Abe van der Veen
Abe de Verteller
Verhalen vertellen uit de wereld der Kelten en Vikingen.
Lezingen geven over de symboliek van verhalen.
Verhalende bomenwandeling
Verhalende stadswandeling door Amersfoort.
Utrecht
Abe van der Veen

Over mij

Abe de Verteller 

Verhalen vertellen zit me in het bloed! Eerst tijdens de IVN-jongerenkampen, gezellig rond het kampvuur. Sinds 2004 ben ik professioneel verhalenverteller. Ik vertelde de afgelopen jaren op ontelbare plaatsen: De Elf Fantasy Fair, het Eigentijds festival, het Schots festival, Castlefest, het Archeon, de Dag van het Park en op vele particuliere feesten en bijeenkomsten!

Ik vertel mythen en sprookjes uit de Keltische en Noordse traditie, ridderverhalen, Griekse mythen, Grimmige sprookjes, Nederlandse sagen en nog veel meer. In totaal heb ik meer dan 250 verhalen in mijn repertoire. Al deze verhalen riepen mij en wilden verteld worden, misschien ook bij u?!

Naast de wereld van de verhalen spelen natuur en symboliek een grote rol in mijn leven. Dit uit zich o.a. in het geven van lezingen over symboliek en het doen van bomenwandelingen.

Nu vertel ik verhalen waar en wanneer ik dat maar kan, want vertellen is m´n passie. Ik vertel met expressie en emotie, met mijn hart en mijn handen en met vuur en vlam!

Contact

Abe van der Veen
Man
De heer
A.J.
Abe
van der
Veen
...
06-18035303
Amersfoort

Blog

Abe de Verteller

De verhalenverteller

Het geheim van de Wilde Jacht en het Wilde Heir

zaterdag 15 december 2018 11:37

In de tijd van de herfststormen en vooral tijdens de Midwinter, wanneer het buiten donker is en koud, dan werd vroeger de Wilde Jacht gezien. Dit ging om één of meerdere geesten die met groot lawaai door de lucht reden. Het kon gaan om één verdoemde, woeste jager die eeuwig moest jagen, maar ook om een compleet jachtgezelschap met vele ruiters en honden. Hiernaast werd met de Wilde Jacht ook wel een geestenleger of een grote schare met geesten bedoeld die door de lucht raasden. Ook dan zaten er meestal ruiters in het gezelschap, maar er waren ook geesten zonder rijdier, het ging dan vaak om krijgers gewapend voor de strijd. Dit wordt ook wel het Wilde Heir (=leger) genoemd. In de sage is er vaak één ooggetuige die dit fenomeen aanschouwt en soms ook een ontmoeting heeft met één of enkele leden van dit gezelschap. Er zijn al vele boeken en artikelen geschreven over dit fenomeen. Toch bleef de ware identiteit en de reden van de Wilde Jacht voor mij in deze studies onduidelijk. Hieronder probeer ik het geheim van de Wilde Jacht te ontsluieren. Cordes, J. W. – Wilde Jagd 1869 Rationalisering en verchristelijking Een complicerende factor bij het duiden van de Wilde Jacht is de neiging van vele twintigste-eeuwse schrijvers om het op een naturalistische wijze te willen verklaren. De Wilde Jacht is dan equivalent aan de storm of het zijn slechts overtrekkende ganzen. Hierin wordt de vroegere mens duidelijk onderschat. De Wilde Jacht is een bovennatuurlijk verschijnsel dat dus alleen gezien kan worden door mensen die een bovennatuurlijke (paranormale) ervaring hebben gehad. Het speelt zich af in een andere bewustzijnstoestand. Een omschrijving van een dergelijke ervaring zal in de materiële wereld onmogelijk blijken, maar is wel degelijk plausibel in de ‘geestelijke’ wereld. Een andere complicatie is de verchristelijking van de Wilde Jacht. Ergens tussen 1000 en 1300 is er een verwoede poging gedaan om de heidense Wilde Jacht te transformeren naar een versie waarin het geestenleger een soort van rondreizend vagevuur werd. Dit is bijvoorbeeld te zien in een van de eerste verslagen van de wilde Jacht van Orderic Vitalis uit 1092. Hij noemt het hier de Mesnie Hellequin (het gevolg van Hellekijn). (Lecouteux 99) Als het Wilde Heir een troep ronddolende zielen betreft valt het onderscheid tussen jagen en voortgejaagd worden weg. Het geestenleger is hier zijn functie kwijt, behalve dan dat een ooggetuige het zou kunnen zien als exempel om zijn leven te beteren of om dan voor de arme zielen te gaan bidden. De Wilde Jacht werd door de priesters ook wel tot een bende van duivels en demonen gemaakt. In de heidense tijd zal het geen van beide zijn geweest en ook voor het gewone volk in christelijke tijden zal het ten eersten male zijn gegaan om een ontmoeting met een of meer dode mensen. Jagers uit de Onderwereld Het werkwoord jagen heeft onder meer de betekenissen ‘vervolgen om iets buit te maken en te doden’ en ‘dwingen om te gaan, drijven, verdrijven’. Ik denk dat het jagen van de Wilde Jacht die tweede betekenis heeft. In mijn optiek wordt er gejaagd op datgene wat nog vasthoudt aan het materiële, maar daar niet meer thuis hoort. Deze dolende zielen en vastzittende energieën worden uit de materiële wereld weg gejaagd! (Lecouteux ency 316) Vaak gaat dit om zielen die geen natuurlijke dood zijn gestorven. Deze jagers komen uit de onderwereld, de wereld van de doden. In de optiek van de heidenen betekende dit dat zij uit een berg of een grafheuvel kwamen of zelfs uit een gat in de grond. Deze geesten/ doden/ voorouders waren al volledig overgegaan naar gene zijde. Toch komen zij één of twee keer per jaar terug naar onze wereld voor de ‘Jacht’. Zij overschrijden de grenzen tussen de doden en de levenden om deze bijzondere taak te verrichten. Na het beëindigen van hun taak ging het – via een soms vast omschreven route – ook weer terug naar die plek of naar een andere ingang van de onderwereld. Deze weg werd in Duitsland ook wel de ‘Heirweg’ genoemd. Maar ook helwegen en dodenwegen werden door de Wilde Jacht gevolgd. Dit waren wegen die door lijkstoeten werden afgelegd naar het kerkhof toe. Symbolisch bekeken is het de weg die de ziel aflegt naar de onderwereld/hel. (N Farwerck 106) De heer van de Dood De leider (of leidster) van de Wilde Jacht kan je zien als een soort van zielengeleider (psychopompos). Hij is ook aan te merken als de heer of god van de dood. Als Hennequin of Hellekijn is hij koning (quin) der doden (henne betekent dood). Ook als Odin/Wodan is hij (o.a.) een god van de doden. De namen van de Wilde Jager of de leider van het Wilde Heir zijn echter talloos. Hieronder zitten ook een aantal legendarische koningen zoals koning Karel, koning Arthur en koning Barbarossa. Van dezen wordt ook beweerd dat zij samen met hun dapperste krijgers ‘rusten’ in een grote hal onder een berg en op gezette tijden uit die berg komen. Ooit zullen zij terug komen om te zorgen voor een nieuwe Gouden tijd. De zielengeleider hoeft degenen die dood gaan op de juiste tijd alleen maar te begeleiden, ze de weg te wijzen naar de andere kant. Maar hiernaast zijn er ook de ontijdig gestorven doden. Mensen die bv. zijn gestorven door geweld, ongelukken of executies. Dezen zijn vaak angstig en verward en houden zich daarom krampachtig vast aan de materiële wereld. Zij negeren de wijze zielengeleider en blijven hangen in deze wereld, ze gaan dolen en spoken. Zij zien er vaak angstaanjagend uit: ze missen lichaamsdelen, zijn half verbrand, of verwond door zwaarden. Midwintertijd Een aantal keren in het jaar gaat dan de geestenjager (de dood) rond om ook deze zielen op te halen. Het is tijd voor de Wilde Jacht of het Wilde Heir! Vooral de midwinter is een favoriete tijd voor deze ommetocht. (Farwerck 103) Dit is een van de scharniermomenten waarin er een overgang is van het ene naar het andere jaar en daarmee van de ene naar de andere toestand. Dit zijn dagen waarin er behoefte is om het oude op te ruimen en de sluimerende levensgeest wakker te maken. Het is ook een tijd waarin de sluiers dun zijn tussen onze wereld en de geestelijke wereld. Dolende en uitverkoren zielen Soms jaagt de Wilde Jager alleen, maar vaker heeft hij daarbij hulp van zijn uitverkorenen, zijn leger van uitverkoren zielen. Dit zijn meestal zielen die tijdens hun leven al de kunst van de extase beheersten en uit hun lichaam konden treden. (Deze is te vergelijken met het ‘Einherjar’, de krijgerselite van Odin.) Ook onder de levenden heeft dit leger haar leden in de vorm van extatici. In de geschriften van Agricola, Crusius en Cysat worden deze mensen genoemd. (Farwerck 108, Lecouteux 146, 156), Als dit leger aan het einde van het jaar uit hun berg komen dan gaan zij op zielenjacht! Deze zielen zullen door middel van lawaai, gejoel en geraas opgejaagd worden. Zij zijn razend en angstaanjagend om aan te zien. Voor deze razendheid, die te zien is als kwaadheid, woedendheid (de Wilde Jacht wordt ook wel het Woedende Heir genoemd), gaan de dolende geesten op de vlucht. De angst voor de overtocht (en wat er daarna komt) is groot, maar de angst voor de Wilde jager en zijn trawanten is nog groter! Zo jaagt het Wilde Heir al het oude wat nog vasthoudt aan de materiële wereld schrik aan, zodat zij het op kunnen jagen en mee kunnen nemen naar de andere kant. Deze – vaak zwarte – geesten nemen de dolende zielen mee naar hun wereld. Ze worden voortgejaagd of meegenomen in een mand of een zak. Soms hebben ze ook bezems of roeden mee om daarmee de boel schoon te vegen. Geesten Wellicht klinkt dit vreemd, geesten die op geesten jagen. Maar de ene geest is vrij en bestaat uit een kleine elite die al in zijn leven heeft geleerd om van bewustzijn te switchen en om uit zijn lichaam te treden. De andere geest is niet vrij, maar dolende en krampachtig gehecht aan de materie die hij niet zonder hulp los kan laten. De ene geest moet de ander helpen om los te laten. Is het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks! Een aantal details maakt het nog helderder dat het hier om een geestenleger gaat. Het Wilde Heir komt heel vaak tijdens een storm of heftige wind, en wind is te zien als het ‘pneuma’, de wind van de ziel. De Wilde Jacht werd ook vaak vergeleken met een vlucht wilde ganzen of andere trekvogels. Dit zijn de zielenvogels die naar de andere kant, naar het Engel-land vliegen. De Jacht en de levenden Wie als levende nog buiten is en op het pad loopt van de Wilde Jacht loopt het levensgrote risico om meegenomen te worden. De aankondiger, die waarschuwt voor de komst voor de Wilde Jacht, zal roepen: ‘blijf op het midden van het pad!’. Wie dat niet doet is het haasje. Deze persoon zit niet in zijn centrum, maar is uit evenwicht. Hij is dus net als de ontijdig gestorven zielen dolende en daardoor prooi voor de Wilde jager. Toch konden ook levende mensen mee doen aan deze razende ommetocht. Zij vermomden zich dan als de doden door middel van maskers of zwart gemaakte gezichten. Ook zij raasden, joelden en tierden om het hardst mee. In de oudste vorm waren zij extatici, mensen die het vermogen hadden om uit hun lichaam te treden en zo als geesten mee te kunnen doen op deze jacht naar het afgestorvene wat niet uit eigen kracht verder kan. De levenden en de doden hielpen elkaar om het oude op te ruimen. Zij vormden zo één gemeenschap. De voorouders zijn – zeker in de heidense tijd – nog steeds opgenomen in het familieverband. Ze werden in de midwinter geëerd met het ‘alfablöt’, de heilsdronk op de overleden voorouders. Later werd dit meedoen van de levenden niet veel meer dan een ritueel, een imitatie van datgene wat zich op dezelfde tijd in de lucht afspeelde. En nog later werd zelfs dit vergeten en vormden het vaak twee aparte fenomenen. De zegen van de Wilde Jacht Als hetgeen wat niet verder kan rond blijft dolen geeft dat een nare sfeer. Spoken zijn eigenlijk altijd triest en ongelukkig met hun toestand en dat gevoel pakt een levende op, zelfs als hij de dode ziel niet waarneemt.. Het maakt ook dat het jaarwiel of levenswiel stroever gaat. Het zorgt voor ongeluk en onvruchtbaarheid. Als zo’n ziel weer verder kan en die vastgeroeste plek is omgewoeld, dan kan de levensgeest weer vrijelijk stromen. Dat is de zegen van het Wilde Heir, dat maakt dat op die plek de oogst groter zal zijn en de mens gelukkiger. In het verhaal rondom de Wilde Jacht laat zich dit ook zien in het pad waar de Wilde Jacht langs heeft geraasd. Daar zie je gebroken takken en gevallen bomen of op het erf dat het gereedschap en de landbouwwerktuigen chaotisch in het rond zijn geslingerd. Als dit het geval is dan geeft dit juist geluk aan de bewoners. Het heeft de boel goed opgeschud en wakker gemaakt en het oude, wat niet meer nodig was meegenomen. Zo brengt de Wilde Jacht geluk, zegen en vruchtbaarheid voor deze plek. Dit volksgeloof is in ieder geval opgeschreven in Zwitserland en in Zuid-West Duitsland. Daar zegt men dat hoe wilder het wilde Heir tekeer gaat hoe vruchtbaarder het land zal worden. Een boer in Mecklenburg kreeg Frau Gaur op bezoek – een lokale leidster van de wilde jacht – zij raasde met haar honden over een stuk akkerland van hem heen en daar was de opbrengst van de rogge dat jaar tienmaal groter! (Mysterieën 125) Het wilde heir kan dit doen omdat zij bestaat uit de doden. Vanuit het geloof dat het leven voort komt uit de dood en het gegeven dat de doden van onder de grond vandaan komen – net als de wortels van het gewas – werd aan hun een vruchtbaar makende kracht toegeschreven. Conclusie In één versie van de Wilde Jacht ging het om een jager die zo van jagen hield dat hij zelfs op zondag joeg. Dit is de dag des heren waarin ieder de zondagsrust zou moeten houden, maar hij weigerde. De jager werd daarom gestraft door eeuwig te moeten blijven jagen. Natuurlijk is dit een vervormde, verchristelijkte versie. Er is één jager die inderdaad zelfs voor god niet zal stoppen, ook op niet op heilige dagen (of juist dan niet) en dat is de dood. Zijn eeuwigheid is geen straf van God, maar een teken van zijn goddelijkheid. De Wilde Jacht in Nederland In Nederland komen we de Wilde Jacht eigenlijk alleen tegen in het oosten en zuiden des lands. De drie bekendste varianten komen alle drie in Nederland voor: In Noord-Brabant wordt verteld dat in najaarsnachten als het stormt  de Wilde Jager jaagt. Hij gaat dwars door de grauwe wolkenflarden. Je hoort dan het blaffen van honden, getrappel van paarden, het schallen van hoorns en het geroep van de jagers of het joelen van hen die mee moeten rijden in die Helse jacht. (Noordbrabant 47) In Gelderland wordt verteld van de jager die eeuwig moet jagen. Hier heet het de Berndekesjacht die onder leiding van Berndeke van Geulen (Beerneke van Galen) eeuwig moet jagen als straf voor jagen op zondag. Hij jaagt vooral in het voorjaar. Deze persoon is niemand minder dan ‘Bommen Berend’, de bisschop van Münster die Groningen en Drenthe binnenviel in het rampjaar 1672. (Gelderland 19) In Noord-Brabant heette de Wilde Jager Dirk of Derk met de Beer (everzwijn). Hij was een boer, maar ook een geweldig jager die een goddeloos leven leidde. Hij verloor zijn dieren stuk voor stuk aan de veepest en op een dag werd hij zo kwaad vanwege dat verlies, dat hij met zijn geweer in de lucht schoot om God te raken.. Daarom moest hij na zijn dood eeuwig jagen met zijn honden. Als een late wandelaar hem ontmoet dan dwingt hij hem zijn honden vast te houden, lukt dat niet dan draait hij hem de nek om! (Overijssels 32) In Limburg bij de Mookerheide wordt dan weer verteld dat het om een spookleger gaat. Het zijn de graven Lodewijk en Hendrik van Nassau die na hun nederlaag nog rondspoken met hun leger als de Wilde Jacht. (Limburg 96) De Wilde Jacht en zijn leider hebben in Nederland vele namen: Helse Jacht, Rebelse Jacht, Jacht van Hänsken met de hond, Tilkesjacht, Telmsjacht, de wilde jacht van Tütü, de Kefkesjacht, De wilde jacht van Tüpis, Knuppeljacht, Turkusjacht, Jacht van de eeuwige Jood, Tieltjesjacht, Juulkesjacht, Jacht van Hakkelbeernd en Jacht van Jakko. Ook van de heiligen sint Hubertus en sint Maarten wordt gezegd dat ze de Wilde Jacht aanvoeren. Geen van deze namen doen denken aan Wodan of Odin. Ook vinden we in Nederland geen vrouwelijke aanvoerder. Er is geen spoor te vinden van een vrouw Holle of een Percht die de Jacht aanvoert zoals in Duitsland. De Gelderse Hänsken kan wel een variant zijn van de Franse Hennequin/Hellequin, waarbij het Henne- deel in de naam slaat op de dood. Je moet goed oppassen voor deze Hänsken. Als je hem en zijn hond hoort moet je het midden van de weg houden anders wordt je door hem meegevoerd! (Limburg Sin 248) Een van de meest opmerkelijke namen die genoemd worden is die van Ruprecht. (Cohen 106) Deze werd in het Geuldal gebruikt als naam van de Wilde Jager. Dit is echter ook de naam voor de knecht van Sint Nicolaas in Duitsland.. Natuurlijk is de Wilde Jacht ook in Nederland beïnvloed door het christendom. In Twenthe is er bv. de Wilde Jacht van Tüpis die met Midwinter vanaf de top van de Haeckenberg naar beneden kwam razen. Deze Tüpis kon kiezen om te gaan jagen met een zachtmoedige ruiter op een wit paard en een wilde ruiter op een zwart paard, dat vuur spoot. Hij koos voor de laatste en dat was de duivel. Nu moet hij eeuwig met de duivel jagen. (Overijssel 30) In de Kempen denken ze dat het bij de Wilde Jacht om een dichte drom heksen gaat die op bezemstokken door de lucht rijden. Dit lijkt mij een verwarring van twee verschillende fenomenen. (Limburg 94) Als men een tijd noemt waarin de Jacht wordt gezien dan gaat dat bijna altijd om de kerst- of midwinterdagen en in het bijzonder de Kerstnacht. Een enkele keer wordt ook wel de weken voor Pasen of Pinksteren genoemd. Uit Twenthe komt nog het opmerkelijke verhaal van de Telmsjacht die de schuurdeuren van een boerderij open zien staan en deze binnen druisen om daar de nacht in het hooi te verblijven. De bange boer zet de ochtend daarna de deuren van de schuur wagenwijd open zodat ze weer weg kunnen.. (Overijssel 30) De Wilde Jacht maakt niet alleen veel lawaai, maar het veroorzaakt ook een bende. Als het heeft gestormd dan kan je zien waar de Wilde Jacht is gepasseerd aan de hand van waar de meeste bomen gevallen zijn en de meeste takken zijn gebroken. (Limburg 250) In Laren (Gld) gaat Derk met de Beer (of met de honden) om in de kerstnacht. Hij neemt dan alles mee wat niet op zijn plaats staat. Zoals ploegen, eggen, kruiwagens, en bonenstaken. In Zutphen zei men dat de beer er op trappelde en het vernielde. (Gelderland 20) Dit gebruik van het verplaatsen – en soms vernielen – van dingen op het erf werd tot voor kort op het Friese platteland door de dorpsjeugd nog uitgevoerd op Oudejaarsdag. Alleen de Wilde Jacht werd daarin niet genoemd. In Limburg (Beek, Munstergeleen) zette de ouderwetse boer tijdens één van de kerstnachten een bos haver buiten als offer voor de Wilde Jacht. Hiermee hoopte hij vooral de paarden te behoeden tegen ziekte. (Limburg Sin 248) In de verchristelijkte versie gebeurt natuurlijk het tegenovergestelde: Een dronken boer daagde de wilde jager uit, hij wou weten waar de ‘drommel’ (duivel) op jaagde. Hij riep uit: heer jager geef mij iets van uw vangst! De volgende dag lag er een stuk os in zijn waterput, maar het was er wel één die gestorven was aan de veepest.. Volksvertellingen 60 Deze Nederlandse sagen rondom de Wilde Jacht zijn zo fragmentarisch dat ze op het eerste gezicht weinig zinvols te zeggen lijken te hebben. Toch passen ze wel goed in het algehele beeld van een zegen brengende, zielen oogstende groep geesten die in de loop van de eeuwen verchristelijkt werd tot een groep verdoemde zielen of duivels. Nachtridders? de wilde jager Ruprecht uit het Geuldal. J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.106-107 Ontleend aan Middelfrans harlequin ‘naam van een legendarische figuur’ [eind 16e eeuw; Rey], een van de vele nevenvormen van het woord dat in het huidige Frans arlequin luidt. Deze naam gaat wrsch. terug op de naam van Helequin, een duivel uit de middeleeuwse legende La maisnie Helequin, waar een troep duivels er ’s nachts te paard opuit trok. Het Franse woord had allerlei nevenvormen als herlequin, hierlekin, hielekin, helquin, hennequin en houdt mogelijk verband met Oudengels *Herla cyning, Middelengels *Herle king, ‘koning Harilo’, die de aanvoerder van Wodans wilde jacht was. Zeker zijn al deze relaties niet. Men denkt voor helequin ook wel aan een afleiding van het Germaanse woord voor → hel 1; Eigenlijk stamt het ital. arlequino op zijn beurt weer uit Frankrijk, waar het woord de duivel, en wel als aanvoerder van de Wilde Jacht aanduidde. In de Middeleeuwen sprak men van de mesnie Herlequin, maar ook Hellequin en Hennequin (vgl. de familia Herlechini bij Ordericus Vitalis). Het mlat. Herlechinus is een weergave van germ. Herlekîn, Herleke, een verkleinwoord van Harilo, dat ‘legeraanvoerder’ betekent en waarmee men Wodan als aanvoerder van de dodenschaar bedoelde. Mysteriën 125 Daar waar het wilde heir of de wilde jacht verschijnt zal het een vruchtbaar jaar zijn. dit geloof bestaat o.a. in Zwitserland en in Zuid-West Duitsland. Hoe wilder het wilde Heir tekeer gaat hoe vruchtbaarder wordt het land. Een boer in Mecklenburg kreeg Frau Gaur op bezoek – een lokale leidster van de wilde jacht – zij raasde met haar honden over een stuk akkerland van hem heen en daar was de opbrengst van de rogge dat jaar tienmaal zo groot! Het wilde heir kan dit omdat zij bestaat uit de doden. Vanuit het geloof dat het leven voort komt uit de dood en het gegeven dat de doden van onder de grond vandaan komen – net als de wortels van het gewas – werd aan hun een vruchtbaar makende kracht toegeschreven. Offers: In Limburg (Beek, Munstergeleen) zette de boer gedurende de kerstnacht een bos haver buiten als offer voor de Wilde Jacht. Dit vooral als voorbehoedmiddel tegen ziekte bij de paarden. 127 In Osnabrück en in Mecklenburg worden broden aan de wilde jacht geofferd in ruil voor welvaart in het volgende jaar.  Soms pakt de wilde jacht zelf iets van zijn gading: In Zwitserland eten zij een complete os op, maar zij verzamelen de beenderen Meestal zijn het de ontijdig gestorvenen die mee moeten reizen in het wilde heir, het zijn de ongedoopte kinderen, zelfmoordenaars, extatici (Crusius), mensen die in de strijd zijn gestorven e..d 107 De vraag is dan: Is het de leider van het leger die hen opjaagt? Of waren ze er van het begin af aan al bij of groeit het aantal tijdens het voortrazen omdat er telkens meer bij komen? Soms wordt er wel op mensen (of dieren) gejaagd, maar dan gaat het om de heksen, de hoeren of een naakte vrouw oid. Niet iets te vgl met de zielen van het afgelopen jaar.. n) Deze weg kan een parallel hebben in de sterrenhemel. Hier ligt de Melkweg die algemeen wordt gezien als de weg die de zielen afleggen naar de ‘Andere wereld’. Een aantal leiders van de wilde jacht geven hun naam ook aan de Melkweg: De Waldemarsweg, en de Iringsweg, de Irminstraat en Caer Gwydion en in Nederland de Bruneldenstraat. (Farwerck 122) Verband met Kunne Klaas? Zijn associatie met Wodan/Odin (Lecouteux) Mogelijke connectie met de Charivari en andere gemaskerde optochten Een connectie met Sinterklaas, iets in de Saksenspiegel ? Zij moeten eeuwig jagen of eeuwig voort dolen, toch zijn ze alleen op bepaalde plaatsen en tijden zichtbaar.  

Makkers staakt uw wild geraas: De betekenis van het Sinterklaaslied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’

zaterdag 24 november 2018 19:35

Het lied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ is een van de meest onbegrepen sinterklaasliederen die we kennen. (1) Vooral de betekenis van de tweede zin is zeer mysterieus: ‘makkers staakt uw wild geraas’. Het lied werd geschreven door de Amsterdamse arts Jan Pieter Heije en voor het eerst uitgebracht in een druk van het boekje ‘Al de kinderliederen’ uit 1845. Daarmee is het waarschijnlijk het oudste – nu nog gezongen – sinterklaaslied. Verder is er niets bekend over de intentie van de schrijver met dit lied. (2) De eerste zin zet de sfeer direct neer: de luisteraar wordt opgeroepen om te kijken naar de maan. Het is en blijft een mooi, sfeervol gezicht als deze door de bomen schijnt. Verder niks aan de hand. Maar dan die tweede vermaledijde zin: wie zijn die makkers? En waarom maken ze zo’n lawaai? Een aantal exegeten beweren dat het de kindertjes zijn die toe worden gesproken om minder druk te doen, maar een kind spreek je niet aan met ‘makker’, ook niet in de negentiende eeuw, dus dat klopt niet. Makkers zijn metgezellen of kameraden. Zij worden toegesproken om met hun lawaai te stoppen. (3) Wie deze makkers zijn en waarom ze zo wild razen wordt duidelijk als we kijken naar een aantal volksgebruiken rondom sint Nicolaas in de negentiende eeuw. Het wild geraas gemaskerde pieten 1948 Al in een bron uit 1659 wordt gezegd: ‘Sinte Claas, die rijke milde man, die is zo goed van geven dat de jongelui hem loven met geraas.‘ In een spotdicht uit 1802 is het Sinterklaas zelf die het lawaai maakt: ‘Zy lachen om Sint Nicolaas die met een ketting loopt en maakt een drommels groot geraas.‘ In een bericht uit 1850 lezen we iets over hoe lawaaierig het er buiten aan toe ging tijdens sint Nicolaasavond: “Gerust kunt ge u nu buiten wagen, Geen zwarte kop met huiden om het lijf geslagen en hoornen op. Geen ketens ramm’len langs de keien als van een beer, Gij hoort geen deur, geen schot rammeijen, Geen angstkreet meer.” In 1863 vertelt de letterkundige Eelco Verwijs van geraas in Friesland: ‘Zo bijvoorbeeld vertonen zich op St.-Nicolaasavond op het Vliet te Franeker de zogenaamde St.-Nicolaasmannen, die vreselijk toegetakeld en vermomd, onder vervaarlijk geschreeuw en geraas de streek langs trekken en zich aan allerlei baldadigheid overgeven.’ Volgens de geschiedkundige Jan ter Gouw gingen in 1871 te Amsterdam de ‘zwarte Klazen’ rond: ‘onder groot rumoer, en met schoorsteenkettingen een afgrijselijke muziek op de straatkeien makende; de buurten rond, om op deuren en vensters te bonzen en met een bullebaksstem te roepen: ‘Synder ook quaje kyeren [kwade kinderen]?’ (4) Deze citaten laten zien dat er op diverse plaatsen in Nederland in de Sinterklaastijd mannen rond gingen die zich angstaanjagend hadden verkleed en die daarbij veel lawaai maakten. Dit zijn de makkers die het wat rustiger aan moeten doen! Er is in de teksten sprake van het maken van lawaai door (jonge?) mannen die zich zwart hadden gemaakt of anderszins hadden vermomd. Het razen wat zij doen is volgens het etymologisch woordenboek woeden, bulderen, in razernij komen of zelfs gek worden. Het kan hier ook gaan om het rammelen met kettingen. Die ketens passen goed bij zwartgemaakte mannen die geesten moeten voorstellen. Zij staan voor de dolende geest die met een ketting nog vastgeketend is aan de materiële wereld, waardoor hij nog niet verder kan naar het hiernamaals. (5) Het heeft ervan dat J.P. Heije een versie kent van dit gebruik waarin dit ‘razen’ en rond gaan gestopt moest worden zodra Sinterklaas zijn bezoek aan de kinderen brengt. In de conclusie vertel ik wat de reden zou kunnen zijn van al dit ‘geraas’. De derde zin is weer vrij duidelijk. Zij vertelt over een ‘heerlijk’ avondje. Het maakt duidelijk dat het een bijzondere avond is; het is Sinterklaasavond. Maar als we kijken naar de etymologie is er hier meer aan de hand: heerlijk betekent gelijk of zoals een heer. Het woord ‘heer’ is verwant aan het oudnoorse ‘harr’ wat ‘grijsharig’ betekent en het oudhoogduitse ‘herr’ wat ‘voornaam’ of ‘heilig’ betekent. Heerlijk is dan de verrukking en het plezier die deze voorname, heilige grijsharige heer teweeg brengt. (6) Sint Nicolaas is deze heer. De stam ‘her’/’har’ zullen we opnieuw tegen komen bij de Harlekijn in het tweede couplet. De koek en de gard Volgens de laatste zin van het eerste couplet kunnen de kinderen tijdens dit bezoek een koek of een gard verwachten, oftewel een beloning of een straf. De koek gaat om de speculaaskoek, een typische lekkernij van de Sint. Mogelijk is deze vernoemd naar de bisschop als ‘speculator’. Dit is Latijn en betekent: ‘hij die alles ziet’. De kinderen werden wijs gemaakt dat de Sint alles kon zien wat het kind het afgelopen jaar had gedaan en zo kon bepalen of hij zoet is geweest en dus lekkers zou krijgen of stout was en daarmee de roe had verdiend! De gard is dan ook niets anders dan een ander woord voor de roe. De roe of gard is een bundel berkentwijgen. Deze werd tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw nog gebruikt door de zwarte Pieten om daarmee de stoute kinderen op de billen te slaan, of daar in ieder geval mee te dreigen! Ook de mannen die vermomd rond gingen hadden meestal berkenroedes bij zich om deze jonge kinderen (maar vaak ook de vrouwen) op de billen te slaan. Dit kon er soms hard aan toe gaan! Sint en Krampusduivel met roe 1901 In dit fragment uit 1802 wordt verteld hoe zoiets te werk ging: ‘Men had, voor tijden, en heeft nog wel hier en daar, de kwade gewoonte, dat men, op den dag, die aan een roomse Heilige, St. Nikolaas genaamd, gewijd is, kerels verkleedde en zwart maakte, die dan die Heilige moesten verbeelden, met rammelende kettingen aan de huizen rond gingen en de kinderen bang maakten. De zoeten kinderen gooiden zij lekkers toe, en sloegen vaak de stoute jongens, welke zij ook ene roede brachten. Ik had een broer, die wat wild was. Mijn ouders meenden hem te temmen, wanneer zij op St. Nicolaas, een zwarte man op hem af zonden. Men maakte hem wijs, dat St. Nikolaas hem mee nemen zou. Toen hij nu die zwarte kerel zag, werd bij zo bang, dat hij, over zijn ganse lijf, beefde. Hij kreeg zware galkoortsen en stierf er aan.’ (7) Hier zien we dus wie – tot ver in de negentiende eeuw – de koek of de gard kwamen brengen: één of meer zwarte mannen die sint Nicolaas moesten voorstellen, deze wordt vaak Zwarte Klaas genoemd. Die bonte harlekijn Harlekijn uit 1601 In het tweede couplet heeft het er van dat er snoep en cadeaus aan de kinderen zijn uitgedeeld. Zij worden vermaand om alles eerlijk te delen. Verder valt alleen nog de harlekijn op. Op het eerste gezicht lijkt dit een onschuldig stukje kinderspeelgoed, maar bij nadere beschouwing is hij de sleutelfiguur in de reden van al het geraas! Deze figuur uit het toneel van de ‘commedia del arte’ (ontstaan in de zestiende eeuw) heeft wel wat van onze zwarte Piet. Hij heeft vaak een zwart masker op en een veelkleurig kostuum. Hij is grappig en acrobatisch en vaak speelt hij een dienaar. Tegenover de harlekijn staat de pierrot met het witte gezicht. Pierrot betekent kleine Piet. (8) De harlekijns komen we ook tegen op een schilderij van de intocht van Sinterklaas door de Noord-Nederlandse Matthijs Naiveu uit 1703. Hier zien we duidelijk linksonder een kleine zwarte Piet strapatsen uithalen samen met twee harlekijns. Sinterklaas zelf heeft het druk met het tuchtigen met de roe van twee vechtende kinderen. In een tekst uit 1717 van ene Jan van Gijsen lijkt het er op dat Sinterklaas zelf een harlekijnspak aan heeft!: ‘Een Amsterdammer kwam gekleed als Harlekien,  In schijn van Sinte Klaas, en deelde aan hun mede Wat lekker was, of mooi gelijk de Al-Ouden deden.’ (9) Harlekijn en de Wilde Jacht Het woord harlekijn is echter nog ouder, het stamt af van de ‘maisnie Hellequin’, dit was in de folklore van Frankrijk een troep duivels die er ’s nachts te paard op uit trok onder aanvoering van Hellequin, een figuur met een zwart gemaakt gezicht. Zij waren er op uit om de zielen naar de hel toe te jagen. Deze figuur staat weer in verband met de legendarische Engelse koning Herla cyning die een van de aanvoerders van de wilde jacht was. Beide figuren vinden we al in teksten uit de twaalfde eeuw. (10) Johan Wilhelm Cordes – Der wilde jagd ca. 1869 De harlekijn is dus een nakomertje van koning Herla, de aanvoerder van de Wilde Jacht! Een beroemdere aanvoerder van de Wilde jacht is natuurlijk de Germaanse god Wodan. Ook van deze figuren uit de folklore wordt gezegd dat zij met wild geraas – en soms ook met zwart gemaakte gezichten – rond trokken. Sinterklaas die met zijn donkere knecht en zijn vliegende paard overal cadeaus brengt wordt dan ook vaak gezien als – deels – ontstaan uit de verhalen rondom de Wilde Jacht. (11) Conclusie Sinterklaas als nar of harlekijn. Centsprent uit 1750 Het lied ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ is een glimp die ons wordt gegund op een oudere mentaliteit, waarin de scheidslijn tussen de mensenwereld en die van de geesten nog dun is, en op bijzondere tijden – zoals de midwinter – zelfs even doorbroken kan worden. Sinterklaas als harlekijn klinkt lachwekkend, maar is vanuit deze achtergrond begrijpelijk. Hij is dan te zien als Herla/Wodan de aanvoerder van het geestenleger dat bekend staat als de Wilde Jacht of het wilde Heir (=leger). Deze heer met zijn ‘heir’ moet aan het einde van het jaar op de zielen van degenen jagen die het afgelopen jaar zijn gestorven. Als zij ze gevangen hebben nemen zij ze mee naar de Andere wereld. Dit jagen gaat gepaard met groot kabaal. De zielen worden op deze wijze bang gemaakt, uit hun schuilhoeken gedreven en opgejaagd. Op de drempel naar de nieuwe zijnstoestand, waar zij de ‘Andere wereld’ moeten betreden zou het oordeel plaatsvinden van de ‘alziende speculator’. Krijgen ze straf voor slecht gedrag tijdens hun leven, of worden ze beloond voor hun goedheid? In een meer algemeen kader zal het geestenleger het ‘kwade’ en ‘afgeleefde’ van het vorig jaar opruimen om zo plaats te maken voor nieuw leven in het nieuwe jaar. (12) De mannen in de dorps- en buurtgemeenschappen gingen aan het einde van het jaar al lawaai makend in een optocht rond en droegen dan maskers of maakten hun gezichten zwart om zich zo als geesten te vermommen. Zo eerden zij de vooroudergeesten en hielpen zij mee met de opruimingstaak die – op een energetisch niveau – door de echte geesten werd uitgevoerd. Zij zijn de makkers met hun wilde geraas! Toen dit ritueel in de negentiende eeuw nog wel werd gespeeld maar niet meer werd begrepen, waren de kinderen de vervanging van de doden. Nu waren zij het die werden meegenomen in de zak naar ‘Spanje’ (een eufemisme voor de Andere/onderwereld) en nog steeds bleef het de vraag: zijn de kinderen zoet geweest of stout? Worden ze beloond met de koek of gestraft met de gard?! (14) Abe van der Veen Zie voor meer achtergrond dit artikel: http://www.abedeverteller.nl/de-vroegste-bronnen-van-zwarte-piet-en-zwarte-klaas/ 1) Dit is de tekst van het liedje: Zie de maan schijnt door de bomen Makkers staakt uw wild geraas. ’t Heerlijk avondje is gekomen ’t avondje van Sinterklaas. Vol verwachting klopt ons hart Wie de koek krijgt, wie de gard Vol verwachting klopt ons hart Wie de koek krijgt, wie de gard O wat pret zal t’zijn te spelen Met die bonte harlekijn Eerlijk zullen w’alles delen suikergoed en marsepein maar, o wee, o bittere smart kregen wij voor koek een gard. Maar, o wee, wat een bittere smart kregen wij voor koek een gard! https://www.songteksten.nl/songteksten/28559/sinterklaas/zie-de-maan-schijnt-door-de-bomen.htm 2) https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/feestdagen/81581-de-leukste-sinterklaasliedjes-en-zijn-geschiedenis.html http://www.henkvanbenthem.nl/sinterklaas/sint-nicolaasliederen/zie-de-maan-schijnt-door-de-bomen/ 3) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/makker https://onzetaal.nl/kregen-wij-voor-koek-een-gard/ 4) www.abedeverteller.nl/de-vroegste-bronnen-van-zwarte-piet-en-zwarte-klaas/ sintenpietengilde.nl/literatuur/ Je zou zelfs kunnen zeggen dat de razende uitzinnig wordt, hij raakt uit zichzelf en treedt uit zijn lichaam om op deze wijze een geest te worden. 5) Denk hierbij ook aan de geesten uit ‘A christmas Carol’ die allen vast zitten aan kettingen. https://www.enotes.com/homework-help/christmas-carol-marleys-chain-an-importan-symbol-602246 6) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/heerlijk 7) sintenpietengilde.nl/literatuur/ 8) https://en.wikipedia.org/wiki/Harlequin#History 9) sintenpietengilde.nl/literatuur/ 10) Lecouteux, C. – Phantom armies of the night 87-117 11) Janssen, L. – Nicolaas, de duivel en de doden 92-108 12) Het bijeengaren van de zielen als taak van de Wilde Jacht wordt een enkele keer genoemd, maar meestal niet. Dat dit zijn bijzondere taak zou zijn blijft daarmee een speculatie, voor mij is het qua symboliek passend en aannemelijk. Janssen 107 13) Het is opmerkelijk dat al het in het lied genoemde snoepgoed een rol speelde in ‘vrijerij’. Sinterklaas werd de ‘goedheiligman’ genoemd. Dit is een verbastering van “goet-hylik man” wat je weer kan vertalen als “goed-huwelijks man”. Dit maakt hem tot een soort van huwelijksmakelaar. Hij was de patroon van alle vrijers oftewel al diegenen die op zoek waren naar een goed huwelijk. De koek uit het lied is naw een speculaaspop. Deze werd ook wel een vrijer genoemd. Als je er tijdens het feest van Sinterklaas één kreeg, dan had je een aanbidder. Suikergoed is zoet snoepgoed. Dit had vroeger veelal de vorm van een hartje. Ook dit was – net als de Vrijer – een liefdesteken van een aanbidder. Jongens konden ook nog met een stuk marsepein (ook vaak in hartvorm) een meisje hun liefde verklaren. Helaas kan ik voor deze symboliek geen primaire bronnen vinden. 14) Puur qua rituele en mythische betekenis zou ik Piet graag zwart hebben gehouden, maar ik moet helaas erkennen dat dit diepere aspect allang niet meer door de grote massa wordt herkend. Ik zal ook niet zo naïef zijn om te denken dat dit besef nog snel terug zal komen. Het feest in zijn huidige vorm is dusdanig geseculariseerd en geciviliseerd dat het niet meer uitmaakt of Piet zwart is of roetvegen heeft of anderszins. De kinderen zullen er niet minder van genieten en alle mensen met een Afrikaanse oorsprong of met een donkere huidtint zullen er dan naar alle waarschijnlijkheid meer van kunnen genieten. De volwassene met een bleke teint had al bijna de sint in de uitverkoop gezet en was dan overgelopen naar de kerstman, ware het niet dat met het Sinterklaasjournaal en de vele bioscoopfilms de Sint weer ‘hip’ was gemaakt. Die ‘normale’ volwassen Nederlander keek ook al niet om naar meifeesten, oogstfeesten en andere allang verdwenen gebruiken en die maalt zeker niet om de diepere, esoterische betekenis van het feest. Dus waarom die hakken in het zand? Het sinterklaasfeest blijft een prachtig feest wat velen dierbaar is, maar het zal niet verdwijnen. Sint verdwijnt niet als Piet roetvegen krijgt, het kinderfeest blijft bestaan, maar verandert weer een stukje en zo is dat alle vele malen eerder zo gegaan. Dit doen is niet impliciet toegeven dat je fout zat en al die tijd racist was, maar dat je erkent dat er elementen van racisme in het uiterlijk van Zwarte Piet zitten en dat je dus over je eigen schaduw heen kan stappen. Ik zou persoonlijk kunnen leven met een roetpiet. Dit zou een mooie handreiking zijn naar degenen die moeite hebben met het racistische element dat gaandeweg toch ook in Piet is geslopen. En toch snap ik dat dit verrekte moeilijk is voor velen. Dit komt omdat de Piet-discussie onlosmakelijk verbonden is geraakt aan een breder racismedebat. Het toegeven aan verandering wordt namelijk lastiger gemaakt doordat het lijkt dat je toe moet geven aan een leugen. De oorsprong van Piet ligt een stuk complexer dan het negerslaaf verhaal en de liefhebber van Piet doet dit geenszins vanuit racistische motieven (al zitten er zeker racisten tussen). Door zwart op te geven lijkt het dat je leugens moet accepteren als alternatieve waarheden omdat de ‘tegenpartij’ heeft gewonnen en de winnaar heeft altijd gelijk! De blanke/witte is schuldig ad infinitum, want de erfzonde van slavernij en kolonisatie blijft eeuwig aan hem plakken. Toegeven zou betekenen dat je deze erfzonde accepteert en zo maak je je eeuwig schuldig! Deze polarisering is om triest en soms ook om woedend van te worden. Pas als je je aan laat spreken door al deze beschuldigingen wordt het doen van een kleine geste – roetveeg bv. – een enorm moeilijke stap. Juist als je dit koud van je af laat glijden, omdat het werkelijk niets met jou als persoon te maken heeft, kan je grootmoedig zijn. Dan wordt het aanpassen van het uiterlijk van Piet weer een bagatelle, een kleinigheid. Je kunt een voorkeur uitspreken, maar hé waar doen we eigenlijk moeilijk over? Maar mag dit toegeven dan ook van twee kanten komen? Wie donker van tint is kan er ook voor kiezen om zich niet te laten beledigen of te laten kwetsen. Als er duidelijk geen intentie daartoe is, is dat vrij makkelijk. Als het gaat om een licht pesterijtje – hé daar loopt zwarte Piet! – dan is dat ook prima van je af te schudden. [ik doe hetzelfde als ik weer eens nageroepen wordt met ‘hé daar loopt Jezus’ vanwege mijn lange haar en baard] Er zijn meer en belangrijkere redenen om je zwart te schminken dan ‘blackface’ en daarom mag je moeite doen om die associatie van, zwart gezicht is denigrerend naar gekleurde mensen toe, kwijt te raken. Dat betekent dat negatieve gevoelens je niet meer aangedaan worden, je hebt het zelf in de hand. De ander eeuwig schuldig maken, betekent jezelf eeuwig slachtoffer maken en wie doe je daar in godesnaam een plezier mee? Hiermee ophouden is waarschijnlijk de belangrijkste handreiking naar het ‘andere kamp’. De veel gehoorde zinsnede ‘zwarte Piet is racisme’ is veel te kort door de bocht. Racisme zit niet in het wezen van de zwarte piet maar in de hoofden van mensen die bij dit symbool een negatief geladen mentaal plaatje maken. Het lijkt mij dat iedere organisatie zelf mag bepalen welke vorm en kleur van Piet hij zal kiezen. Er is in deze tijd geen voor iedereen goede keuze te maken. Er is wel de mogelijkheid om persoonlijk ervoor te kiezen om je niet gek te laten maken, je niet op de kast te laten jagen, je niet te laten kwetsen of beledigen om elkaar als medemensen te zien in plaats van ‘hullie van het pro- dan wel contra- zwartepieten-kamp’. Dat betekent naar argumenten luisteren ook al zinnen ze je niet, daar inzichten over opdoen en je oude mening soms bijschaven, ook al doet dat even pijn, zodat je nader tot elkaar komt en dit kan en moet zelfs van twee kanten komen. Voor de grote publieke feesten lijkt me de roetveegpiet de weg. In kleine kring denk ik dat we er samen best uit kunnen komen. De ene keer zal dit leiden tot roetveeg, een andere keer wellicht tot ‘Krampus’ en het zal ook heel vaak tot Zwarte Piet leiden en ook daar is – vanuit de juiste intentie – niks mis mee.

De symboliek van de roos

dinsdag 10 juli 2018 13:21

Wilde roos De roos werd door de Griekse dichteres Sappho al ‘de koning(in) der bloemen’ genoemd. In een Indiase mythe kibbelen de goden Brahma en Vishnu erover welke bloem de mooiste is: de roos of de lotus? Toen Vishnu aan Brahma een prachtige roos liet zien was hij overtuigd. De roos is de mooiste der bloemen! Vervolgens schiep hij uit honderden rozenblaadjes de godin Lakshmi als bruid voor Vishnu. Waarom is nu juist de roos verkozen als koningin, de mooiste der bloemen? Dit heeft onder andere te maken met haar oorspronkelijke vorm van vijf witte of roze blaadjes rondom het hart van de bloem. Het type roos zo wij die nu kennen ontstond pas vanaf de achttiende eeuw. Toen ging men de roos in deze streken kweken en cultiveren en kreeg zo haar myriade aan vormen. Rond 1800 werd de rode roos gekweekt, daarvoor was zij rose of wit. Toch komt de naam van de roos van het Griekse ‘rhoden’ wat rood betekent. (1) Het ontstaan van de roos Geboorte van Venus – Botticelli (Met links de rozen die neerdwarrelen) De roos is gewijd aan meerdere grote godinnen: aan Cybele en Isis, Frigg, Venus en Aphrodite. Een beeld van de godin Cybele werd jaarlijks door de straten van Rome getrokken en bedolven onder rozen. Apuleius vertelt in zijn roman ‘De gouden ezel’ dat hij (na zijn transformatie in een ezel) zijn menselijke gedaante terug kreeg door het eten van de rozenkrans uit een processie ter ere van Isis. Hij dankte daarna deze godin. De wilde hondsroos is gewijd aan Frigg, de vrouw van Odin, deze heet nog steeds Friggdorn in Germaanse landen. (2) De roos als bloem van de liefde is gewijd aan de godin van de liefde Venus/Aphrodite. Zoals Venus de mooiste is der godinnen, zo is de roos de mooiste der bloemen. Toen Venus ontstond uit het schuim van de zee (dit schuim ontstond uit de genitaliën van Uranus toen die in zee werden geworpen) veranderde het schuim dat terecht kwam op de aarde in de eerste rozen. Er wordt ook gezegd dat de roos is ontstaan uit de ster van Venus, de avondster (‘Stella Veneris’). Ze zouden rood zijn geworden doordat Eros – de zoon van Aphrodite – tijdens zijn dans nectar of wijn morste op de bloem. Het ontwaken van Adonis – J.W. Waterhouse 1899 Volgens een Gnostische tekst uit de derde eeuw n. Chr. was de roos de eerste bloem op aarde. Zij werd gemaakt van het maagdelijke bloed van Psyche, nadat zij had gevreeën met Eros. Ook wordt er verteld dat de rode rozen ontstaan zijn uit het bloed van Adonis en de witte rozen uit de tranen van Aphrodite uit verdriet om zijn dood. In de christelijke folklore waren de rozen in de tuin van Eden oorspronkelijk wit, maar toen Eva bij haar verbanning een roos meenam veranderde deze spontaan van kleur en werd rood. Een teken van haar verloren onschuld en maagdelijkheid. (3) Als late lentebloem is hij te zien als een teken van de geofferde vegetatiegod die in het voorjaar terugkeert. Ook Jezus is te zien als een dergelijk offer: in de folklore wordt gezegd dat Jezus’ doornenkroon gevlochten is van rozentwijgen en de middeleeuwse geleerde Albertus Magnus vertelt dat zijn druppels bloed die onder het kruis op de grond vielen veranderden in rode rozen. (4) De Rosalia: de roos als dodenbloem De rozen van Heliogabalus – Alma Tadema 1888 De roos werd door haar associatie met de jong gestorven schone lentegod ook een symbool voor de dood en dan vooral als deze dood een jongeling betrof. Tijdens de Romeinse Rosalia (rozenfeesten) in de meimaand werden er rozenkransen gelegd en rozen gestrooid op de graven. De Rosalia was een feest om de doden te gedenken. De rode rozen waren wellicht een teken van de tuin van Venus (of de eilanden der gelukzaligen) waar de zielen van de gestorvenen als kleine ‘eroten’ rondvlogen. Door middel van het offeren van rozen werden ze een veilige reis naar die plek toegewenst. Romeinse keizers zoals Nero en Heliogabalus lieten ook veelvuldig en in enorme hoeveelheden met bloemblaadjes (waaronder meestal veel rozen) strooien tijdens hun orgiën. Dit feestelijk gebaar eindigde bij Heliogabalus echter in een drama toen enkele gasten stikten onder de grote hoeveelheid bloemblaadjes. (5) Rozen werden al op de graven geplant door de heidense Germanen en ook later nog op vele kerkhoven in Europa. De dodenakker van kinderen wordt in Zwitserland het rozentuintje genoemd. Ook het slagveld heet wel een rozengaarde. Als iemand een witte roos op zijn stoel aantreft dan werd dit gezien als een teken van zijn naderende dood. (6) Sub Rosa: De roos als teken van vertrouwelijkheid In een Griekse mythe wordt verteld dat de liefdesgod Eros aan Harpokrates de eerste roos gaf opdat hij zou zwijgen en het – soms indiscrete – gedrag van zijn moeder Aphrodite niet zou verklappen. Harpokrates was bij de Grieken een god van de stilte. Deze vertrouwelijkheid werd ‘sub rosa’ genoemd en was mogelijk al een onderdeel van de mysteriën van Venus, want van de ingewijden in een mysteriegodsdienst werd verwacht dat men zweeg over alles wat er tijdens de rite meegemaakt was. Zo werd de roos een symbool voor geheimhouding en vertrouwelijkheid. De frase ‘sub rosa’ betekende dus al in de Romeinse tijd ‘in vertrouwen’. In feestzalen werden schilderingen van rozen aangebracht als teken om datgene wat onder invloed van wijn gezegd was vertrouwelijk te houden. Ook hingen de Romeinen rozenslingers aan de zoldering van vergaderzalen als teken dat de gesprekken op die plek vertrouwelijk waren.  (7) Biechthokje met roos Dit beeld van de roos als teken van vertrouwelijkheid en discretie bleef voortbestaan in de Middeleeuwen. Rozen werden gebeeldhouwd in kloosterzalen en raadskelders, telkens om aan te duiden dat hier geheime besprekingen – ‘sub rosa’ – werden gehouden. In de zestiende eeuw liet paus Adrianus VI (de enige Nederlandse paus! 1522-1523) bij decreet de roos als symbool van zwijgzaamheid boven de biechtstoelen in de katholieke kerk aanbrengen. (8) De roos van vlees Venus verticordia – Dante Rossetti 1868 Door de associatie van de roos met Venus en Aphrodite werd de bloem het teken van liefde. Maar hierbij blijft het de vraag om welke liefde dit gaat. Zij is als Aphrodite Pandemos de godin van de vleselijke liefde en als Aphrodite Urania de godin van de etherische, hemelse liefde. De roos werd gedragen door haar priesteressen. Dit ging soms om priesteressen die ook deden aan sacrale seks. Mogelijk ging het zich tooien met rozen daarom langzamerhand over op vrouwen die seks hadden voor geld. De roos zelf werd in de Romeinse tijd o.a. gezien als een middel om wellust op te wekken, ze werd voor dat doel in en op de vrouwelijke geslachtsdelen gelegd. Ook publieke vrouwen tooiden zich in de Romeinse tijd nogal eens met rozen. Bijvoorbeeld op 23 april tijdens het wijnfeest de Vinalia: ter ere van Venus tooiden de lichtekooien zich dan met rozen en mirte. Zij offerden deze bloemen aan de godin in ruil voor schoonheid en populariteit. (9) Nu kwam seksualiteit, en daarmee ook Venus in de middeleeuwen in een kwade reuk te staan. Bordelen werden toen soms Venustempels genoemd en prostituees noemde men wel ‘Venusdiertjes’. Ook in de middeleeuwen waren de publieke vrouwen te herkennen doordat zij rozen droegen. Dit werd in deze periode echter gezien als een teken van schande. De Franse laatmiddeleeuwse schrijver Pierre Col zegt dat de roos een teken is van de vulva en de Sufi-dichter Fariduddin Attar (12e eeuw n. Chr.) bezingt de roos als symbool van de erotische liefde: ‘Ik denk aan niets anders dan de roos, ik wens niets anders dan de robijnen roos.’ ‘Haar roosje plukken’ is al sinds de zestiende eeuw een eufemisme voor de ontmaagding van een jonge vrouw, waarbij de roos een aanduiding is voor de vagina. (10) De maagdelijke roos Illustratie uit Roman de la Rose 1490 Mogelijk is dit gegeven nog ouder. In het – destijds – uiterst populaire gedicht ‘Roman de la Rose’ van de troubadour Jean de Meung (dertiende eeuw) gaat een jongeman in de maand mei op zoek naar de ‘Roos’. Hij belandt in een prachtige tuin vol met bloemen. Voor hem is deze tuin te vergelijken met het paradijs en zijn minnares met een roos. Natuurlijk wil hij deze maar al te graag plukken. Hier staat de roos in ieder geval voor de romantische liefde en wellicht ook voor de ontmaagding. Al in het oude Rome werden de maagdelijke meisjes getooid met rozen op het feest van de god Hymen. In de zestiende-eeuwse Schotse ballade van Tam Lin waagt de jonge Janet zich in een verboden woud en bij een bron ziet zij een rozenstruik en plukt dan een roos. Vlak daarna ontmoet zij de elfenprins Tam Lin die haar diezelfde nacht nog ontmaagd. Haar roosje is geplukt.. (11) De mystieke roos Hier tegenover staat de roos als teken van hemelse en pure, maagdelijke liefde. In de middeleeuwen werd de roos gewijd aan de maagd Maria. In haar litanie wordt zij o.a. de ‘mystieke roos’ genoemd. Het woord mystiek betekent geheimzinnig en komt van de mysteriën (zoals die van Cybele, Isis en Demeter), dus alleen bedoeld voor de ingewijden en geheim voor de leken. Het embleem van het mystieke genootschap van de Rozenkruisers is de roos in het midden van een kruis, dus op de plaats van het hart van Christus. Dat is de plaats waar men wakker kan worden voor het geestelijk beginsel dat als een rozenknop in ieder leeft. (12) Gustave Doré – De hemelse roos De Italiaanse dichter Dante (1265-1321) schrijft in zijn ‘La divina comedia’ over de ‘hemelse roos’ waarin het hemels paradijs de vorm heeft van een stralende, witte roos: de zogenaamde ‘Candida Rosa’. In het midden daarvan zetelt Maria als koningin van de hemel, met rondom haar de gezegende zielen, waaronder ook zijn geliefde Beatrice. Dante was de eerste die het symbool van de witte roos gebruikte om het hemels paradijs te omschrijven, maar hij gebruikte ook de meer gangbare vorm van een tuin gevuld met rozen. (13) De roos en de maagdelijke moeder De ‘hortus conclusus’, de ommuurde rozentuin waarin de maagdelijke Maria verbleef werd afgebeeld als een nieuw paradijs, met nu Maria in plaats van Eva in het midden. Eva ontdekte via het eten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad dualiteit en seksualiteit. Zij werd uit het paradijs verdreven en kwam buiten haar centrum, de witte roos werd rood. De bevruchting van Maria in de ‘hortus conclusus’ ging via de Heilige Geest, de lelie en de engel Gabriël. Zij werd zwanger van Jezus terwijl de muur van haar tuin omsloten was oftewel haar baarmoeder bleef ongeopend. In de apocrieven werd Anna – de moeder van Maria – zwanger door te ruiken aan een roos, ook zij kreeg een kind en bleef tegelijk maagd. Maria moest maagdelijk/zonder erfzonde zijn en zelf ook uit een maagd geboren worden. Dit is een grote paradox. Ook de grote godin Hera kent zo’n paradox; ondanks haar huwelijk met Zeus blijft zij toch eeuwig maagdelijk. Door zich jaarlijks te wassen in een bepaalde bron herstelt zij haar maagdelijkheid. Het hymen is weer intact. Hoe is zoiets mogelijk? De pijl van Amor treft wel degelijk doel en raakt de ‘roos’. Alleen deze ‘mystieke’ roos heeft haar ingang niet in de fysieke vagina, maar in het geestelijke hart. Door middel van de sacrale liefde vindt een geestelijke bevruchting plaats. Het kind dat hieruit ontstaat, zal zonder zonde zijn en blijven. De erfzonde van Eva wordt door Maria ongedaan gemaakt. (14) De roos en het mystieke huwelijk Roos met kruis, een symbool van de Rozenkruisers In die staat vindt de volgende onmogelijkheid plaats: het kind en/of de minnaar van de godin gaat dood, maar kan toch weer herleven. Christus gaat dood en komt weer tot leven om zo verlossing te brengen aan de mensen. Adonis sterft en komt dan terug uit de onderwereld en brengt zo de lente en het nieuwe jaar. In de traditionele Engelse ‘mummers’ dans genaamd ‘De roos’ wordt ook op symbolische wijze een dood en herleving weergegeven: In de dans wordt met vijf zwaarden een vijfster gemaakt waardoor de ‘jonge dwaas’ zijn hoofd moet steken. Dit is de ‘roos’, het centrum met vijf punten/bloemblaadjes. Hij wordt symbolisch onthoofd, maar zal herrijzen doordat hij een elixer toegediend krijgt met de naam ‘dauwdruppel in de roos’. Dit staat symbolisch voor het zaad in de vagina, maar op een dieper niveau staat het voor de geestelijke eenwording van het mannelijke in het vrouwelijke. De vijfster als pentagram staat voor de wereld van de vijf zintuigen, wie van buitenaf de roos aanschouwd valt in de valkuil van de materiële wereld. Hij wordt onthoofd; het hoofd wordt door het zwaard als symbool voor de wereld van de gedachten gescheiden van het lichaam. Alleen de diepe wederzijdse doordringing van twee geliefden tijdens het mystieke huwelijk (denk aan de ‘chymische Hochzeit’ van Christian Rosencreutz, de legendarische stichter van de Rozenkruisers) waarin de dauwdruppel in de roos komt kan de ziel wekken uit de semi-dood om wedergeboren te worden in een hoger bewustzijn. Nu wordt de roos van binnenuit ervaren. De tijd van het nieuwe paradijs is aangebroken! (15) Conclusie Al deze symboliek was bestemd voor de ingewijden van de mysteriën en dus geheim: ‘sub rosa’. Wie deze geheimen toch openbaart gooit ‘paarlen voor de zwijnen’ of ‘rozen voor de ezels’. In de ‘chymische Hochzeit’ wordt dat al in het titelblad geadviseerd, toch is dat precies wat Apuleius doet in zijn roman. (16) Hij eet als ezel de rozenkrans van Isis en wordt weer mens! Echter niet zomaar een mens, een ingewijde in de mysteriën van Isis, de godin van de roos. Ook degene die bidt met het gebedssnoer de ‘rozenkrans’ – en gebeden doet ter ere van Maria – overdenkt de mysteriën van de maagdelijke moeder en de zoon die sterft en toch leeft. (17) Wie op deze rozen mediteert en kauwt kan het geheim doorgronden. Hij weet het logge fysieke lichaam te ontstijgen om te komen in de paradijselijke rozengaarde waar de maagd toch moeder en minnaar is en de jong gestorvene zich nog nooit zo levend heeft gevoeld! De roos staat in het centrum van deze symboliek en is daarmee de mooiste bloem, de koningin der bloemen! Abe van der Veen http://www.sacred-texts.com/cla/pos/pos07.htm Sappho – Ode aan de roos: ‘If it pleased the whim of Zeus in an idle Hour to choose a king for the flowers, he surely Would have crowned the rose for its regal beauty, Deeming it peerless’ Beekman en Olofsen – Flora’s kus 95 http://mirrorofisis.freeyellow.com/id125.html Het lijkt een discrepantie dat de roos nog niet rood was en er toch mythen zijn over het ontstaan van de rode roos. Misschien werd roze in die tijd ook rood genoemd. De kleur roze is juist weer vernoemd naar de roos. Lankester, Ko – De Keltische maankalender in het zonnejaar 124 Apuleius – De gouden Ezel Hoofdstuk 47 Lankester 125 http://mirrorofisis.freeyellow.com/id125.html Lejeune en DeCleene – Compendium van rituele planten 922 Oordt, Hendrik van – Bloemen taal en symboliek 159 https://en.wikipedia.org/wiki/On_the_Origin_of_the_World Lankester 125 Walker, Barbara – A dictionary of symbols and sacred objects 422 http://www.patheos.com/blogs/religioromana/2011/05/rosalia-2/ http://penelope.uchicago.edu/~grout/encyclopaedia_romana/severans/roses.html https://en.wikipedia.org/wiki/Rosalia_(festival) De lentefee bij de Serven en Slovenen is vernoemd naar de roos, Rusalka, hun lentefeest heet rusalija dan tooien zij zich met rozen. Deze Rusalka is vernoemd naar de Rosalia van de Romeinen. Het feest Zemic heet ook wel Rusallii en is dan weer naar haar vernoemd. Het is een combinatie van een vruchtbaarheidsfeest en een herdenking van de vroegtijdig gestorvenen. De Rusalka zijn te vroeg gestorven jonge vrouwen. Zij zouden in het water leven en er op uit zijn om jongemannen te laten verdrinken. Maar tijdens de Rusalii/ Zemic komen zij uit het water om de velden te bevochtigen en vruchtbaar te maken. Rituele planten 940 Uyldert, M. – De taal der kruiden 139 https://en.wikipedia.org/wiki/Green_week Uyldert 133-139 Lejeune en Decleene 928 Walker – Encyclopedia of myths and secrets 866 https://en.wikipedia.org/wiki/Harpocrates Uyldert 133 Lejeune en Decleene 932 https://en.wikipedia.org/wiki/Sub_rosa De Roos van vlees is een boek van Jan Wolkers. Natuurlijk bedoeld hij hier de vagina mee. Morford, Mark – Classical mythology 116 Muntingh – Nauwkeurige beschryving der aardgewassen 1696 198 https://leesmaar.nl/munting/boek2/031.htm Ovidius – Fasti 4 863-872 Decleene en Lejeune 922 Walker 866 https://www.ensie.nl/populaire-uitdrukkingen/roosje https://en.wikipedia.org/wiki/Roman_de_la_Rose Decleene en Lejeune 922 Briggs, K – A dictionary of Fairies op Young Tamerlane http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/mystiek https://www.trouw.nl/home/geen-rozen-voor-de-ezels~a24dbfee/ Dante – Paradiso canto 32 http://www.italianstudies.org/comedy/Paradiso32.htm https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1179/ita.1986.6.1.19?needAccess=true&journalCode=yita20 Beekman en Olofsen 98 https://en.wikipedia.org/wiki/Hortus_conclusus Walker 433 https://en.wikipedia.org/wiki/Kanathos Walker 866 Wilkins, Eithne – The rose-garden game 81 „Enthüllte Geheimnisse werden wohlfeil, entweiht, verlieren sie ihren Wert. Also: Wirf keine Perlen vor die Säue, und streue dem Esel keine Rosen.“ https://anthrowiki.at/Chymische_Hochzeit_Christiani_Rosencreutz_Anno_1459 https://nl.wikipedia.org/wiki/Rozenkrans Andere interessante weetjes: Geopend is de roos het de vrouw in haar volle bekoorlijkheid. De maagd is echter een roosje in de knop. Op rozen zitten, over rozen gaan, slapen als een roos = Roos als teken van gelukzaligheid. Je krijgt mooie blozende wangen bij het kind als je zijn badwater onder een rozenstruik giet, of anders het menstruatiewater bij de eerste menstruatie. Mogelijk is de stekel waarmee Brynhilde en Doornroosje in slaap vallen een stekel van een roos. Uit het bloed van Adonis zou de Adonisroos ontspruiten. In het voorjaar meestal anemonen gebruikt in de zomer werd het gevierd met rozen. Een Duitse sage zegt dat de duivel langs de haagroos weer omhoog naar de hemel probeerde te klimmen. Toen boog god de rozentakken naar beneden en zo hangen ze nu nog. De wilde roos of egelantier was een zinnebeeld van jonge liefde, en werd geplukt door de jongeman die zo zijn gevoelens kenbaar maakte. Op de eerste mei kan je voor het venster van je geliefde een mei planten. Doe je dat van egelantier dan is dat dus de jonge liefde. De roos is bij de Arabieren ontstaan uit een zweetdruppel van Mohammed. De sage van de H. Elisabeth van Thüringen die brood meenam voor de armen dat veranderde in witte rozen. Cupido werd gestoken door een bij toen hij aan een roos rook, Aphrodite plaatste die stekel daarna op de roos. Witte rozen werden rood doordat Venus haar blote voeten prikte aan een roos, haar bloed kleurde de bloem rood. De rozentuin van Laurin de elfenkoning is zijn grote trots met de mooiste rozen, die betoverend lekker ruiken. Niemand mag eraan komen. Wie dat wel doet moet zijn linkerhand verliezen. Hij rooft Similde de dochter van de koning op de eerste mei. Hij denkt veilig te zijn met haar in zijn rozentuin omdat hij zijn onzichtbaarheidsgordel draagt. Toch wordt hij ontdekt door ridders vanwege de bewegingen die de rozen maakten als hij er langs liep. Sindsdien is de tuin alleen te zien in de schemer. Het staat ws voor de roze-rode gloed van een Alpenkam die juist te zien is in de schemering.   https://en.wikipedia.org/wiki/King_Laurin Bij de rozenkruisers verwijst de roos naar het geestelijke onsterfelijke beginsel dat zich bevind ter hoogte van het fysieke hart. Het staat ook bekend als de goddelijke vonk, de geestvonk, het oeratoom, de parel of de lotus. Als dit beginsel nog niet werkzaam is, wordt er wel gesproken over de rozenknop. Deze kan openbloeien op het kruispunt van de horizontale en de verticale balken van het kruis, dat een symbool is voor de mens. De horizontale balk van het kruis verwijst naar het leven in deze wereld, de verticale naar de instroming van het goddelijke licht dat in de wereld straalt. William Shakespeare: “What’s in a name? That which we call a rose by any other name would smell as sweet.” Romeo en Juliette 2-2 In the Tarot the rose is considered a symbol of balance. It expresses promise, new beginnings, and hope. Its thorns represent defense, physicality, loss, thoughtlessness. In the major arcana the rose appears on the Magician, Strength, Death and Fool cards. All of these cards hold strong meanings of balance and equilibrium. De wilde roos vormde met zijn vijf bloemblaadjes een natuurlijk pentagram. Zij was overal gewijd aan de godin. Stond bekend als de bloem van Venus en werd gedragen door haar priesteressen. Arabische mystici hadden het over het paradijs Gulistan:”de rozengaarde. Het paradijs was gecentreerd rondom deze roos van liefde. La rose is metafoor in Frankrijk voor het maagdenvlies. Bij de troubadours en de Arabische dichters is de roos metafoor voor de vagina. Walker 433 De alchemistische roos: rood en wit als symbool van de heilige baarmoeder. Het rozenvenster in Chartres keek uit naar het westen (richting van het paradijs), heette de roos van Frankrijk en had Maria in zijn centrum. Maria werd aangesproken als de roos, de rozentuin, rozenkrans of mystieke roos. Walker 866 De ‘mummers’ dans in Engeland genaamd ‘de roos’ Waarbij vijf dansers een vijfpuntige ster van zwaarden over een ‘slachtoffer’ maken. Deze dwaas wordt symbolisch onthoofd en weer herrezen door een elixer genaamd ‘de dauwdruppel in de roos’. (eufemisme voor het zaad in de vagina) Dauw staat voor zaad (al in het Hooglied) Zoals de roos dauw ontvangt zo ontving Maria’s ziel de hemelse dauw en werd zwanger van Jezus (Meister Eckhart) Er werd bij de dans gezongen: ‘ring around the rose wreath’, of ‘ring, ring a rosy, pocketfull of posies, atchoo, atchoo, all fall down’. https://en.wikipedia.org/wiki/Rose_(symbolism)      

De eik: koning van het woud

maandag 28 mei 2018 21:14

Monumentale eik Hilverbeek De eik is gekoppeld aan de zevende maanmaand in de Keltische bomenkalender. Hij heerst over de periode van tien juni tot en met zeven juli, waarin ook de Midzomer valt. In de natuur heersen de mannelijke krachten van activiteit en extraversie. Zijn latijnse naam Quercus Robur betekent de robuuste eik. Hij is één der mannelijkste bomen: het type ruwe bolster, blanke pit. Met zijn ruige bast, vruchtbare eikels en stevige stam, is het een man onder de bomen. Hij is dan ook gewijd aan de meest mannelijke goden; die van donder en bliksem! De eik is gewijd aan de oppergod van vele volkeren: aan Taranis bij de Kelten, Perkunas bij de Slaven, Donar of Thor bij de Germanen, Jupiter bij de Romeinen en aan Zeus bij de Grieken. (1) Dit zijn allemaal hemelgoden gewapend met bliksemschichten en/of donderhamers. De eik als koning Het is niet zonder reden dat een dergelijke boom verkozen werd tot koning van het woud. Geen rijk kan zonder een heerser en zo verkozen goden en mensen, maar ook dieren en planten hun koning. De landdieren hebben koning leeuw, de vogels hebben koning adelaar en de bomen hebben koning eik! Hij moet deze eer echter wel delen met een prikkelbaar heerschap: koning hulst. Eik en hulst hebben het jaar opgedeeld. Van midzomer tot midwinter regeert de hulst. Dat is de periode van afname waarin de zon telkens verder naar de horizon zakt. De eik volgt hem op van midwinter tot midzomer. Dat is de periode van groei waarin de zon telkens hoger aan de hemel staat. Zo strijden zij elk jaar met elkaar in een gevecht, met een voorspelbare afloop. Dit gevecht wordt in de rituelen uitgebeeld en wordt op vele manieren in verhalen verteld. In het artikel over de hulst vertel ik meer hierover. Eik en bliksem Als je je afvraagt wat een eik toch te maken heeft met die donder- en bliksemgoden dan kan ik je antwoord geven: Zelfs nu is een onweer met blikseminslag en vooraf gegaan door waarschuwende donder, een indrukwekkend schouwspel. Stel je voor hoe angstaanjagend en afschrikwekkend het geweest zal zijn voor onze voorouders! Alle kracht van de Hemelvader balde zich samen. In één gigantische ontlading werd moeder Aarde met de energie van de bliksem bevrucht. De boom die het vaakst diende als overbrenger van die robuuste kracht, was en is de eik. Het spreekwoord zegt: ‘Eiken moet je wijken, boeken (=beuken) moet je zoeken‘. (2) Als je onder een eik gaat staan tijdens een onweer ben je de goden aan het verzoeken, maar onder een beuk stond je volgens het volksgeloof veilig. Vele eiken vertonen dan ook sporen van blikseminslag en kunnen die klappen blijkbaar goed verduren. Dit wordt soms verklaard door te wijzen op de diepe worteling van de eik. Volgens de Romeinse dichter Vergilius (eerste eeuw v. Chr) zou een gezonde eik net zo diep onder de grond wortelen als dat hij boven de grond met zijn kruin naar de hemel reikt! (3) Ook al is dit wellicht iets overdreven; de eik kan wortelen tot in het grondwater en zo de bliksem des te beter geleiden. De priesters van de natuurvolkeren – zeker wanneer ze zagen hoe de eik door de bliksem werd getroffen – wisten goed dat deze boom heilig was. De kracht van de hemelgod was op hem neergedaald en iets van die kracht is nog steeds in de boom en in zijn vruchten aanwezig. Deze kracht heeft bij verschillende volkeren een speciale benaming gekregen. Zij heet onder andere: ‘mana’, ‘numen’, ‘prana’, ‘orgon’, ‘chi’ en ‘ki’. Ook al zitten er subtiele betekenisverschillen tussen deze woorden, toch staan zij – voor mij – voor één belangrijk ding: levensenergie. Het was de kunst om de goddelijke kracht, die in de heilige boom was verzameld, te sturen en aan te wenden voor het welzijn van de gemeenschap. Dit probeerden de priesters van vele oude religies. Ik kan hier drie voorbeelden van geven uit de Oudheid. Turner – The golden bough 1834 De gouden tak van Nemi In een eikenwoud te Nemi in de buurt van Rome was ooit het heiligdom van de bosgodin Diana. Daar stond een heilige eik die bewaakt werd door een priester. Hij bewaakte deze met zijn vege lijf, want degene die een gouden tak – waarschijnlijk een maretak – uit de boom wist te snijden, mocht met hem strijden. Wist deze hem te overwinnen en te doden dan werd hij zijn opvolger en daarmee de nieuwe ‘Rex Nemorensis’ oftewel koning van het woud en echtgenoot van Diana. Deze merkwaardige manier van opvolging van het priesterschap moet eeuwenlang hebben bestaan in dienst van het welzijn en de vruchtbaarheid van de gemeenschap. (4) De kosmische eik van Dodona Het heiligdom van Dodona heden ten dage De priesteressen van het heilige en aan Zeus gewijde eikenwoud van Dodona in Griekenland hadden het iets makkelijker: zij gaven orakels aan de mensen. Dit deden zij door middel van een majestueuze, wonderbaarlijke eik midden in het woud. De dichter Aeschylos beschrijft deze boom als volgt: ‘Hij is een niet te geloven wonder, een spijseik met zoete vruchten en altijd groene bladeren’. Met zijn wortels kwam hij tot in de onderwereld en met zijn kruin reikte hij tot in de hemel. Onder de boom borrelde een mysterieuze bron en in de boom woonden zwarte duiven. Als iemand een orakel wilde horen van Zeus waren daar drie methodes voor: De priesteressen keken naar de vlucht van de zwarte duiven in en uit de boom, ze luisterden naar het murmelen van het water in de bron of ze luisterden naar het ritselen van de wind in de bladeren van de eik. Dit zijn in feite drie meditatievormen om in de innerlijke stilte open te staan voor een goddelijke aanwijzing. Op deze drie manieren konden ze de wijze raad van Zeus ontdekken (5). De maretak van de druïden Henri Paul Motte – Druids Cutting The Mistletoe 1900 Het gebruik maken van de levensenergie van de eik komt het duidelijkst naar voren in het Keltische ritueel van het plukken van de maretak uit de eik. In het ‘nemeton’ – een heilige plek in de wouden van de Kelten – kwamen de druïden bijeen voor hun rituelen. De druïden zijn dru-wyd, dat wil zeggen eiken-kenners. Zij wisten hoe je de kracht van de god die in de eik was neergedaald, voor de mensen moest benutten. De Romeinse schrijver Plinius (eerste eeuw n. Chr.) beschrijft in zijn ‘Naturalis historia’ hoe zij dat deden: de druïden vonden alles dat op de eik groeit, een geschenk van de goden. Vooral de maretak – als hij groeide op de eik – werd als zeer heilig beschouwd. (De maretak groeit maar zelden op de eik, meestal groeit hij in een appelboom of een populier.) Hij werd met veel ceremonieel verzameld op de zesde dag na de nieuwe maan. Een priester klom in een wit gewaad in de boom en sneed met een gouden snoeimes de maretak af. De maretak werd in een witte mantel opgevangen. Zij mocht de grond niet raken, want dan zou alle kracht van de god die in de plant was verzameld in de grond weg vloeien. De maretak zou – in een drank verwerkt – vruchtbaarheid schenken en een tegengif zijn voor alle vergif (6). Zo werd de eik en alles dat groeide in de eik gebruikt voor vruchtbaarheid, genezing en voorspelling. De eik en het heilig vuur Waterhouse – A hamadryad 1895 De eik werd gezien als een axis mundi; een plek waar hemel en aarde elkaar ontmoetten. Het was de taak van de druïden en priesters om een dergelijke krachtplek te lokaliseren en te gebruiken om de goddelijke kracht aan te wenden voor de mensen. Dergelijke plekken waren voor de Grieken, Romeinen en Kelten bestemd voor hun heilige rituelen. Een van de manieren waarop die kracht werd aangeboord was door te draaien. Mogelijk duidt het dru in druïden en dry in dryaden (boomgeesten – vooral van de eik – uit de Griekse mythologie) hierop. Associatief zou je zelfs een link vermoeden met het der in de ronddraaiende derwisjen. Deze geestelijken van het mystieke soefi-geloof draaien om hun as om in extase te raken. Dit doen zij met de rechterhandpalm omhoog om de zegen van god te ontvangen en de linkerhandpalm omlaag om die zegen door te geven aan de wereld. Door te draaien om je as vindt je het exacte middelpunt. Niet alleen de as van jezelf, maar ook de wereldas. Deze staat gelijk aan de wereldboom; de kosmische eik. Wie kan draaien rond de eik kan de energieën in elkaar vlechten en de stille plek in de orkaan bereiken. Dit draaien was niet slechts een methode om mystieke eenheid te vinden, maar ook – zeer praktisch – een manier om vuur te maken! De alleroudste manier om aan vuur te komen was door te wachten op het geschenk van de hemelgod: de bliksem die insloeg in de eik, die daarmee vuur veroorzaakte. Ergens in de oeroude tijden kwam er iemand die vooruit kon denken, die niet slechts in het hier en nu leefde, maar door had dat je door continue wrijving een dermate grote hitte kon bereiken dat vuur ontstond. Hij of zij deed dit met behulp van een vuurboor in een vuurkom. Beiden werden traditioneel gemaakt van eikenhout. (7) De stamgenoten aanschouwden dit met groot ontzag en zagen dit als een heilige en magische daad. Degene die vuur kon maken werd de druïde (of dryade); de draaier met de vuurboor. In de Griekse mythologie is Prometheus de eerste die het vuur ontdekt. Hij is de fameuze weldoener van de mensheid die het vuur uit de godenwereld stal. Zijn naam betekent ‘de vooruit denkende’ en/of de vuurboor. (8) Het vuur van de eik, gemaakt met de vuurboor van eikenhout, gaf de mensen een eerste aanzet tot beschaving. De betekenis van de naam Prometheus laat dit prachtig zien. Bonifatius kapt de heilige eik van Geismar om Eik en kerk De heilige eiken werden vanaf de vroege middeleeuwen gekapt door christelijke missionarissen. Bonifatius zag bijvoorbeeld te Geismar (Duitsland) hoe mensen een grote eik vereerden die gewijd was aan Donar (Jupiter). Hij hakte – volgens zijn hagiografie – de boom in één slag om en de boom viel in vier stukken uiteen. Van het eikenhout bouwde hij een kerk. Dit incident kan je zien als een voorbeeld van het overgaan van de functie van middelaar tussen hemel en aarde van de boom naar een kerkgebouw. Vaak werden de eerste kerken gebouwd van eikenhout. Je vindt dit terug in het Ierse woord voor kerk; dur-thech oftewel eikenwoning. (9) Groene man in Dordrecht Nog steeds vind je die oude oorsprong terug in sommige kerken. Pilaren lijken op boomstammen en zijn met ornamenten van eikenloof omkranst. Op onverwachte plekken – onder een kapiteel, onder een leuning van een kerkbank of vanuit een nis – kijkt plots een ‘groene man’ je aan. Het ornament van de ‘groene man’ is een stenen gezicht gemaakt van bladeren, of anders een gezicht waar bladeren uit de mond, neus en ogen stroomt. (10) Het blad bestaat regelmatig uit eikenloof. Is de ‘groene man’ een elf, een vegetatiedemon of de god van de natuur zelf? Niemand weet het zeker. Toch is het verleidelijk om in de ‘groene man’ de geest van de groene vegetatie te zien die zo onverwoestbaar als onkruid altijd weer zijn kop omhoog steekt. De heilige eik in Nederland Is er van die oude eikenverering nog iets terug te vinden in het huidige Nederland? Verbazingwekkend genoeg wel! Ik zal hiervan drie voorbeelden geven: Lapjesboom van Overasselt In Overasselt, bij  Nijmegen in de buurt, staat een bijzondere eik. Hij is niet heel oud of dik, maar hij kan genezen! Het is de lapjes- of koortsboom. Iedere koortslijder die hier een – in zijn eigen koortszweet gedrenkte – lap in hangt, zal genezen van zijn kwaal. De ziekte wordt via de lap overgenomen door de boom. De koorts wordt geneutraliseerd en afgevoerd. Volgens de legende woonde er in die streken zo’n duizend jaar geleden een roverhoofdman genaamd Walderick. De enige waar hij van hield was zijn schone dochter Heribertha, maar zij kreeg de gevreesde hete koorts. Ondanks allerlei gedokter genas zij niet. Walderick was ten einde raad. Een monnik gaf hem toen het advies om een stuk van haar kleed te scheuren en dat in de oude eik naast zijn huis te hangen. Kort daarna werd Heribertha weer gezond. Walderick ging vervolgens een vroom leven leiden en werd Sint Walrick. Vanaf die tijd zou het gebruik zijn ontstaan om lapjes in de boom te hangen tegen de koorts. Het huis van de hoofdman verdween en in plaats daarvan kwam er een kapel. Nog steeds staat er naast de lapjesboom de ruïne van deze kapel; de Sint Walrickruïne (11). De eik die er nu nog staat is natuurlijk niet de eik van duizend jaar geleden, maar zijn opvolger. Hij wordt echter nog steeds vol gehangen met lapjes. Gevoelige mensen weten dat dit een krachtplek is; een plek die hemel en aarde met elkaar verbindt. Wodanseiken – J.J. Cremer 1849 Bij Wolfheze vindt je de Wodanseiken. In de negentiende-eeuwse romantiek was deze naam bedacht voor deze rij met imposante bomen in een schilderachtige omgeving. De eik is traditioneel inderdaad gewijd aan Wodan. De zes tot acht grote eiken, met in de omgeving grafheuvels en ruïnes, vormen een – vooral in de schemering – spookachtig geheel. Vroeger durfde men er ‘s avonds niet voorbij te lopen. Een man die dat toch deed zag de schimmen van werklieden die daar bezig waren huizen te bouwen. Het was het spooksel van iets wat daar honderden jaren eerder had plaatsgevonden. Onder deze eiken werd vroeger recht gesproken. De bladeren van de bomen zouden de aanklagers het recht influisteren. Ook deze plek staat bekend als een krachtplek. Tot slot staat er in de Sint Lambertuskerk te Meerveldhoven (Noord-Brabant) een dode eikenboom volgehangen met ex-voto’s (voorwerpen die als blijk van dank werden opgehangen vanwege een verhoord gebed. Ze waren van was of metaal en moesten vaak een genezen lichaamsdeel voorstellen.) Deze boom staat daar ter herinnering van een waar gebeurd verhaal uit 1264. Er was een boer op pad gegaan en die zag tot zijn verbazing een Mariabeeldje zitten tussen de takken van een eik. Hij haalde het eruit en nam het mee naar huis, maar de volgende dag was het beeldje verdwenen en zat het opnieuw in dezelfde eik! Dit herhaalde zich nog twee keer. Toen was hij overtuigd: Maria wil in de eik vereerd worden. Vele zieke mensen gingen op aanraden van de boer naar het beeldje in de eik, en werden genezen. Het werd een bekend pelgrimsoord. Na verloop van tijd ging de boom dood, maar in zijn nagedachtenis vind je in de kerk op deze plaats nog steeds een eik. (12) Deze drie voorbeelden geven aan hoe ook nu nog de kracht van de eik tot de verbeelding spreekt van de mensen. Zo de heilige eik twee millennia geleden genezing en wijsheid gaf te Nemi, Dodona en in het heilige woud van de druïden, zo kan hij dat nu nog brengen in Wolfheze, Meerveldhoven en Overasselt! Abe van der Veen Dit is een herziene versie van een hoofdstuk uit mijn boek ‘De symboliek van bomen’ over de Keltische bomenkalender. Dit boek is hier  te verkrijgen. Moens, Frank en Roelie de Weerd ed. – Bomen en mensen. Een oeroude relatie 2001 p. 232 Cleene, Marel de en Marie Claire Lejeune – Compendium van rituele planten in Europa 2003 p. 325 Vergilius – Georgica vs. 390-397 Frazer, James – The golden bough 1993 8, 140, 163 Blöte-Obbes, M. C. – Boom en struik in bos en veld 1963 p. 117 Beekman, Willem en Frank Olofsen – Goud in groen 1998 p. 11 Cleene en Lejeune 325 Graves, Robert – Griekse mythen 146 Walker, Barbara – The encyclopedia of myths and secrets 257 Basford, Kathleen – The green man 2004 Moens 64 Moens 61 en Schuyf, Judith – Heidens Nederland 1995 p. 99

Het geheim van de alruinwortel of mandragora

donderdag 26 april 2018 19:21

De alruinwortel, wie kent hem niet van Harry Potter of anders van een scène uit Pan’s labyrinth? (n) Deze ‘mandragora officinalis’, is – samen met de maretak – de meest magische plant die we in Europa kennen. De hoeveelheid folklore rondom deze plant is enorm. Het uiterlijk van de plant is vrij onopvallend, hij heeft donkergroene bladeren, groene bessen en paarse bloemen. Zijn meest beruchte en opvallende deel zit echter onder de grond: dat is zijn sterk behaarde wortel die zich nogal eens vertakt en dan verdacht veel lijkt op het lichaam van een mens. De Egyptenaren zagen er een mannelijk geslachtsdeel in en noemden hem ‘de fallus van het veld’. De Arabieren kennen hem juist als ‘de eieren (testikels) van de djinn’, daar is de plant vernoemd naar zijn bessen. In de Bijbel worden de bessen van de alruin ‘dudaim’ oftewel ‘liefdesappelen’ genoemd. In al deze streken stond de plant bekend als een afrodisiacum. Mandragora is ook één van de bijnamen van de Romeinse liefdesgodin. Zij heet dan Venus Mandragoritis. Mandragora komt wellicht van het Perzische ‘mardum giâ’ wat mensenkruid betekent. (1) Heksen en priesteressen Vroege afbeelding van heks ca. 1280 – 1450 dom van Schleswig Meestal werd de meer duistere kant van de plant benadrukt. Als ‘atropa mandragora’ wordt hij genoemd naar Atropos, de schikgodin die de levensdraad doorsnijdt. Hij zou toebehoren aan de heksen- en doodsgodin Hecate en groeien in het magische kruidentuintje van de tovenaressen Medea en Circe. Een Griekse benaming van de plant is ‘kirkaion’: kruid van Circe. Alruinwortel wordt ook genoemd als bestanddeel van de vliegzalf van de heksen. Bij het vliegen naar de sabbat door een heks, ging de geest reizen en bleef het lichaam achter in bed. Alruin bevat scopolamine en hyoscamine en heeft daardoor een hallucinogene werking. Dit zal inderdaad helpen om uit het lichaam te treden. (2) Ook bij de oude Germanen was er een heksenassociatie. De plant zou de naam alruin te danken hebben aan Albruna een Germaanse waarzeggende priesteres die door Tacitus in zijn ‘de Germania’ (1e eeuw nC) wordt genoemd. Al(b)runa zou de titel zijn voor deze orakelende vrouwen en ‘zij die de geheimen van de elfen kent’ betekenen. Alb is elf en runa betekent geheim en is verwant aan de runen. Zonder de b in alb wordt het ‘zij die alle geheimen kent’. Ook van de alruinswortel werd gezegd dat hij alle geheimen kan onthullen. (3) De galgenheuvel De verblijfplaats van de ‘alruna’ als wortel en als priesteres is mogelijk dezelfde, namelijk de grafheuvel. Deze werd later vaak gebruikt als galgenheuvel. Het is niet toevallig dat de alruin juist zou groeien op galgenheuvels. De graf/galgenheuvel was een plaats van inwijding, die mogelijk gebruikt werd om een semi-dood ervaring of een ervaring van uit het lichaam treden mee te maken. Een van de inwijdingsrituelen bij de Germanen was de hangritus, waarbij de in te wijden persoon opgehangen werd aan een galg of boom en dan stierf als slachtoffer of na een wurgende bijna doodervaring weer van de galg werd gehaald. Daarna was hij gewijd aan Odin. (4) Hekserij onder de galg (de alruinman vindt je onder de heks met de toorts) – Teniers II (1610-1690) Van de alruin werd in de Middeleeuwen gezegd dat hij ontstond uit de urine of het zaad van een gehangene (vandaar de volksnamen pisdiefje en galgenmannetje). (5) Deze gehangene moest dan wel een onschuldige of een dief zijn. Die onschuld verwijst naar het hangen als inwijding in plaats van straf, maar ook de dieven zijn aan Odin gewijd. Op het moment dat alles wordt losgelaten en de banden met het lichaam worden doorbroken, komt de ziel vrij en schreeuwt hij het uit van extase. Dit is een orgastische schreeuw. Zowel Jezus als Odin schreeuwen op dat moment tijdens hun hangoffer. Op dat zelfde moment verliest de gehangene zijn zaad. Juist hieruit groeit een op een man lijkend plantje. Een plant met een bijna menselijk bewustzijn. Het lijkt op een mens en gedraagt zich ook als een mens. Je zou kunnen zeggen dat de ziel van de gehangene is overgegaan in de plant. Hoofd van Adam, hoofd van Mimir In Rusland heeft de alruin een interessante naam: hier noemen ze de plant ‘hoofd van Adam’. (6) Dit hoofd zou – volgens de legende – in de heuvel Golgotha begraven liggen. Dit is de galgenheuvel waar Jezus Christus gekruisigd is. Golgotha betekent ‘plaats van de schedel’. Hiermee wordt de schedel van Adam bedoeld! Onder de galg van Jezus vinden we dus Adams hoofd, oftewel de mandragora? Tegelijkertijd is er ook een merkwaardige correspondentie tussen het kruis van Christus, de boom van kennis van goed en kwaad en de mandragora. Volgens de ‘fysiologus’ (2e eeuw nC) was de boom van kennis van goed en kwaad uit het paradijs een mandragora. In diverse middeleeuwse legenden over de herkomst van het kruis wordt weer beweerd dat het gemaakt is van het hout van een zaadje uit de boom van kennis van goed en kwaad. Deze boom groeide dan weer op Golgotha. (7) De middeleeuwse mystica en kruidkundige Hildegard von Bingen (1098-1179) beweerde dat de alruin uit dezelfde plaats gegroeid was, waar God de aarde vandaan haalde om Adam mee te scheppen. Daarom was hij koning van de planten. (8) Adam betekent rode aarde, want de eerste mensen zouden door God gemaakt zijn uit klei. Het eerste probeersel echter was een misbaksel en God gooide het weg. In één versie van dit verhaal werd dit de alruinswortel! De Joodse magiër Eliphas Levi maakt er zelfs van dat de eerste mensen als alruinen waren, die zichzelf uit eigen beweging uit de grond lostrokken.. Salvator Rosa 1646 (In de hand van de linkerheks de alruinman) Het is interessant om dit verhaal te vergelijken met Odin’s hangoffer: Onder het kruis van Jezus is het hoofd van Adam – wellicht de alruinwortel – te vinden en onder de boom van Odin vindt de god de runen. Dit is geheime kennis, niet in de vorm van een plant, maar door middel van letters. Toch in een ander verhaal over de zoektocht van Odin naar wijsheid vindt hij wel degelijk een hoofd. Dit is het hoofd van Mimir, de meest wijze Ase, wiens hoofd afgehouwen was. Odin wreef het hoofd echter in met kruiden en sprak er toverformules over uit zodat het in leven bleef. Odin had dit hoofd altijd bij zich en sprak ermee, het onthulde hem verborgene zaken. Het waren de zaken die geassocieerd zijn met de geheime wijsheid van de gehangenen. (9) Ik stel mij zo voor dat de ingewijde die de hangritus overleefde – en dus uit de dood herrezen was – als beloning daarvoor het poppetje van de alruin mee kreeg. Dit was zijn ego, waarmee hij zich nu niet meer vereenzelvigde, waardoor het een hulpmiddel werd om zijn betere ik, zijn geest te raadplegen. Hiermee kon hij geheime beraadslagingen doen door te ‘raunen’ (fluisteren) met de runen of de alruin en te mijmeren met Mimir. De homunculus Doordat de ingewijde een semi-dood onderging was zijn ego symbolisch overgegaan in de alruin. Hij was zijn zelf of zijn ziel geworden en had het inzicht verworven dat hij niet zijn lichaam, noch zijn gedachten was. Hij kon nu vrijelijk beschikken over dat construct van lichaam en gedachten – die door het ego samen wordt gehouden. De alruin kan je zien als het symbool voor dit kleine ik. Het heeft de vorm van een klein mensje: de ‘homunculus’. Dit maakt de alruin tot een krachtige, maar ook gevaarlijke plant. Op het moment dat hij uit de aarde werd getrokken zou hij een schreeuw geven die zo afgrijselijk was dat je ter plekke van schrik zou sterven! Het is alsof de schreeuw van de gehangene weer vrijkomt en daarmee ook al zijn pijn en lijden dat hem vasthield aan de materie. Niet iedereen kan deze smart doorstaan, velen zullen falen bij de poging om kracht van de alruin – en daarmee zijn verborgen kennis – te beheersen. Een enkele wijze kan het wel en wordt heerser over de geestenwereld, zoals koning Salomo die een stukje van de wortel in zijn magische zegelring had, of zoals Odin, die naar vrije wil uit zijn lichaam kon treden. Ook Paracelsus beweerde dat hij de homunculus kon maken. In de alchemie noemt men de kunstmatig met leven begiftigde dode materie de homunculus. De alchemist en kruidkundige Paracelsus zou dit hebben geprobeerd en hij gebruikte daar de alruin bij, die hij tot leven wekte door middel van menstruatiebloed en (opnieuw) sperma. (10) Het plukken en verzorgen van de alruin Wij gewone stervelingen hebben trucjes nodig om toch iets van die wijsheid te bemachtigen. Een vroeg voorbeeld van het oogsten van de alruinwortel stamt uit de eerste eeuw nC uit Galilea en staat in de Bellum Judaicum van Josephus:  ‘In de vallei die noordwaarts de stad omringt, is er een plaats genaamd Baaras, waar een wortel groeit van de zelfde naam, die een kleur als vuur heeft en ’s avonds glinstert als de stralen van de zon. Men komt er moeilijk bij en rukt hem even moeilijk uit; want hij vlucht verder en blijft enkel staan, indien men vrouwenpis of menstruatiebloed er op gegoten heeft.  Als iemand hem aanraakt, moet hij zeker sterven, zo hij hem niet, aan de hand hangende, draagt. Men neemt hem zonder gevaar als volgt: Men doet er rond de aarde weg, zodat maar een klein deel van de plant nog in de de grond blijft; men bindt aan de wortel een hond die, omdat hij zijn meester wil volgen, de wortel uit trekt. Onmiddellijk sterft de hond in plaats van zijn meester. Van dit ogenblik af kan men de wortel zonder gevaar in de hand nemen. Men trotseert al die gevaren om deze wortel te bezitten, vanwege één enkele kracht die hij heeft: deze wortel op het lichaam gelegd, verjaagt de boze geesten, die de levende lichamen proberen te bezitten en doen sterven, als men er niets tegen doet’. (11) In latere versies van dit plukritueel moest de hond zwart zijn. Dit is passend want zwarte honden zijn gewijd aan de godin Hecate en worden gezien als boodschappers van de dood. In het – vroeger jaarlijks in het Atlasgebergte gehouden – Rookfeest werd een mengsel van hallucinogene kruiden gebrand met als hoofdbestanddeel de alruin. De bedwelmde monniken zagen de geestvorm van de verschillende planten en ten laatste de geest van de alruin in de vorm van een zwarte hond! (12) Het plukken van de alruin volgens de ‘Tacuinum sanitatis’ uit  de  15e eeuw In middeleeuwse versies van het plukritueel moest het alruinmannetje – nadat hij uit de grond was getrokken – gebaad worden in rode wijn, gekleed in een wit zijden hemdje en op een kussen in een doosje worden geplaatst. Hij moest zelfs iets te eten krijgen! Als je dit allemaal deed en dit enkele keren herhaalde dan zou hij je wensen vervullen, antwoord geven op al je vragen, je de toekomst voorspellen en je rijk maken! (13) Dit soort gelukspopjes van alruin werden mogelijk al door de Grieken en Romeinen als amulet gedragen en het gebruik bleef tot in de negentiende eeuw bestaan. (14) Mogelijk was dit de ziel van de gehangene die men dan met zich meedroeg. Deze was dan met zijn laatste extatische schreeuw in de alruin overgegaan. Door hem zo te verwennen en te voeden met aandacht, zorgde men ervoor dat hij niet weg vluchtte. Zelfs Jeanne d’Arc, de roemruchte maagd van Orléans, werd er van beschuldigd dat zij stiekem een alruinwortel bij zich had. Dit zou de oorsprong zijn van de stemmen die zij hoorde! Zijzelf beweerde bij hoog en bij laag dat het de stemmen van heiligen waren. (15) De levenskracht van de alruin Dioscorides ontvangt een alruin van de godin Euresis (5e eeuw nC) In het beroemde Russische sprookje ‘Wasalisa de wijze en de heks Baba Jaga’ krijgt het meisje Wasalisa een popje van haar stervende moeder. Zij draagt deze altijd stiekem bij zich, praat met haar en geeft het eten. Het popje brengt haar geluk en geeft haar wijze raad. Uiteindelijk vindt ze met behulp van de pop een vlammende schedel, waarmee ze het vuur in de haard opnieuw aansteken kan. Dit alles doet verdacht veel denken aan een pop van alruinwortel. Dit geldt ook voor de schedel, want van de alruin wordt gezegd dat de bloem vlammen voortbrengt. Hij wordt daarom in het Hebreeuws ‘dudaim’ of vlammenkruid genoemd. (16) In dit verband is het opmerkelijk dat ook Prometheus – die het vuur steelt van de goden – met de alruin werd geassocieerd. Hij werd gestraft door middel van een adelaar die elke dag zijn lever uit zijn borst pikte. Uit de etter die uit die verse wond stroomde zou de alruinwortel zijn ontstaan. (17) Arabische afbeelding van de mandragora uit 1229 De vlammen van de alruin komen ook voor in een versterkingsritueel dat uitgevoerd werd op het Indonesische eiland Madoera. Daar werd door de deelnemers in een tempel voor elke maand een zaadje geplant en hiervoor gezongen. Zij zagen het zaad voor hun ogen ontkiemen en daarna stengel, blad en bloem vormen. Het laatste zaad was dat van de alruin. Bij het openen van de alruinbloemen kwamen er vlammen uit de kelken. Sommige deelnemers leken verzengd te worden door de vlammen en bezweken. Anderen leken de vlammen in zich op te nemen. Na afloop gingen de eersten bleek en afgemat naar huis en de laatsten vol kracht en geestdrift. (18) Wie sterk genoeg is die neemt de levenskracht van de alruin op, wie dat niet is verliest juist zijn energie aan de mensplant! Conclusie Je zou kunnen stellen dat de alruin voor het ego staat, maar ook voor je intuïtie! Na je inwijding ontvang je van de wijze vrouw, (de alruin) de wortel als talisman. Je behandelt het als een minimensje, een homunculus en het is daarom je kleine ik, tegenover je grote zelf. Het is je ego, waardoor je in jezelf kan praten, zoals een klein kind praat met haar pop. Maar dit keer laat je je niet overheersen door dit ego. Je herkent zijn kracht, maar identificeert je er niet volkomen mee. Je hebt geleerd dat je grotere zelf die energetische boom is, die galg waar het ego aan hangt. Zodra je dit parasitaire ego los kan rukken en je – zoals Odin – van de boom valt, weet je dat je niet ego bent, dat je niet lichaam-in-gedachten bent, maar iets oneindig groters. Zo transformeer je het ego tot je intuïtie! De ‘tuition’ het onderwijs dat je krijgt als je naar je innerlijk, je centrum luistert. Dit is de innerlijke vlam in de schedel die verwijst naar jouw overwinning op de dood. Je consulteert je diepste innerlijke weten door middel van je contact met de alruin, de allesweter. Als je zelf niet ingewijd bent en je vangt de ziel van een gehangene in de alruin, dan ben je een necromanciër en pleeg je zwarte magie. Dit is misbruik maken van iets buiten jezelf. Dit is een duivelspact dat je uiteindelijk op zal breken. Buiten het ritueel van het hangen om kan de geest van de alruin zelf je ook beschermen en van wijze raad voorzien. Hij helpt je bij je inwijding. Tegelijk kan hier sprake zijn van bescherming door de geest van de inwijdster, de wijze albruna, de priesteres die je lijfelijk of in geestvorm bijstaat. Abe van der Veen Dit artikel is onderdeel van mijn boek ‘De wijsheid van bomen en kruiden’. Dit boek is via deze link verkrijgbaar en hier kan je meer info lezen over het boek. n) Zie hier de scène met de alruin in Pan’s labyrinth: https://www.youtube.com/watch?v=Tvq4Yp7XaRg 1) L. Gordon – Green magic p. 97 Emboden – Bizarre plants p.149-150 Decleene en Lejeune – Compendium van rituele planten p. 108 G. Buchner – Heksenkruiden p.33 Genesis 30 vs 14-16: ‘En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim. En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen. Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar.’ 2) Emboden – Bizarre plants p.149 R.K. Harrison, “The Mandrake And The Ancient World,” The Evangelical Quarterly 28.2 (1956): 87-92. Compendium p. 110 3) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/alruin https://en.wikipedia.org/wiki/Albruna 4) Farwerck – Noordeuropese mysterieën p. 45, 156, 405 Gehangen mannen zouden bij hun laatste stuiptrekkingen ejaculeren. Tegelijk is het ook een feit dat mensen die bepaalde hallucinogene drugs gebruiken zoals Ayahuasca in hun staat van totaal loslaten ook hun urine, feces en mogelijk ook sperma soms loslaten. 5) Teirlinck – Flora magica p.142 6) Compendium p. 106 7) Hatsis – The witches ointment 79 https://en.wikipedia.org/wiki/Legend_of_the_Rood 8) Emboden p. 149 Compendium p. 107, 114 9) Snorri Sturluson – Ynglinga saga 4 en 7 10) Grafton, Anthony (1999). Natural Particulars: Nature and the Disciplines in Renaissance Europe. MIT Press. pp. 328–329 11) Josephus, Bellum Judaicum, vii. 6. 3. Compendium p. 108 12) M. Uyldert – De taal der kruiden p. 228 Er is een interessante gelijkenis te trekken met een ervaring die Carlos Castaneda in een van zijn boeken beschrijft. Onder invloed van de hallucinogene cactus Peyote gaat Carlos spelen met de geest van de plant in de vorm van een hond. 13) Blöte-Obbes – De geurende kruidhof p. 245 Compendium p. 110 14) Compendium p. 110 Deze waren meestal op kunstmatige wijze van menselijke trekken voorzien en waren ook vaak niet van alruinwortel gemaakt, maar van een heggerank. 15) Blöte-Obbes p. 247 16) Uyldert p. 223 17) Compendium p. 105 Appolonius van Rhodos boek III, 828 18) Uyldert p. 226 Leuk om te weten: De main-de-gloire of ‘dead man’s hand’ is een verbastering van de mandragora. De magische werking van de plant ging dus over op die van een ander luguber iets dat je moest opgraven onder de galg: de hand van een gehangene.. – Ook goed om te lezen: Anne Van Arsdall, Helmut W. Klug, Paul Blanz –  The mandrake plant and it’s legend a new perspective https://www.whitedragon.org.uk/articles/mandrake.htm

 

Powered by 1st-movers.com

Vertelagenda

Deze verteller heeft op dit moment geen evenementen in de Vertelagenda staan.