reed met Venus op zwarte paarden door de lucht en ging in vijf uur om de hele wereld heen. (Uit dit verhaal blijkt een duidelijke invloed van  de literatuur uit die tijd) ginz 109 Eerste helft 16e E Hans Sachs een dokter uit Florence wil door een zwart paard op een kerkhof meegevoerd worden naar de Venusberg, hij eindigt in de shit. 1506-1510 Heksen van val di Fiemme beschrijven Herodias als een grote, lelijke vrouw met een groot hoofd, zwarte kleren, een zwarte band om het hoofd en met twee wielen aan weerszijden van haar hoofd. Het wordt ook omschreven als twee stukken steen rond de ogen. Deze gaan telkens open en weer dicht. Zij rijdt altijd door de lucht. 132-133 ginz 1519 vrouw in Bern komt aan de schandpaal omdat ze beweerd met vrouw Selden en de wilde jacht uit rijden te zijn geweest. 1525 Wyprat Musin, een vrouw uit Tirol, vertelt dat ze tijdens de quatertemperdagen een grote menigte zag met aan het hoofd vrouw Selga de zus van vrouw Venus.  Musin werd verplicht om mee te doen aan de processies van vrouw Selga. In die optocht liepen ook de zielen uit het vagevuur mee en zelfs de verdoemden uit de hel. Ze kon in een kom de mensen zien die dat jaar zouden sterven en vrouw Selga vertelde haar waar verborgen schatten lagen. NB 85 Selden en selga zijn verwant aan de ‘saligen’ de gezegenden met de zuivere ziel en ook aan Perchta. http://www.pansophia.nl/academie_pansophia/wp-content/uploads/2017/01/Godinnen-en-vrouwelijke-wezens-deel-8-De-Saligen-I.pdf 1532 Domenica Barbarelli een heks uit Novi gaat in de geest naar ‘het spel’, naar de optocht van Diana. Ondanks dat omstanders haar proberen te weerhouden kan zij dit toch meemaken omdat zij uit haar lichaam treedt. Voor haar is dit reëel.  NB 41 1544 Schwaben Crusius Clerici schrijft over vaganten (gesjeesde, rond zwervende studenten) die beweren in de Venusberg te zijn geweest, waardoor ze verleden en toekomst kenden, verloren voorwerpen terug konden vinden en bescherming konden brengen tegen hekserij en hagel. Ze konden ook de woeste heerschare van extatici, ongedoopte kinderen en mannen gestorven in de oorlog oproepen. Ze konden ook de prijzen van bepaalde producten doen laten stijgen. Dit bleven ze beweren in getuigenissen uit 1576 en 1600. Vervolgens beweerde de Johannesbroederschap hetzelfde in 1694. Ze hadden de zielen van de doden gezien op de Venusberg. 2e helft 16e eeuw Sicilië: Vrouwen gingen mee met ‘de vrouwen van buiten’ ze vlogen door de nacht om te banketteren en orgieën te houden in afgelegen kastelen of weilanden. Deze vrouwen hadden kattenpoten of paardenhoeven. Hun godin werd de matrone, de Griekse meesteres, de wijze Sibilla genoemd en anders. Haar volgers konden betoveringen ongedaan maken. 122 ginz Deze ‘vrouwen van buiten’ zijn te zien als een soort van elfen. https://barteredhistory.wordpress.com/2017/09/18/the-ladies-from-outside/ https://en.wikipedia.org/wiki/Donas_de_fuera 2e helft 16e E Renward Cysat uit Lucerne Het wordt gezegd dat de ‘salige lütt’ en de ‘guottisheer’, bestaan uit zielen van mensen die voortijdig dood zijn gegaan en daarom moeten rond dolen tot de tijd die het lot eigenlijk voor hun dood had bepaald. Zij zijn vriendelijk en betreden de huizen om daar te koken en eten, maar de hoeveelheid voedsel vermindert niet. Sommigen denken dat levende mannen en vrouwen hen vergezellen en hun maaltijden delen om zo tot groter geluk te komen. Lecouteux 23 In Schotland komen processen voor waarin heksenprocessen vermengd zijn met elfengeloof. Ook de koningin der elfen is te zien als een godin. 1597 Andrew Man te Aberdeen in Schotland deed hommage aan de koningin der elfen en de duivel in de vorm van een mannetjeshert. Hij had seks met de koningin, zij wist alles van de ‘craft’, ook al was zij de mindere van de duivel. De elfen speelden muziek en dansten. 1614 Legende van de minnezanger Tannhäuser in de ‘Mons Veneris’ van Kornmann. Hij kwam bij de Hörselberg en vraagt aan een grijsaard Eckhart uit het geslacht der Harlungen (deze waarschuwt ook voor de wilde jacht, de rond trekkende bende van geesten die zich meester willen maken van de levenden, die ook uit deze berg tevoorschijn komt) of de godin Holda daar woont. Hij zegt dat Venus met haar gevolg daar woont. Maar waarschuwt voor ongeluk als Tannhäuser zich verbindt met die heidense godin. Venus gaf hem te drinken van de beker der vreugde waardoor hij voor een jaar alles en iedereen vergat. Pas als hij Venus een duivelin noemt en zegt dat hij verlangt naar Maria wordt hij vrij gelaten. Als het duidelijk is dat zelfs de paus hem niet wil vergeven gaat hij voor eeuwig terug naar de Venusberg. 1619 Maria Panzona uit Latisana is een ‘benandante’ die in de geest, gezeten op een dier, naar het dal van Josafat ging en daar door het hoofd te buigen eerbied betoonde aan een majesteitelijke vrouw genaamd de abdis. 1630 Tovenaar Diel Bruell uit Hessen was in de geest op de Venusberg geweest. Vrouw Holle had hem in een kom water zielen laten zien. Hij was een ‘nachtfahr’ hij hoorde bij de nachtelijke schare. Als hij tijdens de quatertemper naar de Venusberg ging was er een overvloedige oogst. Benandanti 92 1640 Caterina Buni uit Palermo ging mee met de ‘de vrouwen van buiten’. Zij reed op een schaap en wou dat anderen ook met haar mee gingen. 1662 Isobel Gowdie uit Schotland. Zij was in de heuvelen gegaan en kreeg eten van de koningin der elfen (Queen of Fearrie) Voor 1680 Praetorius uit Leipzig schrijft: Diana reist op kerstnacht met haar furieuze bende ven krijgers. Verderop zegt hij dat vrouw Holle of Holda begint met ronddolen tijdens de Kerstmis. Lecouteux 17 Perchta betekent wellicht Ephiphania of anders helder/stralend. Het ritueel van het dekken van de tafel gebeurt voornamelijk tussen kerst en Driekoningen. Dit ritueel werd al gedaan door de Romeinen, maar dan voor de voorouders. Het werd de tafel der zielen of overledenen genoemd. Abundantia komt voor als Romeinse godin van overvloed, voorspoed, rijkdom, maar heeft weinig eigen mythologie. Zij houdt op afbeeldingen een ‘cornucopia’ vast. Lees ook: http://www.pansophia.nl/academie_pansophia/wp-content/uploads/2017/01/Godinnen-en-vrouwelijke-wezens-deel-5-Perchta-I.pdf http://www.pansophia.nl/academie_pansophia/wp-content/uploads/2017/01/Godinnen-en-vrouwelijke-wezens-deel-8-De-Saligen-I.pdf http://robscholtemuseum.nl/wp-content/uploads/2017/10/Cor-Hendriks-De-Venusberg.pdf https://core.ac.uk/download/pdf/16427155.pdf Literatuurlijst Baroja – The world of the witches Ginzburg – Ecstasies Ginzburg – The night battles/ De benandanti Hatsis – The witches’F ointment Janssen, Louis – Nicolaas, de duivel en de doden Lecouteux – Phantom armies of the night Russell – Witchcraft in the Middle ages Schmitt – Bijgeloof in de middeleeuwen          

 

Powered by 1st-movers.com

Vertelagenda

Deze verteller heeft op dit moment geen evenementen in de Vertelagenda staan.